ECLI:NL:RBZWB:2026:4245

ECLI:NL:RBZWB:2026:4245

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 17-04-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer C/02/440423 / FA RK 25-5086
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Benoeming BC, gezag, zorgregeling en kinderalimentatie. Partijen recent nog een procedure gevoerd ten aanzien van dezelfde onderwerpen.

Uitspraak

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011.

De man heeft de minderjarige erkend.

Partijen hebben op 12 oktober 2014 een ouderschapsplan opgesteld. Zij hebben hierin onder meer het volgende afgesproken:

“…

Artikel 8 Kinderalimentatie

De kosten van het kind zijn door de ouders In onderling overleg begroot op € 350 en de ouders zullen naar rato van hun draagkracht daarin bijdragen.

Met ingang van 15 mei 2012 en zolang het kind minderjarig is en bij de moeder woont, betaalt de vader aan de moeder een alimentatie voor het kind van € 186 per maand. Deze alimentatie zal zijn onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld ín artikel 1:402a BW, voor het eerst per 1 januari 2017.

…”

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 17 december 2024 is bepaald dat partijen voortaan het gezamenlijk gezag zullen uitoefenen. Tevens is bepaald dat de man en de minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar waarbij de minderjarige één week bij de man is en één week bij de vrouw en deze zorgregeling in de vakanties doorloopt, met uitzondering van de zomervakantie. In de zomervakantie verblijft de minderjarige twee weken aaneensluitend bij de ene ouder en dan twee weken aaneensluitend bij de andere ouder, waarna zorgregeling weer voortgezet wordt. Kerst (24, 25 en 26 december) en Oud & Nieuw (31 december en 1 januari) worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld.

3. Het geschil

De vrouw verzoekt de beschikking van 17 december 2024 te wijzigen en:

1. te bepalen dat de man en [minderjarige] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar iedere maandag en dinsdag uit school tot en met het avondeten en een weekeinde per 3 weken van vrijdag 19:30 uur tot zondagavond, dan wel een zorgregeling vast te stellen als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;

2. te bepalen, dat het gezamenlijk ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] wordt beëindigd en de vrouw alleen wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

3. Primair: de inhoud van het ouderschapsplan te bekrachtigen, voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betreft en te bepalen dat de man met ingang van 15 mei 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te betalen van € 186,- per maand, welke alimentatie voor het eerst aan de wettelijke indexering zal zijn onderworpen per 1 januari 2017, derhalve welke in 2025 bedraagt € 247,38 per maand, welke bijdrage bij vooruitbetaling door de man dient te worden voldaan.

Subsidiair: de inhoud van het ouderschapsplan te bekrachtigen, voor zover het de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betreft en te bepalen dat de man met ingang van 15 mei 2012 een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] dient te betalen van € 186,- welke alimentatie voor het eerst aan de wettelijke indexering zal zijn onderworpen per 1 januari 2017, en de bijdrage met ingang van 1 januari 2025 vast te stellen op € 247,38 per maand, dan wel de bijdrage met ingang van een door uw rechtbank nader te bepalen datum, te bepalen op een bedrag als uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De man voert verweer en verzoekt om bij beschikking en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de verzoeken van de vrouw af te wijzen. Uit hoofde van zelfstandig verzoek, verzoekt de man te bepalen dat de beschikking d.d. 17 december 2014 als volgt wordt gewijzigd:

- de man en de minderjarige zijn in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar waarbij [minderjarige] één week bij de man is en één week bij de vrouw. [minderjarige] is altijd in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw.

- er vindt een uitzondering op de zorgregeling plaats gedurende vier weken van de zomervakantie, waarbij [minderjarige] twee weken aansluitend bij de ene ouder verblijft en twee weken aansluitend bij de andere ouder, waarna de zorgregeling weer wordt voortgezet.

- er vindt daarnaast een uitzondering plaats in de kerstvakantie, waarbij Oud & Nieuw en Kerst in onderling overleg tussen ouders wordt verdeeld, waarbij de man na afloop van de kerstvakantie opnieuw de even weken de zorg heeft over [minderjarige] .

Bij brief van 5 maart 2026 heeft de vrouw aanvullend verzocht om bij beschikking te bepalen dat de kinderbijslag volledig door de vrouw wordt ontvangen.

Op het standpunt van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.

4. De beoordeling

Procedureel

De man heeft een F-formulier met een bijlage overgelegd op 9 maart 2026. Namens de vrouw is ter zitting bezwaar gemaakt tegen het F-formulier en de overgelegde productie gezien het tijdstip van overleggen. Gelet op het nadrukkelijke bezwaar van de vrouw en gezien het zeer korte tijdstip voor de zitting dat het F-formulier met productie is overgelegd door de man, terwijl door hem geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die een dergelijke late overlegging rechtvaardigen, zal de rechtbank vanwege de strijd met de goede procesorde het F-formulier van 9 maart 2026 buiten beschouwing laten.

Zorgregeling

Bij beschikking van 17 december 2024 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld die -kort gezegd- neerkomt op een co-ouderschap waarbij [minderjarige] voor de reguliere zorgregeling de ene week bij de vrouw is en de andere week bij de man. De vrouw heeft wijziging van deze regeling verzocht, in die zin dat [minderjarige] iedere maandag en dinsdag uit school tot en met het avondeten naar de man gaat en een weekeinde per 3 weken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat het niet goed gaat met [minderjarige] , dat ook school zich zorgen maakt over hem en dat [minderjarige] zelf ook geen co-ouderschapsregeling wenst.

De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek, omdat de huidige reguliere zorgregeling goed verloopt. Hij wenst wel een nuance in de zorgregeling aan te brengen voor de vakanties.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De rechtbank leidt uit de beschikking van 17 december 2024 af dat partijen sinds het uiteengaan moeizaam communiceren en samenwerken. Partijen zijn reeds in 2012 uit elkaar gegaan, maar zijn het niet eens kunnen worden over de vraag of er gezamenlijk gezag moest komen, waardoor de rechtbank daar toen op heeft moeten beslissen. Evenmin konden partijen toen, net zoals zij dat nu niet kunnen, het eens worden over de uit te voeren zorgregeling. Uit voornoemde beschikking blijkt ook dat [minderjarige] bij de rechter toen heeft aangegeven dat hij het vervelend vindt dat zijn ouders slecht over elkaar praten. Hij gaf zijn leven toen een 7,5 en dat zou een 8 kunnen worden als het “gezeik” tussen zijn ouders klaar is. Ook tijdens het gesprek dat de rechter heeft gehad met [minderjarige] in aanloop naar de zitting in onderhavige procedure heeft [minderjarige] toegelicht dat zijn eerste wens van de drie die hij mocht doen is dat het gezeik tussen zijn ouders voorbij is, het is volgens hem onnodig en de ene praat over de andere en heen en weer. De rechtbank heeft dat met partijen ter zitting besproken, maar het lijkt erop dat op dit moment ouders op geen enkele manier kunnen reflecteren op hun eigen rol en op hun eigen aandeel in deze situatie voor [minderjarige] . Dit klemt temeer nu [minderjarige] verschillende signalen lijkt af te geven. Zo stelt de vrouw dat [minderjarige] meer bij haar zou willen zijn en hij haar zou missen, terwijl [minderjarige] bij de rechter heeft aangegeven dat hij het co-ouderschap prima vindt. Hij geeft aan dat hij soms de consequenties van zijn gedrag niet wil dragen en om die te ontlopen hij naar de andere ouder gaat. Dit geeft naar het oordeel van de rechtbank pijnlijk weer in welke situatie [minderjarige] zich reeds lange tijd bevindt en hoe hij een manier probeert te vinden om daar mee om te gaan. Ter zitting is voorts duidelijk geworden dat ondanks het co-ouderschap moeder niet op de hoogte was dat vader gaat verhuizen van [woonplaats] naar de omgeving van [plaats] . Dit heeft onherroepelijk gevolgen voor de uitvoering van het co-ouderschap, terwijl het juist vader was die in het recente verleden om een co-ouderschap heeft verzocht. Voorts blijkt dat [minderjarige] minder goed op school presteert dan hij zou kunnen.

De rechtbank acht zich gelet op het voorgaande op dit moment onvoldoende voorgelicht om te kunnen beslissen op de verzoeken van partijen. In december 2024 heeft de rechtbank nog besloten op de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling en het gezag en reeds in september 2025 heeft moeder alweer een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank ten aanzien van dezelfde onderwerpen. De rechtbank ziet daarom aanleiding om nadere informatie in te winnen en acht het benoemen van een bijzondere curator daartoe passend.

Artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt -voor zover hier van belang- het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechtbank, indien dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk wordt geacht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige terzake, zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen.

Gelet op hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.5. is de rechtbank van oordeel dat zich in deze procedure met betrekking tot [minderjarige] een belangenstrijd in de zin van voormeld artikel voordoet. De rechtbank acht het daarom in het belang van [minderjarige] dat er een bijzonder curator wordt benoemd over hem.

Mr. F.J.I. van den Branden, advocaat, kantoorhoudende te Terneuzen, is bereid gevonden om in deze procedure als bijzondere curator op te treden en zal hiertoe door de rechtbank worden benoemd. Voor de duur van de procedure (in eerste aanleg) dient de bijzondere curator de belangen van de minderjarige te behartigen.

De bijzondere curator dient te onderzoeken:

- of het belang van de minderjarige gediend is met een wijziging van het co-ouderschap;

- wat de werkelijke wensen en behoeften zijn van de minderjarige ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en of de verzoeken van partijen op deze onderdelen in het belang zijn te achten van de minderjarige;

- hoe de zorgregeling tussen de minderjarige en de man er uit zou moeten zien bij een eventuele verhuizing van de man van [woonplaats] naar de omgeving van [plaats] .

Voorts kan de bijzondere curator in kaart brengen wat de minderjarige nodig heeft om uit de onderlinge strijd, waarin de ouders verkeren, te komen. Daarnaast kan de bijzondere curator in kaart brengen hoe het daadwerkelijk met [minderjarige] gaat, gelet op de zorgen die de vrouw heeft over [minderjarige] en gelet op de zorgen die de man heeft over de opvoedsituatie bij de vrouw thuis.

Indien de bijzondere curator daartoe aanleiding ziet, dan staat het haar eveneens vrij een advies uit te brengen over de benodigde hulpverlening ten behoeve van de minderjarige. Tevens dient de bijzondere curator te onderzoeken of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort.

Indien de bijzondere curator niet buiten rechte een oplossing weet te bereiken, kan zij de minderjarige in rechte vertegenwoordigen en met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de zorgregeling en een advies aan de rechtbank uitbrengen in de vorm van een verslag van bevindingen. Desgewenst kan de bijzondere curator als vertegenwoordiger van de minderjarige een zelfstandig verzoek indienen.

De bijzondere curator wordt verzocht gesprekken te voeren met de minderjarige, de vrouw en de man individueel en bij voorkeur ook met de ouders gezamenlijk ofwel de ouder(s) en de minderjarige gezamenlijk. De bijzondere curator wordt tevens in overweging gegeven gesprekken te voeren met de mentor van school. Het staat de bijzondere curator vrij gesprekken te voeren met anderen, die informatie over de minderjarige kunnen verschaffen.

De rechtbank wijst beide partijen er op dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator te geven instructies gevolg te geven.

Voorts verzoekt de rechtbank de bijzondere curator de leidraad werkwijze en verslag bijzondere curatoren ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek in acht te nemen.

Dit brengt mee dat als onderstaand wordt beslist. Daarbij behoudt de rechtbank zich iedere verdere beslissing voor ten aanzien van de zorgregeling.

Gezag

Bij beschikking van 17 december 2024 heeft de rechtbank partijen gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] . De vrouw heeft wijziging van deze beslissing verzocht. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de huidige situatie van gezamenlijk gezag niet werkt en niet in het belang is van [minderjarige] , nu er nauwelijks communicatie is tussen ouders en de man daartoe ook niet bereid lijkt en zijn medewerking op belangrijke momenten niet geeft. De wijze van communicatie van de man via [minderjarige] leidt tot een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen zijn ouders.

De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek. Hij bevestigt dat de communicatie tussen partijen weliswaar minimaal is, maar is van mening dat de situatie van gezamenlijk gezag prima werkt. Hij is een betrokken vader, die [minderjarige] voor een groot deel van de tijd opvoedt en verzorgt en hij geeft zijn toestemming indien dat nodig is voor [minderjarige] .

De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een moeizame communicatie tussen partijen geen aanleiding geeft voor een wijziging van het gezamenlijk gezag. Voorts is gebleken dat de man zijn toestemming heeft gegeven wanneer dat nodig was, zodat ook dat geen aanleiding geeft de huidige gezagssituatie te wijzigen. Ook in het overige dat door de vrouw ter zitting naar voren is gebracht wordt geen aanleiding gezien het gezag te wijzigen. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

De rechtbank sluit zich ten overvloede aan bij het nadrukkelijke advies van de Raad aan partijen om in het belang van [minderjarige] te werken aan hun onderlinge communicatie door ouderschapsbemiddeling aan te gaan, zodat problemen tussen hen kunnen worden besproken.

Kinderalimentatie

Partijen hebben in onderling overleg in 2014 een ouderschapsplan opgesteld, waarin zij hebben afgesproken dat de man ten behoeve van [minderjarige] een kinderbijdrage aan de vrouw betaalt van € 186,= per maand met ingang van 15 mei 2012, met een wettelijke indexering vanaf 1 januari 2017.

De vrouw heeft ter zitting haar verzoek aangepast, in die zin dat zij verzoekt vanaf januari 2025 de kinderbijdrage vast te stellen conform de door de man overgelegde berekening, met dien verstande dat er rekening moet worden gehouden met een zorgkorting die recht doet aan de zorgregeling die de rechtbank zal vaststellen. Vanaf 2026 dient die kinderbijdrage geïndexeerd te worden.

De man heeft berekeningen overgelegd waaruit blijkt dat de kinderbijdrage thans € 225,= per maand dient te bedragen. Hij heeft voorts bezwaar gemaakt tegen een ingangsdatum voor de kinderbijdrage die gelegen is in het verleden.

Wijziging van omstandigheden

Sinds partijen een kinderbijdrage zijn overeengekomen in het ouderschapsplan van 12 oktober 2014 zijn de omstandigheden gewijzigd, in die zin dat er sinds de beschikking van 17 december 2024 sprake is van een co-ouderschapsregeling voor de zorg van [minderjarige] . Tussen partijen is dan ook niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden waardoor de in het ouderschapsplan overeengekomen kinderbijdrage niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De vrouw kan daarom worden ontvangen in haar verzoek.

Behoefte en draagkracht

Ter zitting is de door de man als productie 6 bij brief van 5 maart 2026 overgelegde draagkrachtberekening besproken. Partijen hebben overeenstemming bereikt over de volgende posten. De behoefte van de minderjarige bedraagt op basis van de afspraken in het ouderschapsplan geïndexeerd naar 2026 € 497,= per maand. Voor de draagkracht van de man dient te worden uitgegaan van een inkomen van € 46.000,= bruto per jaar en een netto besteedbaar inkomen per maand van € 3.191,=. Voor de draagkracht van de vrouw dient te worden uitgegaan van een inkomen van € 20.926,= bruto per jaar en een netto besteedbaar inkomen per maand van € 2.255,=.

De man heeft berekeningen in het geding gebracht, waarin hij zijn aandeel in de kosten van [minderjarige] becijfert op een bedrag van € 225,= per maand, na aftrek van de zorgkorting. De vrouw heeft dit bedrag niet bestreden, zodat de rechtbank van de juistheid hiervan zal uitgaan. De rechtbank overweegt daarbij dat in redelijkheid kan worden uitgegaan van een zorgkorting van 35 procent, zoals door de man ook gehanteerd, conform de zorgregeling zoals deze thans plaatsvindt.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die leidt tot een aanpassing van de huidige bijdrage die partijen eerder zijn overeengekomen bij ouderschapsplan. De rechtbank zal het door partijen overeengekomen ouderschapsplan en de door de man te betalen voorlopige kinderbijdrage wijzigen in € 225,= per maand. De definitieve kinderbijdrage wordt aangehouden in afwachting van duidelijkheid over de definitieve zorgregeling.

Ingangsdatum

Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de kinderbijdrage. De rechtbank zal de wijziging van de kinderbijdrage doen ingaan op 24 september 2025 zijnde de datum van indiening van het verzoek, nu vanaf dat moment rekening kon gehouden met een mogelijke wijziging van de bijdrage.

Kinderbijslag

De vrouw heeft aanvullend verzocht om bij beschikking te bepalen dat de kinderbijslag volledig door haar wordt ontvangen. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen het verzoek.

De rechtbank zal het verzoek te bepalen dat de vrouw de kinderbijslag volledig ontvangt afwijzen, nu de grondslag in de wet voor toewijzing hiervan ontbreekt. De rechtbank overweegt daarbij ten overvloede het volgende. In het wettelijke stelsel van kinderalimentatie ligt besloten (en welk stelsel de rechtbank hier ook heeft toegepast) dat de verblijfsoverstijgende kosten betaald moeten worden door de ouder die de kinderalimentatie ontvangt (in dit geval de vrouw) en dat deze kosten deels gedekt worden door de kinderbijslag en in beginsel dus ook ontvangen moet worden door deze ouder.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek van de vrouw haar alleen te belasten met het gezag over [minderjarige] ;

wijst af het verzoek van de vrouw te bepalen dat de kinderbijslag volledig door haar wordt ontvangen;

wijzigt voorlopig het ouderschapsplan d.d. 12 oktober 2014 voor wat betreft de daarbij overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding als volgt:

- bepaalt de door de man aan de vrouw vanaf 24 september 2025 te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011 op € 225,- per maand;

benoemt -met inachtneming van het hiervoor overwogene onder 4.2 tot en met 4.17- over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2011 tot bijzondere curator: Mr. F.J.I. van den Branden, advocaat, kantoorhoudende te Terneuzen;

verzoekt de bijzondere curator binnen acht weken na heden aan de rechtbank schriftelijk verslag te doen van haar bevindingen en daarbij een standpunt over het verzoek in te nemen;

houdt de zaak met betrekking tot de zorgregeling en definitieve kinderbijdrage pro forma aan tot de familiekamerrol van dinsdag 23 juni 2026, zulks in afwachting van voornoemd verslag;

behoudt zich iedere verdere beslissing voor.

Deze beschikking is gegeven door mr. Voorn, rechter, tevens kinderrechter en, in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026, in tegenwoordigheid van mr. Brouwer, griffier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Voorn

Griffier

  • mr. Brouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand