RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummers: C/02/446812 / JE RK 26-589
C/02/446816 / JE RK 26-590
Datum uitspraak: 17 april 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een (spoed)machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. R. Wouters uit Middelburg (wat betreft de verzoeken gesloten jeugdhulp).
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de (spoed)beschikking van deze rechtbank van 6 april 2026 en alle daarin genoemde stukken;
de brief van de Raad met bijlage, inhoudende de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 7 april 2026, ontvangen op 9 april 2026;
het bericht van de Raad met bijlage, ontvangen op 16 april 2026;
het bericht van de Raad met bijlage, inhoudende een wijziging van het verzoek, ontvangen op 16 april 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [minderjarige] , die ook voorafgaand aan de mondelinge behandeling apart is gehoord, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
Gelet op de nauwe samenhang van de onderhavige verzoeken met het verzoek van de GI tot het verlenen van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/446889 / JE RK 26-608, zijn de verzoeken gezamenlijk behandeld. Er wordt per separate beschikking beslist.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter heeft bij beschikking van 23 oktober 2020 [minderjarige] onder toezicht gesteld met ingang van 23 oktober 2020 en tot 23 april 2021. De maatregel is laatstelijk verlengd tot 23 juli 2024.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 april 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 6 april 2026 en tot 20 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
Bij beschikking van deze rechtbank van 6 april 2026 is tevens een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 6 april 2026 en tot 20 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
Bij beschikking van deze rechtbank van 7 april 2026 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend met ingang van 7 april 2026 en tot 20 april 2026, zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging bij [crisisgroep] .
3. De verzoeken
In zaaknummer C/02/446812 / JE RK 26-589
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De Raad verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De kinderrechter heeft reeds deels op deze verzoeken beslist. Aan de orde is de vraag of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die aanleiding geven voor herroeping van de spoedbeschikking van 6 april 2026 met ingang van heden, en het resterende deel van bovengenoemde verzoeken, te weten het restant van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de periode met ingang van 20 april 2026 en tot 6 juli 2026, alsmede het restant van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp voor de periode met ingang van 20 april 2026 en tot 4 mei 2026.
In zaaknummer C/02/446816 / JE RK 26-590
De Raad verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de (resterende) duur van de voorlopige ondertoezichtstelling.
4. De standpunten
De Raad heeft zijn verzoek wat betreft de (spoed)machtigingen gesloten plaatsing bij bericht van 16 april 2026 ingetrokken, nu uit de informatie van de GI is gebleken dat [minderjarige] medewerking heeft getoond aan een plaatsing op een open groep en zich aan de afspraken houdt. De Raad handhaaft zijn verzoek voor wat betreft de voorlopige ondertoezichtstelling en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat het belangrijk is dat de GI betrokken blijft.
[minderjarige] vertelt tijdens het gesprek met de kinderrechter, samengevat, dat hij op 6 april 2026 boos was, omdat de moeder hem aan zijn haren trok en zijn stiefvader hem in zijn buik schopte. Hij heeft niemand geslagen. De broer van [minderjarige] viel hem ook ineens aan. [minderjarige] is het ermee eens dat hij door deze escalatie niet thuis kon blijven. Het gaat goed bij de [crisisgroep] . Hij houdt zich aan de regels. Maandag heeft [minderjarige] een intake bij [hulpverlening] . Ook vindt [minderjarige] het fijn als de jeugdbeschermer langer betrokken blijft, omdat hij goed met haar kan praten. Verder vertelt [minderjarige] dat hij weer goed contact heeft met de moeder. [minderjarige] weet tot slot nog niet zo goed wat hij wil doen als hij achttien wordt, maar hij zou graag het werk weer willen oppakken.
Tijdens de mondelinge behandeling wordt namens [minderjarige] verklaard dat het restant van het spoedverzoek machtiging gesloten jeugdhulp en het verzoek tot het verlenen van een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp moet worden afgewezen. [minderjarige] is het tot slot eens met het verzoek omtrent de voorlopige ondertoezichtstelling.
De moeder voert geen verweer tegen het verzoek omtrent de voorlopige ondertoezichtstelling. Er was sprake van een behoorlijke escalatie en er zijn grote zorgen om [minderjarige] . Het is fijn dat de jeugdbeschermer meekijkt en meebeslist. Daarnaast is de moeder het eens met een plaatsing van [minderjarige] op een open groep. Het is van belang dat [minderjarige] op een goede plek terechtkomt en dat een duidelijk plan van aanpak wordt opgesteld voor als [minderjarige] achttien wordt. De moeder wil ook graag dat [minderjarige] hulp krijgt. De moeder stelt zich tot slot op het standpunt dat het restant van het spoedverzoek machtiging gesloten jeugdhulp en het verzoek tot het verlenen van een aansluitende machtiging gesloten jeugdhulp moet worden afgewezen.
De GI licht toe dat het goed gaat met [minderjarige] bij de [crisisgroep] . Hij houdt zich aan de afspraken en is goed bereikbaar voor de GI. Het contact tussen de GI en de moeder is ook goed. [minderjarige] is voornemens om mee te blijven werken aan een plaatsing op een open groep. De GI heeft er vertrouwen in dat hij zich hieraan zal houden. Voorts licht de GI toe dat zij oog heeft voor het feit dat [minderjarige] bijna achttien wordt. Zij zal dan ook de komende periode onderzoeken wat haalbaar is voor hij achttien wordt.
5. De beoordeling
Beslissing spoedmachtiging gesloten jeugdhulp (C/02/446812 / JE RK 26-589) en regulier verzoek machtiging gesloten jeugdhulp (C/02/446816 / JE RK 26-590)
Zoals hiervoor vermeld heeft de Raad zijn verzoeken tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp alsmede een reguliere machtiging gesloten jeugdhulp bij bericht van 16 april 2026 ingetrokken. Voor wat betreft de verleende spoedmachtiging gesloten jeugdhulp betekent dit dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden op basis waarvan de kinderrechter oordeelt dat de afgegeven spoedbeslissing van 6 april 2026 met ingang van heden moet worden herroepen. De kinderrechter wijst daarom dit verzoek met ingang van heden alsnog af. De kinderrechter zal daarnaast het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp met ingang van heden afwijzen. Ook het reguliere verzoek tot het verlenen van een (aansluitende) machtiging gesloten jeugdhulp zal om deze reden worden afgewezen.
(Spoed)beslissing voorlopige ondertoezichtstelling (C/02/446812 / JE RK 26-589)
Op grond van artikel 1:257 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, indien een ernstig vermoeden bestaat dat de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen.
De kinderrechter dient allereerst te beoordelen of er nieuwe feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 6 april 2026 zou moeten worden herroepen. Voor wat betreft de spoedbeslissing tot voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] is naar het oordeel van de kinderrechter niet gebleken dat er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die aanleiding geven tot herroeping. Deze spoedbeslissing dient daarom zijn werking te behouden.
Ook het resterende deel van het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling zal de kinderrechter toewijzen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter stelt vast dat er een ernstig vermoeden bestaat dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. Het is de kinderrechter gebleken dat [minderjarige] in toenemende mate verbaal en fysiek agressief en dreigend gedrag laat zien richting de gezinsleden. Er heeft op 6 april 2026 een ernstige escalatie plaatsgevonden binnen het gezin, waardoor de politie ter plaatse is gekomen en [minderjarige] mee heeft genomen naar het politiebureau. Er was sprake van gevaar voor alle gezinsleden, waaronder kinderen van zeer jonge leeftijd. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige] het gezag van de moeder niet accepteert, een lange tijd niet naar school is geweest en geen werk heeft. [minderjarige] is sociaal-emotioneel en cognitief zeer kwetsbaar. Hij is ook erg beïnvloedbaar en kan de consequenties van zijn handelen onvoldoende overzien, hetgeen maakt dat er zorgen zijn dat hij in een verkeerd netwerk terechtkomt. Tot slot is [minderjarige] niet meer welkom binnen zijn eigen netwerk en liep hij regelmatig weg, hetgeen maakt dat hij al meerdere nachten over straat heeft gezworven.
Voorts stelt de kinderrechter vast dat de moeder de noodzakelijke hulpverlening momenteel wil accepteren, maar in het verleden hierin ambivalent is geweest. Ook lukt het de moeder niet om [minderjarige] te motiveren om hulpverlening te accepteren in het vrijwillige kader. Het is van belang dat de GI langer betrokken blijft bij het gezin, zodat de GI de regie kan voeren en samen met de moeder beslissingen neemt in het belang van [minderjarige] . Tevens kan de GI de noodzakelijke hulpverleningstrajecten inzetten en zorg dragen voor de continuering daarvan. De kinderrechter merkt tot slot op dat het van belang is dat de GI de komende periode onderzoekt wat er nodig is om [minderjarige] voor te bereiden op zelfstandigheid, gelet op het feit dat hij binnen een korte periode achttien jaar zal worden.
Gelet op het voorgaande wijst de kinderrechter het resterende deel van het verzoek om [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI toe, te weten voor de periode van 20 april 2026 en tot 6 juli 2026.
Het verzoek van de Raad om de beslissing op het verzoek uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, wijst de kinderrechter af, gelet op het bepaalde in artikel 807 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
In zaaknummer C/02/446812 / JE RK 26-589:
wijst het resterende deel van het verzoek tot de voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige] toe, te weten voor de periode van 20 april 2026 en tot 6 juli 2026;
herroept per heden de spoedbeslissing van 6 april 2026 voor zover het betreft de beslissing tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten plaatsing en wijst dit verzoek met ingang van heden alsnog af;
wijst het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp af;
In zaaknummer C/02/446816 / JE RK 26-590:
wijst het verzoek tot het verlenen van een (aansluitende) reguliere machtiging gesloten jeugdhulp af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2026 door mr. Dijkman, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Boomaars, griffier, en op schrift gesteld op 4 mei 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.