ECLI:NL:RBZWB:2026:4266

ECLI:NL:RBZWB:2026:4266

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 18-05-2026
Datum publicatie 18-05-2026
Zaaknummer BRE 23/9368
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

BPM, mandaatverbod, taxatiemethode, koerslijstmethode

Uitspraak

[belanghebbende] V.O.F., gevestigd te [plaats] , belanghebbende

(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur,

en

de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 25 juli 2023.

De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.800 aan verschuldigde Bpm.

De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep op 18 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. S.M. Bothof, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. De naheffingsaanslag is terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten

4. Belanghebbende heeft op 28 februari 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een BMW 5 serie M5 met VIN-nummer [nummer] (de auto) en een bedrag aan Bpm voldaan van € 553.

Belanghebbende heeft in de aangifte een beroep gedaan op de taxatiemethode en een taxatierapport bij de aangifte gevoegd. In het taxatierapport is 24 februari 2022 als taxatiedatum vermeldt.

De auto is door de RDW op 18 mei 2022 gekeurd.

De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de afschrijving van de auto niet aan de hand van het taxatierapport kan worden bepaald, omdat de fysieke opname niet binnen een maand voor het afschrijvingsmoment heeft plaatsgevonden. De inspecteur heeft de verschuldigde Bpm berekend, aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel op € 5.353 en de naheffingsaanslag opgelegd.

Motivering

5. Voordat de rechtbank toekomt aan behandeling van de inhoudelijke gronden tegen de naheffingsaanslag Bpm, gaat zij allereerst in op de stelling van belanghebbende dat de uitspraak op bezwaar onbevoegd zou zijn genomen.

Mandaatverbod

Belanghebbende stelt dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert zij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.

De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft onweersproken gesteld en met schriftelijke stukken nader onderbouwd dat [persoon 3] de behandelaar van de kennisgeving, de mededeling en de naheffingsaanslag was. De naheffingsaanslag is verzonden door [persoon 4] . Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur hiermee aannemelijk gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar.

Dat, zoals belanghebbende stelt, de inspecteur door deze handelwijze belanghebbende een eerlijk proces heeft onthouden, is ook niet gebleken. De rechtbank wijst deze beroepsgrond van belanghebbende af.

Taxatiemethode?

Tussen partijen staat vast dat het moment waarop de auto door de RDW is gekeurd, het afschrijvingsmoment, 18 mei 2022 is, en dat de fysieke opname ten behoeve van het opstellen van het taxatierapport in opdracht van belanghebbende op 24 februari 2022 heeft plaatsgevonden. Hiermee staat vast dat de fysieke schouw van de auto heeft plaatsgevonden meer dan een maand voor de keuring bij de RDW.

Belanghebbende stelt dat zij, hoewel de fysieke opname langer dan een maand voor de keuring bij de RDW heeft plaatsgevonden, toch aangifte mocht doen met gebruikmaking van de taxatiemethode. Volgens haar kan artikel 8, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling BPM niet zo zijn bedoeld, dat in het geval het taxatierapport eerder is opgesteld, daar geen gebruik meer van kan worden gemaakt.

De rechtbank overweegt als volgt. Per 1 januari 2022 bepaalt artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM onder meer dat de fysieke opname heeft plaatsgevonden ten hoogste een maand vóór het afschrijvingsmoment. In de toelichting op de regeling is hierover verder het volgende vermeld:

“Artikel 8, vierde lid, UR BPM 1992 wordt aangepast zodat de fysieke opname door de inspecteur moet gebeuren binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Dat betekent automatisch ook dat het taxatierapport moet zijn opgesteld binnen één maand voor het afschrijvingsmoment. Het afschrijvingsmoment bij de inschrijving van een gebruikt motorrijtuig in het kentekenregister is het inschrijvingsonderzoek van de RDW. Tevens moet de staat van het motorrijtuig in het taxatierapport overeenkomen met de staat van het motorrijtuig ten tijde van het inschrijvingsonderzoek.”

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierboven aangehaalde bepalingen het taxatierapport niet gebruikt kan worden bij het vaststellen van de vermindering en de daarvoor te verstrekken opgaaf als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM Artikel 8, vierde lid, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling BPM kan redelijkerwijs niet zo worden gelezen dat het mogelijk is om gebruik te maken van een taxatierapport dat is opgesteld langer dan een maand voor het afschrijvingsmoment. Die lezing druist naar het oordeel van de rechtbank ook niet in tegen enig rechtsbeginsel. De beroepsgrond van belanghebbende slaagt niet.

Koerslijstmethode

Voor dat geval voert belanghebbende aan dat de verschuldigde Bpm dient te worden bepaald aan de hand van de koerslijstmethode. In dat kader bepleit zij, onder verwijzing naar de door haar bij het taxatierapport gevoegde koerslijst van Xray, een handelsinkoopwaarde van de auto van € 10.150.

De inspecteur betwist dat de handelsinkoopwaarde uit de door belanghebbende overgelegde koerslijst van Xray tot uitgangspunt kan worden genomen. Daartoe voert de inspecteur kortgezegd aan dat de koerslijst niet volledig is overgelegd. Er wordt onder meer in de koerslijst verwezen naar een bijlage, die niet aanwezig is. De handelsinkoopwaarde is, aldus de inspecteur, daardoor niet controleerbaar.

De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, de door haar gestelde handelsinkoopwaarde niet aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank constateert dat de koerslijst van Xray niet volledig is overgelegd en belanghebbende ook niet op andere wijze voldoende heeft onderbouwd dat deze koerslijst voor het bepalen van de handelsinkoopwaarde van de auto geschikt is. De rechtbank wijst de beroepsgrond van belanghebbende dus af.

Verder voert belanghebbende aan dat de historische nieuwprijs van de auto op € 184.889 moet worden gesteld. Zelfs als de rechtbank een historische nieuwprijs van € 184.889 tot uitgangspunt neemt, dan zou – omdat belanghebbende de door haar voorgestane handelsinkoopwaarde niet aannemelijk maakt (zie hiervoor) – bij de handelsinkoopwaarde uit de koerslijst die de inspecteur hanteert moeten worden aangesloten. Dat betreft een koerslijst van Autotelex Pro waaruit een handelsinkoopwaarde van € 23.338 volgt. Met inachtneming van die handelsinkoopwaarde, leidt berekening van de verschuldigde Bpm aan de hand van de koerslijstmethode niet tot een voor belanghebbende voordeligere heffing. Het betoog van belanghebbende over de historische nieuwprijs kan, wat daar ook van zij, haar daarom dus niet baten.

Hoogte naheffingsaanslag

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht en niet tot een te hoog bedrag opgelegd.

Immateriële schadevergoeding

Belanghebbende heeft op 4 september 2023 verzocht om toekenning van een immateriële schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.

De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 15 juli 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 18 mei 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond 23 maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 2.000.

Omdat de bezwaarfase afgerond 13 maanden heeft geduurd en daarmee 7 maanden te lang, komt 7/23e deel, derhalve € 608,70 voor de rekening van de inspecteur en de rest, zijnde € 1.391,30 voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Wel heeft belanghebbende recht op een immateriële schadevergoeding van € 2.000.

Omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt toegewezen, komt belanghebbende in aanmerking voor een vergoeding van haar proceskosten voor het indienen van dat verzoek. Omdat het verzoek is ingediend door de gemachtigde van belanghebbende, kent de rechtbank voor deze rechtsbijstand 1 punt toe als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht, met een waarde van € 934 en wegingsfactor 0,25, wat neerkomt op € 233,50. De Staat en de inspecteur moeten die kosten ieder voor de helft vergoeden.

Belanghebbende krijgt het griffierecht niet vergoed omdat het verzoek om immateriële schadevergoeding weliswaar is gedaan voor het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2024 maar de redelijke termijn op deze datum nog niet was overschreden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A. Burgers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier.

De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand