ECLI:NL:RBZWB:2026:4316

ECLI:NL:RBZWB:2026:4316

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 09-04-2026
Datum publicatie 19-05-2026
Zaaknummer C/02/445670 / FA RK 26/1149
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Informele rechtsingang. Brief minderjarige. Wijziging hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Juridische situatie in overeenstemming brengen met de feitelijk situatie. Betreft zorgelijke situatie waarbij de minderjarige overduidelijk klem zit. Kiezen uit twee kwaden waarbij de rechtbank kiest om de consistente geuitte wens van de minderjarige te volgen ondanks dat onduidelijk is waar deze wijziging vandaan komt.

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/445670 / FA RK 26/1149

Datum uitspraak: 9 april 2026

beschikking betreffende hoofdverblijfplaats en zorgregeling

in de zaak van

[de man] ,

hierna te noemen: de man,

wonende te [woonplaats 1],

advocaat: mr. E.MG. van Nuenen te Hilvarenbeek,

tegen

[de vrouw] ,

hierna te noemen: de vrouw,

wonende te [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. A.M.C.J. Dekkers-De Jong te Tilburg,

over de minderjarige:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012,

hierna te noemen: [minderjarige 1] .

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.

1. Het procesverloop

De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:

- de brief van [minderjarige 1] ontvangen op 13 november 2025;

- het gesprek met [minderjarige 1] op 9 januari 2026;

- het op 4 maart 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;

- het F-formulier met bijlagen van mr. Van Nuenen van 11 maart 2026;

- het op 13 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen.

De verzoeken zijn mondeling behandeld op de zitting van 19 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.

De verzoeken zijn gelijktijdig op zitting behandeld met de vraag van [minderjarige 1] via de informele rechtsingang (zaaknummer: C/02/442153 / FA RK 25-6008). In die zaak is door de kinderrechter afzonderlijk een beschikking afgegeven.

De kinderrechter heeft in het kader van de informele rechtsingang op 9 januari 2026 met [minderjarige 1] gesproken.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit die relatie is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012.

Partijen hebben nog een meerderjarige dochter ( [persoon] ) en een andere minderjarige dochter ( [minderjarige 2] ), op wie deze procedure geen betrekking heeft.

De man heeft [minderjarige 1] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar.

[minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw, maar verblijft bij de man.

Na de verbreking van de relatie hebben partijen afspraken met elkaar gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedtaken en de kosten van de kinderen, welke zijn vastgelegd in een ouderschapsplan van januari/februari 2019. In dit ouderschapsplan is opgenomen dat er sprake is van een co-ouderschapssituatie, waarbij [minderjarige 1] ingeschreven staat bij de vrouw.

Bij beschikking van deze rechtbank van 19 april 2021 heeft de rechtbank bepaald dat de man ten behoeve van de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] aan de vrouw een bedrag voldoet van € 150 per maand.

Bij beschikking van deze rechtbank van 1 april 2025 is ten aanzien van [minderjarige 1] bepaald dat zij woont bij de vrouw en eenmaal per veertien dagen in de even weken van vrijdagmiddag 17.00 uur tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijft, waarbij de vrouw [minderjarige 1] (en haar zus [minderjarige 2] ) brengt en de man hen terugbrengt.

3. De verzoeken

De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:

I. de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] wordt gewijzigd naar het adres van de man;

II. tussen [minderjarige 1] en de vrouw een contactregeling wordt vastgesteld, welke in overeenstemming is met de wensen en behoeften van [minderjarige 1] ;

III. de man met ingang van 1 november 2025 dan wel met ingang van indienen van het verzoekschrift geen kinderalimentatie meer aan de vrouw is verschuldigd;

IV. de vrouw met ingang van 1 november 2025 dan wel met ingang van de datum van indiening van dit verzoekschrift een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] aan de man dient te betalen ter hoogte van € 186,97 dan wel met een door de rechtbank vast te stellen maandelijkse bijdrage;

V. voor zover de definitieve beslissing op deze verzoeken wordt aangehouden in afwachting van een nadere mondelinge behandeling of nader onderzoek, de man dan verzoekt om een voorlopige maatregel te treffen, inhoudende dat de verblijfplaats van [minderjarige 1] voorlopig wordt gewijzigd naar de man en de man voorlopig niet gehouden is kinderalimentatie voor [minderjarige 1] aan de vrouw te voldoen.

De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de man af te wijzen en de man niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek onder IV.

Als zelfstandig verzoek heeft de vrouw verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. indien [minderjarige 1] hoofdverblijf zal houden bij de man te bepalen dat [minderjarige 1] gedurende een weekend per twee weken in de oneven weken bij de vrouw zal verblijven van vrijdag 17.00 uur tot en met zondag 19.00 uur, alsmede gedurende de helft van alle vakanties en feestdagen conform de beschikking van 17 mei 2023;

II. ten aanzien van het verzoek van de man onder IV: de man te verplichten om stukken aangaande zijn huidige inkomen en zijn woonkosten in het geding te brengen, evenals een draagkrachtberekening en de vrouw een aanvullende termijn te geven om ook haar relevante financiële bescheiden in het geding te brengen, waarna de door de man te betalen bijdragen voor de twee bij haar woonachtige dochters en de bijdrage van de vrouw voor [minderjarige 1] dienen te worden bepaald op een door de rechtbank vast te stellen bijdrage, te becijferen op grond van de Tremanormen.

De rechtbank heeft op voorhand aan partijen laten weten dat het verzoek over de (kinder)alimentatie niet op de zitting zal worden behandeld, maar intern wordt doorverwezen naar het cluster Familierecht van deze rechtbank.

4. De beoordeling

Wijziging van omstandigheden

Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de verzoeken, zal de rechtbank eerst moeten beoordelen of partijen in hun verzoek kunnen worden ontvangen.

Bij beschikking van 1 april 2025 heeft de rechtbank onder wijziging van de eerdere beschikkingen en afspraken tussen partijen - onder andere - bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] (en haar zussen) voortaan bij de vrouw wordt bepaald en is er een zorgregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgelegd.

Aangezien [minderjarige 1] sinds oktober 2025 feitelijk bij de man woont en er geen uitvoering wordt gegeven aan de zorgregeling, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een wijziging van omstandigheden en kunnen partijen worden ontvangen in hun verzoek.

Verder stelt de rechtbank vast dat het onderhavige geschil feitelijk is begonnen met een brief die [minderjarige 1] aan de kinderrechter heeft geschreven via de informele rechtsingang in de zaak met kenmerk C/02/442153 / FA RK 25-6008. De man heeft vervolgens de verzoeken van [minderjarige 1] overgenomen en een formele procedure aanhangig gemaakt. Beide procedures zijn gelijktijdig behandeld op zitting. De zaak van [minderjarige 1] wordt bij aparte beschikking afgedaan.

De standpunten

De rechtbank zal hierna eerst ingaan op de standpunten van [minderjarige 1] , partijen en de Raad. Vervolgens zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de zorgregeling bespreken.

Op 9 januari 2026 heeft [minderjarige 1] een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Hierin heeft zij - samengevat - aangegeven dat ze sinds eind oktober 2025 bij haar vader woont en dat ze hier ook wil blijven wonen. Ook heeft ze gevraagd om de zorgregeling te wijzigen in die zin dat ze om de twee weken van zaterdag tot zondagavond tot na het eten naar haar moeder gaat. Als reden geeft [minderjarige 1] aan dat ze hier al een jaar mee rondloopt. Sinds de zomervakantie werd haar moeder steeds vaker boos op haar. Dit onderwerp is besproken op school en vervolgens heeft er samen met maatschappelijk werk en haar moeder een gesprek plaatsgevonden. Dit gesprek is volgens [minderjarige 1] “stom” verlopen en het heeft haar niet geholpen. Na dit gesprek is [minderjarige 1] , op diezelfde dag bij haar vader gaan wonen. Ze voelt zich hier fijner. [minderjarige 1] heeft geen behoefte aan hulpverlening. Wel staat ze er voor open om met een behandelaar te praten als men dit nodig vindt.

De man heeft zich in zijn verzoekschrift en tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat haar hoofdverblijf bij hem wordt bepaald en dat de zorgregeling wordt gewijzigd. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de man aangevoerd dat dit de nadrukkelijke wens van [minderjarige 1] is, zoals ook blijkt uit de informele rechtsingang procedure die ze zelf is gestart. De man voelde zich genoodzaakt om hetzelfde verzoek voor te leggen aan de rechtbank en de verantwoordelijkheid bij [minderjarige 1] weg te halen. Sinds de zomer van 2025 geeft ze al aan dat ze meer bij de man wil wonen. De man was bekend met deze wens en hij heeft [minderjarige 1] de tijd gegeven om hierover na te denken. Uiteindelijk is de mentor van de school betrokken geraakt en die heeft schoolmaatschappelijk werk ingeschakeld, zodat [minderjarige 1] hier met een vertrouwenspersoon over kon praten. Op 31 oktober 2025 heeft er een gesprek plaatsgevonden met de maatschappelijk werker, [minderjarige 1] en de vrouw. Dit gesprek heeft [minderjarige 1] als niet fijn ervaren. Desgevraagd geeft de man aan dat het klopt dat [minderjarige 1] vanaf die dag bij hem woont en dat hij de vrouw niet op voorhand heeft geïnformeerd over de wens van [minderjarige 1] en het onderwerp van het gesprek op school. Hij heeft die dag wel een e-mail naar de vrouw gestuurd. Feit is dat [minderjarige 1] sinds eind oktober 2025 bij hem woont en dat ze niet terug naar de vrouw wil. De man respecteert deze wens. Tussen de vrouw en [minderjarige 1] is sprake van een moeizaam contact. [minderjarige 1] gaat niet of slechts één dag naar de vrouw, ondanks dat de man haar hiertoe wel stimuleert. De man wil geen juridische strijd met de vrouw, maar de juridische situatie dient wel in overeenstemming te worden gebracht met de feitelijke situatie. Verder voert de man aan dat [minderjarige 1] heeft aangegeven dat ze het liefst pas op zaterdag naar de vrouw toe wil en zondagavond na het eten terug. Dit wijkt af van dagen zoals opgenomen in de huidige zorgregeling zoals die nu is vastgelegd.

De vrouw heeft verweer gevoerd en stelt zich op het standpunt dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is om zowel haar verblijfplaats als de zorgregeling te wijzigen en meent dat de verzoeken van de man moeten worden afgewezen. De huidige (zorg)regeling is tot stand gekomen na een langdurig hulpverleningstraject onder regie van de GI. Uit het rapport van januari 2025 van de GI volgt dat [minderjarige 1] sinds deze regeling meer rust ervaart. Toen heeft [minderjarige 1] duidelijk aangegeven dat zij het contact met de vrouw prettig vindt en met de man wat lastiger. [minderjarige 1] en haar zus [minderjarige 2] hebben destijds de voorkeur uitgesproken voor een weekendregeling met de man. De huidige regeling sluit aan bij die behoeften en biedt hen de noodzakelijk stabiliteit en duidelijkheid. De nieuwe wens van [minderjarige 1] komt voor de vrouw uit het niets en de reden is haar totaal onduidelijk. [minderjarige 1] is plots verhuisd naar de man zonder dat de vrouw hierin is gekend door de man, anders dan een enkele mail op de dag van het gesprek op school met de maatschappelijk werker. Sinds die dag woont [minderjarige 1] bij de man. De vrouw heeft geen kans gehad om hierover met [minderjarige 1] te praten. Nu wil [minderjarige 1] er niet meer over praten en de vrouw wil haar niet onder druk zetten. De vrouw twijfelt aan de authenticiteit van de wens van [minderjarige 1] . De vrouw meent dat [minderjarige 1] in een loyaliteitsconflict zit en nu voor de man kiest omdat hij anders niemand heeft. De vrouw heeft de indruk dat de man zijn eigen belangen voorop stelt. Door deze wijziging wordt [minderjarige 1] van haar gezin vervreemd en dan met name van haar zussen. Ook heeft het een negatieve invloed op haar sociale leven, nu de man afgelegen in [woonplaats 1] woont, waardoor [minderjarige 1] dagelijks een aanzienlijke afstand naar school moet fietsen. Dit terwijl de vrouw nabij de school woont en stabiliteit biedt. Vorig jaar heeft [minderjarige 1] zelf aangegeven dat zij dit juist zo fijn vond.

De vrouw wil geen juridische strijd, maar kan niet akkoord gaan met deze wijziging omdat zij deze niet in het belang van [minderjarige 1] vindt. Wel zal zij berusten in de uitspraak die de rechtbank hierover doet.

De Raad heeft tijdens de zitting - samengevat - het volgende naar voren gebracht. Er zijn ernstige zorgen over de situatie van [minderjarige 1] . Het is onbegrijpelijk dat de ouders na jaren strijden nog steeds niet in staat zijn om boven zichzelf uit te stijgen en het belang van de minderjarigen op de voorgrond te plaatsen. De Raad ziet een meisje dat zich opoffert na jarenlange ouderstrijd, ten koste van zichzelf. De Raad vermoedt dat [minderjarige 1] de noodzaak voelt om bij haar vader te gaan wonen, zodat hij ook een kind heeft nu haar zussen bij de vrouw wonen. De redenen die [minderjarige 1] aangeeft ter onderbouwing van haar wens zijn normaliter zaken die ouders onderling moeten kunnen oplossen. De hulpverleningsopties zijn uitgeput. De ouders strijden al sinds 2018 en de Raad ziet hierin geen mogelijkheden meer. Kennelijk zijn de ouders niet van plan om de ouderstrijd te staken en is dit nu de consequentie. Kinderen zijn te allen tijde loyaal aan beide ouders. [minderjarige 1] zit ontzettend klem. Voor [minderjarige 1] lijkt dit nu een manier te zijn om zich staande te houden in de strijd. Dit is een trieste constatering. Hoewel de Raad op voorhand geen voorstander was van het wijzigen van het hoofdverblijf en de zorgregeling, is het ook niet in het belang van [minderjarige 1] om de feitelijke situatie, namelijk dat ze bij de man woont, na maanden weer gedwongen terug te draaien. [minderjarige 1] verdient rust. Hoewel de Raad de gang van zaken niet juist vindt, adviseert zij de rechtbank om de verzoeken toe te wijzen nu de wens van [minderjarige 1] op die manier wel wordt gerespecteerd. Ten slotte vindt de Raad het van belang dat de zussen onbelast contact met elkaar kunnen hebben.

Wijziging hoofdverblijf

Op grond van artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van lid 2 van dit artikel kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. De rechtbank kan op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

De rechtbank stelt vast dat partijen sinds zij uit elkaar zijn gegaan in 2018 al strijd voeren met elkaar over - met name - de zorgregeling. [minderjarige 1] heeft zelfs van december 2022 tot maart 2025 onder toezicht van de jeugdbescherming gestaan. Daarbij stelt de rechtbank vast dat de inzet van de vele vormen van hulpverlening de aanhoudende strijd van de ouders kennelijk niet heeft kunnen verminderen en is het niet mogelijk gebleken om te werken aan de onderlinge verstandhouding en oudercommunicatie. Gelet op de langdurige en intensieve hulpverleningsgeschiedenis bestaat er ook geen enkele verwachting dat deze verstoorde verhouding en problematische communicatie tussen de ouders op termijn kan verbeteren. Met de Raad maakt de rechtbank zich dan ook ernstig zorgen over de situatie van [minderjarige 1] . Ze zit duidelijk klem tussen beide ouders. Het lukt de ouders niet om die situatie voor [minderjarige 1] te verbeteren. De ouders zijn door die aanhoudende strijd met elkaar niet in staat om samen te werken in het belang van [minderjarige 1] en zaken met betrekking tot [minderjarige 1] gezamenlijk te regelen. [minderjarige 1] is hierdoor in een zeer vervelende positie geplaatst, waarbij zij als dertienjarige zelf de verantwoordelijkheid op zich heeft moeten nemen om tot een oplossing van de voorliggende situatie te komen. Dit heeft zij gedaan door de kinderrechter een brief te schrijven. De rechtbank vindt dit zeer schrijdend.

De rechtbank stelt vast dat [minderjarige 1] rust en duidelijkheid nodig heeft. Zij probeert een oplossing te vinden om zich staande te houden in de aanhoudende strijd van haar ouders. Wat de rechtbank betreft is het dan ook kiezen tussen twee kwaden. Het is en blijft voor de rechtbank onduidelijk wat precies de reden is dat [minderjarige 1] nu plots bij de vader wil wonen. Korter dan een jaar geleden heeft [minderjarige 1] aan haar vertrouwenspersoon, andere betrokken professionals en de kinderrechter keer op keer kenbaar gemaakt dat zij juist bij haar moeder wilde wonen en dat de regeling die toen is vastgesteld volledig tegemoet kwam aan haar behoeften. Tegelijkertijd moet de rechtbank ook vaststellen dat [minderjarige 1] nu consistent vasthoudt aan de door haar geuite wens dat ze bij haar vader wil (blijven) wonen.

Gelet op het feit dat [minderjarige 1] inmiddels al sinds eind oktober 2025 feitelijk bij de man woont en een gedwongen terugkeer naar de vrouw door de Raad als schadelijker wordt gezien, zal de rechtbank bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] voortaan bij de man is gelegen. Hiermee wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie. De rechtbank hoopt dat deze beslissing zal leiden tot rust en stabiliteit, alsook tot een verbetering in het contact tussen [minderjarige 1] en de vrouw, maar bovenal dat de familieband met haar zussen behouden blijft.

Wijziging zorg- en opvoedingstaken

Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

Dan ligt nog ter beoordeling voor het verzoek tot wijzigen van de zorgregeling. Nu is bepaald dat het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man zal zijn, acht de rechtbank het van groot belang dat [minderjarige 1] op regelmatige basis contact blijft houden met de vrouw en met haar zussen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de - toch al beperkte - weekendregeling te verkorten. Integendeel, zij vindt het zeer belangrijk voor de verdere ontwikkeling van [minderjarige 1] dat er voldoende ruimte is voor contact met haar moeder en haar zussen. Tot slot benadrukt de rechtbank dat van de man wordt verwacht dat hij zich actief inspant om het contact tussen [minderjarige 1] , de vrouw en haar zussen actief en positief te stimuleren.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de zorgregeling, zoals vastgesteld bij beschikking van 1 april 2025, wijzigen in die zin dat de huidige zorgregeling in feite wordt omgedraaid: de regeling die voorheen voor de man gold, zal voortaan voor de vrouw gelden, zoals nader uitgewerkt in het dictum.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank zal deze beslissing, gelet op de aard daarvan en het belang op duidelijkheid hierover voor [minderjarige 1] , uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de man. Dat betekent dat die beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als hiertegen hoger beroep wordt ingesteld.

Brief aan [minderjarige 1]

De kinderrechter vindt het belangrijk om [minderjarige 1] een brief te sturen met uitleg over haar beslissing en beide ouders daarvan op de hoogte te stellen. In de brief aan [minderjarige 1] zal zij het volgende lezen:

Beste [minderjarige 1] ,

Op 9 januari 2026 heb je met de kinderrechter gesproken over de brief die jij hebt gestuurd. In jouw brief en tijdens het gesprek heb jij verteld dat je voortaan bij je vader wilt wonen en dat je dan een weekendregeling met je moeder wilt.

De kinderrechter heeft daarna ook een verzoek van jouw vader gekregen over dezelfde onderwerpen. De kinderrechter heeft vervolgens met jouw ouders gesproken. Daarbij was ook iemand van de Raad voor de Kinderbescherming aanwezig.

De kinderrechter heeft goed naar jou en jouw ouders geluisterd. De zaak van jouw vader gaat ook over bij wie je woont en de contactregeling. De kinderrechter vindt het daarom beter dat zij in die zaak een beslissing neemt. Dit zorgt ervoor dat er één beslissing komt en dat de verantwoordelijkheid bij jou wordt weggehaald. Vooral dit laatste vindt de kinderrechter heel erg belangrijk nu het eigenlijk aan jouw ouders is om dit soort kwesties samen te regelen. Dit betekent dat de kinderrechter naar aanleiding van jouw brief géén beslissing zal nemen en dat wat jij hebt geschreven en verteld, wordt toegevoegd aan de zaak van jouw vader.

De kinderrechter heeft in de zaak van jouw vader een beslissing genomen, namelijk dat jij voortaan je hoofdverblijf bij je vader zal hebben en dat de zorgregeling zoals die tot nu toe gold, wordt omgedraaid waardoor jij eens per twee weken in de oneven weken van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond 19:00 uur naar je moeder zal gaan, waarbij je vader jou naar je moeder brengt en je moeder jou weer terug naar je vader. De kinderrechter vindt het belangrijk dat deze regeling al op vrijdag ingaat, zodat het contact met je zussen en je moeder op een goede manier kan worden ingevuld en de band tussen jullie behouden blijft.

De kinderrechter hoopt dat er nu meer rust en stabiliteit voor je zal komen en wenst jou het allerbeste toe.

Met vriendelijke groet, namens de kinderrechter,

De griffier

Verwijzing (kinder)alimentatie

De verzoeken van de man die zien op het wijzigen dan wel vaststellen van de bijdrage in de kosten van de verzorging en de opvoeding zijn niet op zitting behandeld zoals op voorhand aan partijen kenbaar is gemaakt. De rechtbank verwijst deze verzoeken naar cluster Familierecht van deze rechtbank ter verdere behandeling.

Proceskosten

Omdat partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de zaak over hun kind gaat, zullen de proceskosten worden gecompenseerd. Dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten moet dragen.

5. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van 1 april 2025 van deze rechtbank als volgt:

bepaalt dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, voortaan haar hoofdverblijf heeft bij de man;

bepaalt dat de vrouw en [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per twee weken, in de oneven weken, van vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagavond na het eten om 19:00 uur, waarbij de man [minderjarige 1] naar de vrouw brengt en de vrouw [minderjarige 1] terug naar de man brengt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verwijst het verzoek tot wijziging/vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (kinderalimentatie) naar het cluster Familierecht van deze rechtbank;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2026 door mr. Phillips, kinderrechter, in tegenwoordigheid van Akkermans- Bruijs, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand