RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de staatssecretaris.
Samenvatting
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/5357 VOG
(gemachtigde: mr. R.S. Vriend),
en
1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het besluit van 29 augustus 2025 (bestreden besluit), waarbij de staatssecretaris de weigering van de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) heeft gehandhaafd.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Eiser heeft namelijk geen procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Procesverloop
2. Op 30 januari 2025 heeft eiser een VOG aangevraagd voor een baan als chauffeur bij Speedy Koeriers B.V. De staatssecretaris heeft op 28 maart 2025 besloten om de aangevraagde VOG te weigeren. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
In het bestreden besluit is het bezwaar ongegrond verklaard. De weigering van de VOG is hiermee gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 22 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser en diens gemachtigde deelgenomen. Namens de staatssecretaris was mr. I. Touwen aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Uit vaste rechtspraak volgt dat pas sprake is van procesbelang als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het instellen van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang.
De rechtbank is van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft. Er is namelijk niet gebleken dat eiser in de functie waarvoor de VOG is aangevraagd te werk kan worden gesteld, noch dat een dergelijke functie bij Speedy Koeriers B.V. op dit moment open staat. Daarbij komt dat eiser op zitting heeft verklaard dat hij inmiddels een andere baan heeft. Eiser heeft verder louter gesteld dat hij schade heeft geleden. Hij heeft dit echter niet onderbouwd met objectieve gegevens. Dat eiser eventueel een VOG nodig heeft voor werkzaamheden in de toekomst levert naar het oordeel van de rechtbank ook geen procesbelang op. Dit is een onzekere toekomstige gebeurtenis. Bovendien moet eiser dan een nieuwe aanvraag indienen.
Conclusie en gevolgen
4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser geen procesbelang heeft. De rechtbank verklaart daarom het beroep niet-ontvankelijk. Aan een inhoudelijke bespreking van de beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet toe. Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Josten, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J. Janzing, griffier, op 20 mei 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.