beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444828 FA RK 26-665
Datum uitspraak: 20 april 2026
beschikking betreffende gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.F. van Drenth uit Gorinchem,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, Breda, hierna te noemen de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 8 februari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- de e-mailberichten van de man van 23 februari en 2 maart 2026.
Na afloop van de mondelinge behandeling heeft de rechtbank op 3 april 2026 een
e-mailbericht met bijlage van de man ontvangen. Artikel 1.13 van het Procesregelement Gezag en Omgang vereist dat processtukken uiterlijk drie werkdagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling worden ingediend. Aangezien het e-mailbericht van de man twee dagen na de mondelinge behandeling is ingediend, heeft de rechtbank het bericht niet in de beoordeling meegenomen.
Het verzoek is behandeld ter zitting van 1 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man. Ook was aanwezig een medewerkster namens de Raad.
De rechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de nu nog minderjarige [minderjarige] op [geboortedag] 2012
te [geboorteplaats] is geboren, hierna [minderjarige] .
De man heeft [minderjarige] erkend.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Met de beschikking van 4 oktober 2022 heeft deze rechtbank de in de beschikking van 12 juni 2018 vastgestelde regeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken beëindigd.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het gezamenlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] wordt beëindigd in die zin dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over het kind wordt belast.
De man voert geen verweer tegen het verzoek van de vrouw.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4. De mening van [minderjarige]
heeft verteld dat zij, op een sporadisch bericht na, geen contact heeft met haar vader. Zij zou wel enig contact willen met hem en haar [halfzusje] .
5. De standpunten
Ter onderbouwing van het verzoek heeft de vrouw aangevoerd dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden sinds het ontstaan van het gezamenlijk gezag die rechtvaardigt dat het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en voortaan alleen aan de vrouw toekomt. De man heeft geen contact met [minderjarige] en kan zich geen beeld vormen van haar leven. De vrouw heeft geprobeerd om met de man in contact te komen op momenten dat zij zijn toestemming nodig had. Zij ervaart vervolgens dat de man voorwaarden stelt en vragen stelt die niet passend zijn bij de feitelijke rol die hij heeft ten opzichte van de vrouw en [minderjarige] . Het contact is voor de vrouw belastend. In het verleden heeft de man niet meegewerkt bij medische behandelingen die voor [minderjarige] noodzakelijk waren en met betrekking tot vakanties. Tussen de ouders is geen constructief contact of redelijke afstemming mogelijk, met als gevolg dat de vrouw alleen beslissingen moet nemen over [minderjarige] . Zo gaat de vrouw met [minderjarige] naar ziekenhuisbezoeken en onderhoudt zij het contact met school. De man is hier dus niet bij betrokken en maakt geen gebruik van de mogelijkheden die het gezag hem geeft. Er is een onverantwoord risico dat [minderjarige] klem en verloren zal raken tussen de ouders, als de gezagssituatie niet wordt gewijzigd. Er is geen zicht op verbetering van de situatie. De vrouw wenst voor [minderjarige] dat snel beslissingen in haar belang kunnen worden genomen.
Verder heeft de vrouw aangegeven dat zij bereid is om de man een keer per maand te informeren over aangelegenheden omtrent [minderjarige] .
De man heeft zich bij de situatie neergelegd en voert dan ook geen verweer tegen het verzoek. De man en [minderjarige] hebben inderdaad geen contact meer met elkaar. Hij laat het aan [minderjarige] of zij contact wenst te hebben met de man en haar [halfzusje] .
De Raad adviseert de rechtbank het verzoek toe te wijzen. De man heeft geen zicht op de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder dient in staat te zijn om zelf beslissingen te nemen over [minderjarige] . Het is van belang dat de juridische situatie in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke. De Raad vindt het wel van belang dat de man door de vrouw wordt geïnformeerd over aangelegenheden omtrent [minderjarige] . Verder heeft de Raad aangegeven dat de man zich opnieuw tot het Centrum voor Jeugd en Gezin kan wenden om te kijken wat er mogelijk is in contactherstel tussen de man en [minderjarige] .
5. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (hierna: [minderjarige] ) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over de minderjarige toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarige aan één ouder toekomt, indien er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders het kind klem of verloren zou raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De rechtbank dient eerst te beoordelen of er sprake is van gewijzigde omstandigheden. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting door partijen naar voren is gebracht, begrijpt de rechtbank dat de man en [minderjarige] geen contact met elkaar hebben en dat de onderlinge verstandshouding tussen partijen ernstig is verstoord. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden ten opzichte van de situatie zoals die was ten tijde van het uiteengaan van partijen dermate zijn gewijzigd dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat de ouders gezamenlijk het gezag over de minderjarige uitoefenen. Voor gezamenlijk gezag is echter wel vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over de minderjarige in gezamenlijk overleg kunnen nemen, dan wel ten minste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen.
Uit de onweersproken stellingen van de vrouw volgt dat van het voorgaande geen sprake is. De communicatie tussen partijen verloopt zeer moeizaam en de man werkt onvoldoende mee aan de gezagsbeslissingen die over [minderjarige] genomen moeten worden. Dit heeft tot problemen geleid bij medische behandelingen die voor [minderjarige] noodzakelijk waren en bij vakanties naar het buitenland. De komende tijd zullen er nog diverse beslissingen genomen moeten worden waarvoor in geval van gezamenlijk gezag toestemming van de man is vereist. Het is in het belang van [minderjarige] dat deze beslissingen voortvarend genomen kunnen worden.
Daarbij heeft de man de afgelopen jaren laten zien dat hij geen invulling wil of kan geven aan het ouderlijk gezag. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat de man en [minderjarige] al bijna vier jaar geen contact meer met elkaar hebben. De zorgregeling is beëindigd met de beschikking van 4 oktober 2022. De man is op geen enkele manier betrokken bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De rechtbank onderschrijft dan ook het standpunt van de vrouw dat de man op dit moment niet weet wat zich in het leven van [minderjarige] afspeelt. De man weet daardoor niet met welke gezagbeslissingen [minderjarige] het meest gebaat is. Daarbij heeft de rechtbank niet de verwachting dat in de huidige situatie binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De situatie speelt namelijk al geruime tijd en ook de eerdere inzet van hulpverlening en betrokkenheid van de Raad heeft niet tot verandering geleid.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank met de Raad van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat de vrouw voortaan alleen met het gezag over haar wordt belast. Het verzoek van de vrouw zal dan ook worden toegewezen.
Tot slot merkt de rechtbank op dat de wijziging van het gezag niets af doet aan de verplichting van de vrouw om de man te informeren over belangrijke aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] . De vrouw heeft toegezegd dat zij de man eens per maand per e-mail zal informeren.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van de minderjarige [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Het vorengaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
beëindigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat het gezag over de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2012 voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026, in tegenwoordigheid van mr. Van Noort, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: