RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/440739 / FA RK 25-5236
Datum uitspraak: 20 april 2026
Nadere beschikking zorgmachtiging
op het verzoek van de officier van justitie voor:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] , Griekenland,
hierna te noemen: betrokkene,
wonend in [plaats 1] ,
thans verblijvende in de [accommodatie] te [plaats 2] ,
advocaat: mr. M.A. Breewel-Witteveen uit Goes.
1. Het nadere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de tussenbeschikking van 26 januari 2026 en alle daarin opgenomen en vermelde stukken;
- de e-mailberichten van de moeder van 26 februari 2026;
- het e-mailbericht van de moeder van 27 februari 2026, met bijlagen;
- de e-mailberichten van de moeder van 2 maart 2026;
- het e-mailbericht van de moeder van 16 maart 2026;
- het e-mailbericht van de moeder van 23 maart 2026, met bijlagen;
- de op 13 april 2026 ontvangen nieuwe medische verklaring van 11 april 2026;
- de op 14 april 2026 ontvangen aanvullende informatie van [accommodatie] ;
- het e-mailbericht van de moeder van 16 april 2026, met bijlagen.
De nadere zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026, in de [accommodatie] te [plaats 2] . Daarbij zijn verschenen en gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- mevrouw [persoon 1] , de moeder van betrokkene;
- de heer [persoon 2] , verpleegkundig specialist, regiebehandelaar;
- [persoon 3] , begeleidster.
2. Wat vaststaat
Bij voormelde tussenbeschikking van 26 januari 2026 is ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend voor de duur van drie maanden, met ingang van 27 januari 2026 en tot en met 27 april 2026. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden.
3. Het verzoek
De officier van justitie verzoekt de rechtbank ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen voor de duur van twaalf maanden, met de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;
- het opnemen in een accommodatie.
Op dit punt in de procedure moet de rechtbank nog een beslissing geven over het resterende deel van het verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging voor de duur van zes maanden, met ingang van 27 april 2026 en tot 27 oktober 2026.
4. De nadere standpunten
Betrokkene benoemt tijdens de zitting meermaals dat hij graag weer naar huis wil.
De advocaat bepleit namens betrokkene afwijzing van het verzoek. Er is geen sprake van verzet. Zowel betrokkene als zijn moeder werken mee aan de benodigde zorg. Zij zijn heel blij met de stappen die er nu worden gezet. Hier hebben zij lang op moeten wachten. De zorg kan dus in het vrijwillig kader worden voortgezet. Subsidiair verzoekt de advocaat de zorgmachtiging te verlenen voor de duur van zes maanden, omdat het telkens voor korte duur verlenen van de zorgmachtiging leidt tot onrust. Tot slot benadrukt de advocaat dat er in de behandeling van betrokkene rekening dient te worden gehouden met de richtlijn voor personen met niet-aangeboren hersenletsel (hierna: NAH).
De moeder stemt in met het verzoek. Volgens de moeder is er bij betrokkene sprake van een combinatie van psychiatrische problematiek en hersenschade. In de thuissituatie had betrokkene ernstige slaapproblemen en werd hij steeds onrustiger en agressiever doordat hij niet de juiste medicatie kreeg toegediend. De moeder heeft toen vaak om hulp gevraagd, maar deze werd niet verleend. De thuissituatie werd daardoor onhoudbaar, vooral voor de moeder en haar oudste zoon. De juiste medicatie is op dit moment nog niet gevonden voor betrokkene. De moeder vindt het daarom goed dat betrokkene voorlopig nog in [accommodatie] opgenomen blijft. Hij kan wel met verlof naar huis. De moeder is ook blij dat er in [kliniek] nader wordt onderzocht wat er precies met betrokkene aan de hand is en welke medicatie passend is voor hem, zodat hij in de toekomst hopelijk zo goed mogelijk kan functioneren. Zij vindt het tot slot van belang dat de richtlijn voor personen met NAH wordt opgevolgd in de behandeling van betrokkene.
De regiebehandelaar benoemt dat er bij betrokkene duidelijk sprake is van een psychiatrische disregulatie en vermoedelijk ook sprake is van NAH. Er zal nu op korte termijn een EEG worden gemaakt bij betrokkene in [kliniek] , om meer zicht te krijgen op welke syndromen (ADHD, ASS, NAH, schizofrenie) voorliggend zijn. Deze syndromen overlappen elkaar bijna volledig, waardoor het erg ingewikkeld is om de juiste medicatie voor betrokkene te vinden. De depotmedicatie is inmiddels stopgezet. Betrokkene neemt zijn medicatie nu oraal in. Ook verblijft betrokkene nu op de (volwassen) afdeling High Intensive Care. Hier vertoont hij minder zorgelijk gedrag dan op de afdeling Kind&Jeugd, al kan hij op zijn kamer nog steeds veel in zichzelf praten, is hij soms nog vermoeid en is hij grenzeloos bij het eten. Er is een goede samenwerking met moeder ontstaan. Desgevraagd benoemt de regiebehandelaar dat er nog geen contact met dr. [persoon 4] heeft plaatsgevonden. De regiebehandelaar staat daar wel voor open. Hij acht een zorgmachtiging voor de komende tijd in ieder geval noodzakelijk voor betrokkene, met daarin de zorgvormen het toedienen van medicatie, het verrichten van medische controles, het beperken van de bewegingsvrijheid, het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, zonder het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen, en het opnemen in een accommodatie. Gelet op de voorgeschiedenis en het huidige toestandsbeeld van betrokkene, en om moeilijke (thuis)situaties in de nabije toekomst te voorkomen, dient de zorgmachtiging voor de duur van zes maanden te worden verleend.
In aanvulling op de regiebehandelaar heeft de begeleidster opgemerkt dat betrokkene nu om de dag slaapt.
5. De verdere beoordeling
De rechtbank verleent het resterende deel van de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Zij legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt.
Uit de overgelegde stukken is het de rechtbank gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van neurobiologische ontwikkelingsstoornissen, schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, disruptieve, impulsbeheersings- en andere gedragsstoornissen, middelgerelateerde en verslavingsstoornissen, overige DSM stoornissen en andere problemen die een reden voor zorg kunnen zijn. Ondanks dat er bij betrokkene nog nader wordt onderzocht welke syndromen voorliggend zijn, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat er bij betrokkene sprake is van een psychiatrische disregulatie en vermoedelijk ook van NAH. Dit is door of namens betrokkene niet betwist.
Deze stoornis veroorzaakt ernstig nadeel. Dit nadeel is gelegen in ernstig lichamelijk letsel, ernstige psychische schade, maatschappelijke teloorgang, ernstige verstoorde ontwikkeling en het oproepen van agressie van een ander door het vertonen van hinderlijk gedrag.
De rechtbank neemt hierbij in overweging dat betrokkene onder invloed van de voornoemde stoornis last heeft van wanen, hallucinaties en slapeloosheid. Ook kan betrokkene onrustig, dreigend en (fors) agressief gedrag vertonen. Er is eveneens sprake (geweest) van decorumverlies en seksueel onaangepast gedrag. Verder heeft betrokkene geen dagbesteding en wil hij het liefst alleen maar gamen. Tot slot leidt het staken van de medicatie ertoe dat betrokkene psychotisch decompenseert, met verdere, onherstelbare schade bij betrokkene tot gevolg.
Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen heeft betrokkene zorg nodig.
Er zijn ondanks de inmiddels ontstane samenwerking tussen de behandelaren en de moeder geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis. Betrokkene zelf benoemt tijdens de zitting meermaals dat hij niet langer in [accommodatie] opgenomen wil blijven, maar naar huis wil. Daarnaast acht de rechtbank de kans aannemelijk dat betrokkene zonder zorgmachtiging zijn medicatie zal weigeren, zeker nu betrokkene niet beschikt over ziektebesef en -inzicht. Daarom is verplichte zorg nodig.
De rechtbank is op grond van het zorgplan, de medische verklaring, het advies van de geneesheer-directeur en de toelichting tijdens de zitting van oordeel dat de volgende vormen van verplichte zorg nodig zijn:
- het toedienen van medicatie;
- het verrichten van medische controles;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten;
- het opnemen in een accommodatie.
De rechtbank zal het verzoek voor zover dat ziet op het beperken van het gebruik van communicatiemiddelen in de zorgmachtiging afwijzen, omdat daartoe naar het oordeel van de rechtbank geen noodzaak bestaat en het onvoldoende voorzienbaar is dat deze vorm van verplichte zorg in de komende periode noodzakelijk zal zijn.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
De vormen van verplichte zorg die de rechtbank toewijst zijn evenredig en naar verwachting effectief. Bij het bepalen van de juiste vormen van zorg is rekening gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen en om te zorgen voor de veiligheid van betrokkene en zijn omgeving.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de resterende verzochte duur van zes maanden, met ingang van heden en tot en met 27 oktober 2026.
6. De beslissing
De rechtbank:
verleent een zorgmachtiging voor [betrokkene] , geboren op [geboortedag] 2006 in [geboorteplaats] , Griekenland, wat inhoudt dat de maatregelen die in 5.7. staan kunnen worden toegepast;
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 27 oktober 2026;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, in aanwezigheid van mr. De Haas, griffier en op schrift gesteld op 4 mei 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.