beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Breda
Zaaknummer: C/02/407901 / FA RK 23-1467
Datum uitspraak: 20 april 2026
Beschikking over het gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats 1] ,
advocaat: mr. J.M. Molkenboer, voorheen mr. M.M.M. Minkels in Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,
voor deze zaak woonplaats kiezende te [plaats 2] ,
advocaat: mr. I. Lamou in Breda,
over de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 25 augustus 2023 en de daarin genoemde stukken;
- het rapport van de Raad van 25 april 2024;
- de brief van mr. Minkels van 6 mei 2024;
- de brief van mr. Lamou van 21 mei 2024;
- de brief van mr. Minkels van 3 december 2024;
- de brief van mr. Lamou van 5 december 2024;
- de brief van mr. Molkenboer van 6 juni 2025;
- de brief van mr. Lamou van 9 juni 2025;
- de brief van mr. Molkenboer van 9 januari 2026;
- de brief van mr. Lamou van 14 januari 2026;
- de brief van mr. Molkenboer van 15 januari 2026.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 24 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen de vrouw, bijgestaan door mr. Molkenboer en mr. Lamou namens de man. Ook was er een vertegenwoordigster namens de Raad aanwezig.
De rechtbank heeft bijzondere toestemming verleend voor de aanwezigheid van een stagiaire van de Raad.
De man is, hoewel hij daartoe behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen.
2. De feiten
Bij voornoemde beschikking is het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw bepaald. Tevens is bepaald dat de vrouw de man via hun advocaten met ingang van de eerste week van september 2023 eenmaal per drie maanden schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en over het welzijn van de minderjarige èn dat de vrouw de man ten aanzien van belangrijke ontwikkelingen onmiddellijk zal informeren, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.20 van die beschikking is omschreven. Verder is de Raad verzocht om een onderzoek in te stellen en daarover te rapporteren en te adviseren.
Aan de rechtbank ligt nog ter beoordeling voor:
De verzoeken van de vrouw:
1. te bepalen dat het gezamenlijk gezag over [minderjarige] wordt beëindigd en dat het gezag over [minderjarige] voortaan alleen aan de vrouw toekomt, waarvan aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 van het Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde openbare gezagsregister;
2. kosten rechtens.
De verzoeken van de man:
de verzoeken van de vrouw ten aanzien van het gezag af te wijzen;
een zorgregeling te bepalen welke de rechtbank in het belang van [minderjarige] acht dan wel een zorgregeling te bepalen op een nader door de man aan te geven wijze;
kosten rechtens.
3. De standpunten
De Raad heeft op 25 april 2024 het volgende gerapporteerd. De Raad ziet als grootste zorg, dat [minderjarige] de man niet kent en dat zij geen hechtingsrelatie met hem heeft. Positief punt is dat de vrouw er voor openstaat om [minderjarige] voor te lichten over haar afstamming. Het is belangrijk dat er een contactregeling komt, die de draagkracht van de vrouw niet overstijgt, omdat zij belast is met de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . De Raad zou bij voorkeur zien dat [minderjarige] de man leert kennen, terwijl de vrouw in de directe nabijheid is. Verder zou er een professionele hulpverlener bij aanwezig moeten zijn, van bijvoorbeeld het omgangshuis. Deze begeleider is nodig, om te observeren hoe het contact verloopt en de man te ondersteunen in het aansluiten bij de behoeftes van [minderjarige] . Ook kan deze begeleider volgen in hoeverre [minderjarige] open staat voor contact met de man en wat zij daarin nodig heeft. De Raad houdt er rekening mee dat de man moet terugkeren naar Marokko. De Raad schat in dat de gevolgen van een eventuele contactbreuk tussen de man en [minderjarige] voor [minderjarige] beperkt zullen zijn, omdat hun onderlinge band nog niet zo sterk zal zijn. Bovendien bestaat de mogelijkheid om het contact via digitale weg voort te zetten. [minderjarige] blijft daarmee in staat om zelf een vaderbeeld te ontwikkelen. Het is volgens de Raad aan de man om te laten zien dat hij voor [minderjarige] en de vrouw een persoon is, die afspraken nakomt. Daar hoort bij dat de man het initiatief neemt om een verblijfsvergunning aan te vragen. Ook zal de man zich moeten beraden over de manier van contact, gelet op de afstand tussen [plaats 1] en [plaats 3] . De Raad adviseert om de behandeling van de verzoeken voor de duur van een jaar aan te houden, zodat op een volgende zitting de ontwikkelingen in het kader van het begeleid contact en de stand van zaken over de verblijfsstatus en de verblijfplaats van de man. Op dat moment zal er beoordeeld moeten worden of er bij partijen mogelijkheden zijn om het gezag gezamenlijk uit te oefenen.
Tijdens de zitting heeft de Raad het advies als volgt aangevuld. Volgens de Raad zijn er sinds het verschijnen van het rapport nog veel vragen onbeantwoord gebleven. Als de man niet naar Nederland kan komen, dan kan hij niet deelnemen aan een traject van begeleid contact. [minderjarige] kent de man nog niet. Dan moet het contact begeleid en onverstoord worden opgebouwd. Dit traject kan alleen vormgegeven worden als de man naar Nederland komt. De man zegt dat hij wil meewerken, maar toont dit feitelijk niet. De Raad mist de inzet van de man om tot contact te komen. Hij heeft niet aan de bel getrokken toen de vrouw stopte met hem te informeren of toen de hulpverlening is gestopt. Ook is het uitoefenen van het gezamenlijk gezag erg lastig, als de man niet naar Nederland kan komen en er geen contact met [minderjarige] is. Er is te weinig communicatie tussen partijen om het gezag samen te kunnen uitoefenen. Het is ook de vraag of de man voldoende weet over [minderjarige] om beslissingen over haar te kunnen nemen. Het uitoefenen van het gezag door de man zou dan op dit moment alleen bestaan uit het zetten van zijn handtekening. Zonder een nieuw traject van begeleid contact, zal het voor partijen zeer lastig zijn om het gezag samen uit te oefenen.
Namens de vrouw is de volgende reactie op de rapportage van de Raad gestuurd. Partijen zijn via de [hulpverlening] verwezen voor jeugdhulp naar “ [jeugdhulp] ”. Deze jeugdhulp loopt inmiddels reeds een jaar. Deze hulp zou in februari 2025 starten, maar de man heeft niets meer van zich laten horen. De vrouw kan de man niet bereiken. Hij zou zover de vrouw weet in België verblijven. De vrouw ervaart problemen in het uitoefenen van het gezag over [minderjarige] . Zo kan zij [minderjarige] niet aanmelden bij een basisschool, terwijl [minderjarige] binnenkort leerplichtig wordt. Ook kan de vrouw [minderjarige] niet zelfstandig aanmelden voor hulpverlening, omdat zij daarvoor de medewerking van de man nodig heeft. De vrouw vraagt de rechtbank om het gezag met spoed te wijzigen, zodat zij de zaken voor [minderjarige] kan gaan regelen. Daarnaast vraagt zij om het zelfstandige verzoek van de man af te wijzen, omdat hij feitelijk onbereikbaar is.
Tijdens de zitting heeft de vrouw haar standpunt als volgt aangevuld. Het bevreemdt de vrouw, dat de man nu vraagt om een traject om contact op te starten. De vrouw heeft bij de [hulpverlening] afspraken gemaakt om een dergelijk traject op te starten, maar toen bleek de man onbereikbaar voor de hulpverlening. De vrouw heeft bewust gewacht op het moment dat de man zelf initiatief zou tonen. De man heeft dit echter nagelaten. Volgens de vrouw was er steeds de mogelijkheid om het dossier te heropenen, als de man daarom verzocht had. De vrouw heeft de informatieplicht nageleefd tot het moment dat het traject bij de [hulpverlening] is gestart. De man heeft hier nooit op gereageerd. De vrouw vindt het belangrijk dat [minderjarige] haar vader leert kennen, maar het initiatief hiervoor moet vanuit de man komen. De man heeft nog nooit iets laten blijken op belangrijke dagen voor [minderjarige] , zoals haar verjaardag, het Offerfeest of het Suikerfeest. De vrouw vindt het belangrijk dat de contact tussen [minderjarige] en de man veilig verloopt en begeleid wordt. Dat de man het gezag over [minderjarige] in de praktijk niet kan uitoefenen, blijkt al uit de afwezigheid van de man tijdens de zitting. De man kan door het ontbreken van een geldige verblijfsstatus niet naar Nederland komen of contact hebben met overheidsinstanties. Het wijzigen van het gezag hoeft volgens de vrouw de contact tussen [minderjarige] en de man niet in de weg te staan. De vrouw bevestigt dat zij de man niet om instemming heeft gevraagd, omdat zij al weet wat zijn reactie gaat zijn. De vrouw zou het waarderen als de man uit zichzelf een teken van leven aan [minderjarige] toont. Als hij dat eerder had gedaan, dan had hij volgens de vrouw [minderjarige] al lang kunnen zien. De vrouw vraagt de rechtbank om op haar verzoeken een eindbeslissing te geven. Zij is bereid om de man weer te informeren over [minderjarige] .
Namens de man is de volgende schriftelijke reactie gegeven op de rapportage van de Raad. Volgens de man is het contact niet opgestart door de houding van de vrouw. Zij wilde dat het contact over enkele maanden zou starten, omdat zij dan pas ruimte had voor het traject. De man heeft er bewust voor gekozen om terughoudend te zijn. Hij wil de vrouw niet provoceren of het risico lopen dat zijn verzoek wordt afgewezen. De advocaat van de man heeft meerdere malen contact opgenomen met de [hulpverlening] en met “ [jeugdhulp] ”. De advocaat kreeg te horen dat het dossier inmiddels gesloten was. Wat hieraan vooraf is gegaan, is onduidelijk gebleven. De advocaat van de man benadrukt dat er ten onrechte is gesteld dat er met haar geen contact te krijgen was. Het is volgens de advocaat ook onjuist dat de vrouw geen contact kan krijgen met de man. Het is juist de vrouw die het contact met de man afwijst, aldus de man.
Namens de man voegt de advocaat nog toe dat hij uitdrukkelijk bereid en gemotiveerd is om over [minderjarige] contact met de vrouw te hebben. Hij wil niets liever dan zijn dochter leren kennen. De man handhaaft zijn standpunt en zelfstandig verzoek. De man heeft er met het oog op zijn verblijfsstatus voor gekozen om niet bij de zitting aanwezig te zijn. Hij beseft dat er niet ineens een contactregeling kan worden vastgesteld. Hij zou graag zien dat er een traject wordt opgestart, waarin het contact tussen hem en [minderjarige] wordt opgebouwd. De man betwist dat hij voor de vrouw niet bereikbaar zou zijn. Zij kan hem via de e-mail bereiken. De man heeft echter geen verzoeken van de vrouw ontvangen. Het is dan voor de man niet duidelijk tegen welke problemen de vrouw aanloopt in het uitoefenen van het gezag. De advocaat van de man biedt aan om het telefoonnummer, adres en e-mailadres van de man te delen met de vrouw.
4. De beoordeling
Gezag
In artikel 1:253n van het BW staat dat de rechter op verzoek van de ouders die niet met elkaar zijn getrouwd of op verzoek van een van hen, het gezamenlijk gezag kan beëindigen. Dan kan als de omstandigheden zijn veranderd sinds de ouders samen het gezag hebben gekregen of als de rechtbank van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan toen hij het gezamenlijk gezag heeft vastgesteld. De rechtbank heeft zich in de beschikking van 25 augustus 2023 al uitgelaten over de gewijzigde omstandigheden op grond waarvan de vrouw ontvankelijk is in haar verzoek.
Het verzoek van de vrouw om haar alleen het gezag te geven wordt toegewezen. De wet heeft als uitgangspunt dat ouders, ook na het einde van hun relatie, samen het gezag houden. De rechtbank vindt dat daarvan in dit geval moet worden afgeweken. De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk om de vrouw alleen het gezag te geven. [minderjarige] woont bij de vrouw en komt op een leeftijd dat er beslissingen over haar genomen moeten worden. Om het gezag goed te kunnen invullen, moet een ouder belangstelling hebben voor het kind, bekend zijn met haar ontwikkeling en weten wat het kind bezighoudt. Partijen wonen niet meer bij elkaar en hebben geen contact meer. De man stelt zich op het standpunt dat hij in staat is om het gezag samen uit te oefenen en dat hij bereikbaar is voor de vrouw. Het is dan echter ook aan de man om regelmatig iets van zich te laten horen en te laten blijken dat hij betrokken is bij [minderjarige] . De man heeft dit nagelaten, ook toen er stappen zijn gezet om een traject naar begeleid contact op te starten. De man heeft bovendien geen geldige verblijfsstatus op grond waarvan hij in Nederland mag zijn en hij verblijft op een adres in het buitenland, op grote afstand van de minderjarige. Er is daarbij vooralsnog geen wijziging in de status van de man te verwachten. De man zegt dat hij het gezag samen wil blijven uitoefenen, maar laat dit in de jaren dat deze procedure al loopt, feitelijk niet blijken. Dit heeft tot gevolg gehad, dat er geen enkel contactmoment tussen hem en [minderjarige] heeft plaatsgevonden. De man heeft hierdoor zelf geen zicht heeft op de ontwikkeling van [minderjarige] en weet niet welke beslissingen in haar belang noodzakelijk zijn. Hij is dan ook niet in staat om het gezag naar behoren uit te oefenen. Dit neemt volgens de rechtbank niet weg dat de man over [minderjarige] geïnformeerd moet blijven en dat de vrouw de regeling, zoals deze in de beschikking van 25 augustus 2023 is vastgesteld, nakomt.
Deze beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. Een beslissing van de rechtbank op dit punt kan dan ook achterwege blijven.
Omgangsregeling
In artikel 1:377a BW staat dat een ouder zonder gezag over het kind, recht heeft op omgang met het kind. De rechtbank kan op verzoek van één ouder of op verzoek van de ouders samen een omgangsregeling vaststellen. De rechtbank kan een ouder ook het recht op omgang ontzeggen. Dat kan alleen als er sprake is van één van de volgende omstandigheden:
omgang zou schadelijk zijn voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind;
de ouder is ongeschikt of niet in staat tot omgang met het kind;
het kind is twaalf jaar of ouder en heeft laten weten dat hij echt geen contact met de ouder wil;
er is een andere redenen waarom omgang in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Uit het standpunt van de vrouw blijkt dat zij in beginsel open staat voor omgang tussen [minderjarige] en de man. Het ligt dan niet op de weg van de rechtbank om daarin te bemiddelen. De man heeft verder geen enkel initiatief genomen om tot omgang te komen. Namens hem wordt aangegeven dat hij zich bewust terughoudend heeft opgesteld en dat het dossier bij de omgangsbegeleider buiten hem om is gesloten. De visies van partijen over het stopzetten van het traject naar begeleide omgang lopen echter erg uiteen. Door de vrouw is het eindverslag van 18 juni 2025 van [persoon] overgelegd, waarin staat dat zij op verschillende momenten de voicemail van de advocaat van de man heeft ingesproken, om concrete afspraken te maken over de begeleide omgangsmomenten, maar dat zij daarop geen enkele reactie heeft gekregen. De rechtbank heeft geen enkele aanleiding om aan de inhoud van deze brief te twijfelen, nu door de man het tegendeel niet is aangetoond. Door of namens de man is er bovendien, ook toen bekend werd dat het dossier gesloten was, niet geprobeerd om het traject opnieuw op te starten. De rechtbank vindt het niet zinvol om de behandeling van het verzoek van de man opnieuw aan te houden, nu de man ook nu nog niet in staat is om naar Nederland te komen om een traject naar begeleide omgang uit te voeren. Gelet op het voorgaande is het dan ook niet in het belang van [minderjarige] om een omgangsregeling vast te stellen, als er nog geen enkel omgangsmoment is uitgevoerd. Het zelfstandige verzoek van de man wordt dan ook afgewezen. Het staat de man vrij om in de toekomst – als hij duidelijkheid heeft over zijn verblijfsstatus en -plaats – onder begeleiding van de advocaten van partijen – afspraken te maken over omgang met [minderjarige] . De vrouw heeft immers aangegeven dat zij het belangrijk vindt dat [minderjarige] de mogelijkheid krijgt om haar vader te leren kennen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing, gelet op de aard hiervan, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing alvast moet worden gevolgd, ook als er hoger beroep wordt ingesteld tegen deze beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de vrouw voortaan alleen het gezag heeft over [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Maandag, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 in aanwezigheid van Joosen, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.