beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/439375 / FA RK 25-4471
datum uitspraak: 20 april 2026
beschikking betreffende vaststelling zorg- en opvoedingstaken en hoofdverblijf
in de zaak van
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg,
tegen
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. de Houck te Terneuzen.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 28 augustus 2025 ontvangen verzoek van de man met bijlagen;
- het op 3 april 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw tevens houdende
zelfstandig verzoek met bijlagen;
- F9-formulier van 8 april 2026 van mr. Tiggelaar met daarbij een wijziging van het verzoek.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 8 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de Raad.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie de navolgende thans nog minderjarige kinderen zijn is geboren:
- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2021; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2023.
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het
ouderlijk gezag over de minderjarigen.
3. Het verzoek
De man verzoekt, na wijziging van zijn verzoek, om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat in het kader van een regeling terzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken de minderjarige kinderen van partijen bij de man verblijven:
- een aaneengesloten week end per veertien dagen waarbij de overdracht zoveel mogelijk via school/opvang plaatsvindt of ingeval van een vrije dag op de wisseldag om 8.30 uur;
- met dien verstande dat de komende periode via een opbouwregeling wordt toegewerkt naar voornoemde regeling, waarbij de kinderen met ingang van week 15 althans week 17 van 2026 een keer per veertien dagen van woensdagmiddag vanuit school/opvang tot maandagochtend bij de man verblijven, waarbij de man de kinderen op maandagochtend bij de man verblijven, waarbij de kinderen op maandagochtend naar school/opvang brengt of op een vrije dag om 08.30 uur naar de vrouw, welke regeling de komende periode in onderling overleg met ondersteuning vanuit hulpverlening althans – indien partijen niet tot overeenstemming komen – een door de rechtbank te wijzen nadere beschikking wordt opgebouwd;
- alsmede gedurende de helft van de reguliere schoolvakanties en erkende feest-/bijzondere dagen, zulks in onderling overleg te verdelen.
Althans subsidiair een zodanig beslissing te nemen als de rechtbank in het belang van de
kinderen wenselijk voorkomt.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek van de man en verzoekt dit verzoek af te wijzen. Bij wege van zelfstandig verzoek verzoekt de vrouw het hoofdverblijf van de kinderen bij haar te bepalen.
Op de standpunten van partijen wordt, voor zover van belang voor de beoordeling van de verzoeken, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank dient ingevolge artikel 1:253a BW een zodanige beslissing te nemen als haar in het belang van de minderjarigen wenselijk voorkomt.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Inhoudelijke beoordeling
Het is de rechtbank gebleken dat partijen gedeeltelijk tot een vergelijk zijn gekomen. Zo zijn de ouders het er over eens dat er hulpverlening ingezet moet worden zoals ouderschapsbemiddeling, waarbij het aan de gemeente is om te bekijken welke vorm passend is. Ook zal er voor beide opvoedsituaties IPT aangevraagd worden. De ouders zijn het verder eens over de verdeling van de zomervakantie (2026) en hebben afgesproken dat de kinderen in week 29 van 13 tot en met 19 juli bij de man zijn, waarbij de wissel op maandagochtend 20 juli 2026 plaatsvindt, in week 31 zijn de kinderen op maandag, dinsdag en woensdag bij de man en vindt de wissel plaats op donderdagochtend, zodat de kinderen op [datum] 2026 bij de vrouw zijn in verband met de verjaardag van [minderjarige 2] ; op zaterdag 1 augustus 2026 gaan de kinderen naar de man tot en met 11 augustus 2026, op dinsdag 11 augustus 2026 gaan de kinderen naar de vrouw waar zij gedurende het resterende deel van de zomervakantie verblijven. In week 35, de eerste schoolweek, gaan de kinderen dan weer op donderdag naar de vader en eventueel op woensdag mocht de rechtbank hiertoe beslissen.
Het laatste punt is het punt wat partijen op dit moment verdeeld houdt. De man zou graag zien dat de kinderen voorlopig vanaf woensdag tot aan maandagochtend bij de man verblijven. Hij wil graag toewerken naar een co-ouderschap. De vrouw is van mening dat er nog maar net gestart is met de regeling waarbij de kinderen van donderdag tot maandagochtend bij de man verblijven. Voor haar is dit het maximum. Zij heeft zorgen over de opvoedsituatie bij de man, met name wanneer er stressmomenten zijn. Zij is van mening dat de man zijn emoties dan niet voldoende kan reguleren. Voor haar is het van belang dat er eerst hulpverlening in de vorm van IPT komt, zodat zij erop kan gaan vertrouwen dat de kinderen bij de man, ook in een reguliere week, veilig zijn.
De Raad heeft aangegeven dat als blijkt dat het goed gaat bij de man een uitbreiding van de zorgregeling naar de woensdag prima is.
De rechtbank overweegt als volgt. Allereerst is het van groot belang voor de verdere opvoeding en ontwikkeling van de kinderen dat partijen hulpverlening aangaan. De vrouw heeft ter zitting toegezegd, nu de kinderen bij haar ingeschreven staan, om bij de gemeente voor partijen en de kinderen jeugdhulpverlening aan te vragen. De rechtbank geeft de ouders het dringende advies om deze hulpverlening aan te gaan. Ouderschapsbemiddeling is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de ouders ook in de toekomst zonder tussenkomst van hun advocaten in onderling overleg afspraken kunnen maken. IPT in beide opvoedsituaties is noodzakelijk om over en weer meer afstemming in de opvoeding te krijgen én om vertrouwen in elkaar opvoedkwaliteiten te kunnen krijgen, doordat een derde meekijkt en kan rapporteren over de opvoedsituatie. De ouders moeten daarbij leren dat verschillen in de opvoedsituatie op zichzelf mogelijk zijn en dat iedere ouder op zijn of haar eigen manier met stresssituaties om kan en mag gaan, zolang dit op een verantwoorde en voor de kinderen veilige manier gebeurt.
De rechtbank gunt het ouders dat zij nader tot elkaar komen. Omdat de ouders én de kinderen nog maar net begonnen zijn met de regeling waarbij de kinderen van donderdag tot maandagochtend bij de man verblijven, zal de rechtbank deze regeling nog niet verder veranderen. Dat de man graag een stip aan de horizon wil, is begrijpelijk, er staat alleen nog veel te gebeuren in het leven van de kinderen, zoals de verhuizing met de vrouw naar [plaats] . Bovendien is het van groot belang dat de ouders eerst nader tot elkaar komen en de bestaande zorgen enigszins weggenomen zijn. Of de zorgen van de vrouw terecht zijn of niet doet er in zekere zin niet toe, nu deze zorgen voor haar reëel zijn. Wanneer de hulpverlening is gestart en er resultaten uit de IPT met de ouders gedeeld kunnen worden, kunnen er vervolgstappen gezet worden voor de uitbreiding van de zorgregeling naar een eventueel co-ouderschap. De rechtbank vindt het van belang dat de ouders via ouderschapsbemiddeling hierover nadere afspraken maken. Datzelfde geldt voor het door de vrouw gevraagde hoofdverblijf van de kinderen.
De rechtbank zal de voorlopige regeling zoals partijen afgesproken hebben voorlopig vastleggen en de verdere beslissingen ten aanzien van zowel de reguliere zorgregeling, de verdere vakanties en het hoofdverblijf pro forma aanhouden in afwachting van de hulpverlening en verdere berichten van partijen. Idealiter wordt deze zaak over bijvoorbeeld een half jaar afgesloten met een door beide ouders in samenwerking met de hulpverlening ondertekend ouderschapsplan.
Voor de nog in te schakelen hulpverlening geldt dat er wel nog een procedure aanhangig is, maar dat deze procedure de in te zetten hulpverlening niet doorkruist en met name bedoeld is voor het vastleggen van het door partijen met de hulpverlening bereikte resultaat. Uiteraard is het ook zo dat indien partijen er niet met de hulpverlening uitkomen de rechtbank alsnog beslissingen zal dienen te nemen op de verzoeken van partijen. Het is echter eerst aan partijen om met de hulpverlening een hulpverleningstraject aan te gaan ter verbetering van de onderlinge communicatie en het onderlinge wantrouwen.
De rechtbank verwacht op de hieronder vermelde pro forma datum van (de advocaten van) partijen bericht over de stand van zaken en het gewenste verdere procesverloop (onder opgave van verhinderdata indien één van partijen een zitting wenst.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt dat de man en de minderjarigen, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar éénmaal per twee weken van donderdag tot maandagochtend en voor de zomervakantie 2026 in week 29 van 13 tot en met 19 juli 2026, waarbij de wissel op maandagochtend 20 juli 2026 plaatsvindt, in week 31 op maandag, dinsdag en woensdag en vindt de wissel plaats op donderdagochtend, op zaterdag 1 augustus 2026 tot en met 11 augustus 2026, waarbij de wissel plaatsvindt op dinsdag 11 augustus 2026 en in week 35 (de eerste schoolweek) wordt de reguliere zorgregeling weer hervat en verblijven de kinderen vanaf donderdag tot maandagochtend bij de man;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zowel regulier als de verdeling van de vakanties) en het hoofdverblijf aan tot 13 oktober 2026 pro forma in afwachting van verdere berichten van (de advocaten van) partijen, zoals vermeld in rechtsoverweging 4.11.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: