2. De feiten
Partijen hebben met elkaar een relatie gehad. Uit deze relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt bij wege van voorlopige voorziening ex artikel 223 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak:
I. de kinderen voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen;
II. een (voorlopige) zorgregeling vast te stellen zoals omschreven sub 69 van
onderhavig processtuk, inhoudende dat de man en de minderjarigen gerechtigd zijn tot contact met elkaar:
- wekelijks op donderdag van 07:00 uur tot 17:30 uur, waarbij de vrouw de kinderen
naar de man brengt en de man de kinderen terugbrengt naar de vrouw; en
- één weekend per twee weken van vrijdag 19:00 uur tot en met zondagavond 19:00
uur, waarbij de vrouw de kinderen naar de man brengt en de man de kinderen
terugbrengt naar de vrouw;
althans een (voorlopige) zorgregeling als uw rechtbank juist en redelijk acht.
De man is het niet eens met de verzoeken van de vrouw en verzoekt deze verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen.
De man verzoekt zelfstandig:
Primair:
1. te bepalen dat de minderjarigen voorlopig aan hem worden toevertrouwd;
2. te bepalen dat het uitsluitend gebruik van de gezamenlijke woning aan de
[adres] [woonplaats] met de daarbij behorende inboedel wordt
toegekend aan de man.
Subsidiair, indien het primaire verzoek sub 1 wordt afgewezen:
te bepalen dat de man zorg- en contact heeft met de minderjarigen iedere woensdag 07.00 uur tot en met zondag 19.00 uur in de even weken en in de oneven weken van woensdag 07.00 uur tot en met vrijdag 19.00 uur, zomede gedurende de weekenden dat de vrouw piketdiensten draait, zomede gedurende de helft van de (school)vakantiedagen een en ander in onderling overleg nader te bepalen, waarbij de man de kinderen ophaalt bij de vrouw en de vrouw de kinderen weer ophaalt bij de man na afloop van de zorg- en contactperiode.
Op de verdere standpunten van alle betrokkenen wordt, voor zover nodig om de verzoeken te beoordelen, hierna ingegaan.
4. De beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat voor toewijzing van een verzoek in het kader van artikel 223 Rv slechts plaats is, indien er naar het oordeel van de rechtbank voldoende belang bestaat in die zin dat van partijen niet gevergd kan worden dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten. Daarnaast dient de rechtbank de belangen van partijen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
Uitsluitend gebruik van de woning
De man heeft ter zitting zijn verzoek tot het uitsluitend gebruik van de woning ingetrokken, nadat de vrouw heeft aangegeven dat zij geen aanspraak maakt op deze woning. Ter zitting is toegezegd dat zij de woning uitsluitend, in samenspraak met de man, zal betreden voor het ophalen van spullen. Gelet op dit standpunt heeft de man aangegeven dat hij dit verzoek intrekt. De rechtbank zal dit verzoek van de man afwijzen nu een belang bij een verdere inhoudelijke beoordeling hiervan is weggevallen.
Toevertrouwing [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Door en namens de vrouw is aangevoerd dat, zowel gedurende affectieve relatie van partijen als nu, het grootste deel van de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen bij de vrouw ligt. De vrouw is als hoofdopvoeder de meest stabiele factor in hun leven en zij heeft haar werktijden aangepast om haar werk te kunnen blijven combineren met de zorg- en opvoedingstaken van de minderjarigen. De vrouw verzoekt de huidige situatie te bestendigen door toevertrouwing van de minderjarigen aan haar.
Door en namens de man is aangevoerd dat de vrouw de minderjarigen van het een op andere moment (op 12 december 2025) heeft onttrokken aan hun vertrouwende omgeving en bij haar ouders is ingetrokken. De man heeft dit moeten vernemen via een briefje. De man stelt dat een verblijf bij hem in de ouderlijke woning de minderjarigen meer stabiliteit en rust oplevert. De minderjarigen zijn hier gewend, ook aan hun opa en oma, die geruime tijd vaste verzorgers waren. Ook hebben zij in de omgeving van de man hun vriendjes en vriendinnetjes alsmede hun opvang.
Namens de Raad is aangegeven dat er, ten aanzien van toevertrouwen, op basis van de stukken en de standpunten ter zitting geen doorslaggevende argumenten zijn die pleiten voor toevertrouwing van de minderjarigen aan één van partijen.
De rechtbank overweegt als volgt. Beide partijen hebben op dit onderdeel geen ander belang gesteld bij hun respectievelijke verzoeken dan dat ze de primair verzorgende ouder zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Een beschikking waarbij de rechter voor de duur van de echtscheidingsprocedure bepaalt aan wie een kind zal worden toevertrouwd, heeft geen verdere strekking dan dat de in die beschikking aangewezen ouder tijdelijk dient zorg te dragen voor de dagelijkse verzorging en opvoeding. Met inachtneming hiervan en mede gelet op de hierna vast te stellen zorgregeling, waarbij sprake is van een (nagenoeg) gelijke verdeling van de zorgtaken, ziet de rechtbank geen aanleiding om de minderjarigen aan één van beide ouders toe te vertrouwen. Beide partijen zullen namelijk ieder voor een (nagenoeg) gelijk deel zorgdragen voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank zal dan ook beide verzoeken tot toevertrouwing afwijzen. De vraag waar na de echtscheiding de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zal zijn, dient in de bodemprocedure te worden beantwoord. De rechtbank voegt daar nog aan toe dat voor het ontvangen of kunnen gebruikmaken van diverse (fiscale) toeslagen/regelingen, zoals de inkomensafhankelijke combinatiekorting, de kinderopvangtoeslag, de kinderbijslag en het kindgebonden budget, de hoofdverblijfplaats en de inschrijving van de minderjarigen niet van belang is, omdat hierover afspraken gemaakt kunnen worden met de SVB en/of de Dienst Toeslagen.
Zorgregeling [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Partijen zijn verdeeld gebleven over de zorgregeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Partijen hebben een tijdelijke regeling afgesproken waaraan zij op dit moment uitvoering geven. Deze regeling houdt in dat minderjarigen in de even weken van donderdagochtend 07:00 uur tot en met zondagavond 19:00 uur en in de oneven weken van donderdagochtend 07:00 uur tot en
met vrijdagavond 19:00 uur bij de man zijn, waarbij de minderjarigen steeds worden opgehaald door de ouder waar ze naartoe gaan. Partijen hebben hun werkroosters en deze regeling op elkaar afgestemd.
De vrouw wil deze tijdelijke zorgregeling zo laten, omdat het nu loopt goed. Wanneer de minderjarigen op woensdagochtend naar de man zouden gaan, creëert dat extra overdrachtsmomenten. Voor de vrouw is het prima te doen om de kinderen op woensdag naar de opvang te brengen en halen. De man kon de minderjarigen vaak niet halen van de opvang, omdat hij moest werken.
De man wil dat hij de zorg voor de minderjarigen vanaf de woensdagochtend heeft, omdat hij voorheen ook degene was die hen op woensdag naar de opvang bracht. Hij kan op woensdag een dagdienst draaien, zodat hij de minderjarigen naar de opvang kan brengen en halen.
Er zijn de Raad geen duidelijke zorgen gebleken ten aanzien van ieder van de partijen over de feitelijke zorg aan de minderjarigen. De zorg zou dan zoveel als mogelijk gelijk verdeeld moeten worden.
De regeling waar partijen op dit moment uitvoering aan geven verloopt, op de overdrachtsmomenten na, goed. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om niet uit te gaan van een gelijke verdeling van de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Vanwege de verstoorde verstandhouding tussen partijen is er sprake van spanningen tijdens de overdrachtsmomenten. Partijen bejegenen elkaar op een negatieve manier, er wordt gescholden en de minderjarigen zijn daar getuige van. Gelet op voorgaande omstandigheden zal de rechtbank bij het bepalen van een zorgregeling de huidige regeling als uitgangspunt nemen, waarbij zij zal bepalen dat de vrouw op woensdag [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar de opvang brengt, en de man [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ophaalt van de opvang, waarna hij de zorg voor de minderjarigen zal dragen. Op deze manier valt er een contactmoment tussen partijen weg, hetgeen ten goede komt aan rust voor de minderjarigen tijdens de overdacht. Bovendien blijven beide ouders zo betrokken bij de opvang.
Partijen hebben in het kader van de zorgregeling beiden een andere haal- en brengregeling verzocht. De rechtbank stelt vast dat zij op basis van de stukken en de standpunten ter zitting geen doorslaggevende argumenten heeft gehoord die maken dat van de huidige regeling moet worden afgeweken. Dat betekent dat de rechtbank zal bepalen dat de ouder waar de minderjarigen volgens de zorgregeling gaan verblijven, de minderjarigen ophaalt bij de ouder bij wie zij op dat moment verblijven. Daarbij sluit de rechtbank aan bij het standpunt van de Raad dat de ouder bij wie de minderjarigen worden opgehaald, zorgt dat de minderjarigen klaar staan op het moment dat de andere ouder hen komt ophalen. Dit verkort de contacttijd tussen de ouders en daarmee ook de kans op onrust, waardoor de overdrachtsmomenten zo ontspannen mogelijk verlopen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De rechtbank spreekt ouders aan op hun beider verantwoordelijkheid om de overdrachtsmomenten soepel te laten verlopen.
Verder heeft de man verzocht om een voorlopige zorgregeling te treffen ten aanzien van piketdienst en vakanties. De rechtbank dient in het kader van een voorlopige voorziening een ordemaatregel te treffen in afwachting van de beslissing in de hoofdzaak. De minderjarigen gaan nog niet naar school en partijen hebben aangegeven dat er in de aankomende periode nog geen concrete vakanties gepland staan. Er bestaat op dit moment dan ook geen belang bij een beslissing hierover. Het is aan partijen om, in het kader van het hierna te noemen hulpverleningstraject, zelf afspraken te maken over de inrichting van de zorg tijdens vakanties en piketdiensten. Dit betekent dat de voorlopige zorgregeling in beginsel doorloopt tijdens vakanties en piketdienst, tenzij partijen, in onderling overleg, afspraken kunnen maken over een zorgregeling tijdens vakanties en piketdiensten.
Doorverwijzing UHA
Het lukt ouders samen niet de problemen tussen hen op te lossen. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat partijen niet in staat zijn om met elkaar te communiceren als ouders. Daarbij is er bij de vrouw sprake van traumatische ervaringen in het verleden. De rechtbank vindt het, net als de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders en hun minderjarige kinderen een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet. Ouders hebben tijdens de mondelinge behandeling ermee ingestemd dat de rechtbank hen en hun minderjarige kinderen voor (jeugd)hulpverlening verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. De verwijzing heeft op 13 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat ouders met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd. Het is belangrijk dat de hulpverlening en gesprekken met partijen eerst op individuele basis starten, gelet op de verstandhouding tussen partijen en de hulp die de vrouw op dit moment ontvangt voor haar mentale klachten. De rechtbank verzoekt de hulpverlening om met de psycholoog van de vrouw af te stemmen wanneer het mogelijk is om over te gaan op gezamenlijke gesprekken.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;
het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat ouders daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechter na overleg met de ouders besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de (gezagdragende) ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind;
het kind en de (gezagdragende) ouders hebben onbelast contact met elkaar;
er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie);
De resultaten zijn ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht (bijlage 1).
Ten aanzien van het verdere verloop van het traject overweegt de rechtbank als volgt.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. Tussen partijen is een bodemprocedure aanhangig, bij deze rechtbank bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/442906 FA RK 25-6377. Voor het doorlopen van een hulpverleningstraject wordt standaard een termijn van 6 maanden aangehouden. Gelet hierop verzoekt de rechtbank het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, in de hiervoor genoemde bodemprocedure in te brengen. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een mondelinge behandeling in de bodemprocedure nog nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de in die procedure gedane verzoeken met betrekking tot het de kinderen.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover in de bodemprocedure bekend onder voornoemd zaaknummer een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
welke hoofdverblijfplaats past het meest bij de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?;
welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ?;
welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, is niet in voorgaande vraag aan de orde gesteld en is wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid om binnen een termijn van 14 dagen op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing (bijlage). Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
5. De beslissing
De rechtbank
bepaalt bij wege van provisionele voorziening, totdat in de hoofdzaak definitief is beslist, dat partijen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar als volgt:
in de even weken
Van maandag tot woensdag verblijven de minderjarigen bij de vrouw, waarbij de vrouw de minderjarigen op woensdag naar de opvang brengt.
De man haalt de minderjarigen op woensdag op van de opvang, waarna zij tot zondagavond 19.00 uur bij de man zullen verblijven.
In de oneven weken
Van maandag tot woensdag verblijven de minderjarigen bij de vrouw, waarbij de vrouw de minderjarigen op woensdag naar de opvang brengt.
De man haalt de minderjarigen op woensdag op van de opvang, waarna zij tot vrijdag 19.00 uur bij de man zullen verblijven.
Vervolgens blijven de minderjarigen vanaf vrijdag 19.00 uur tot en met zondag bij de vrouw.
Bij voornoemde voorlopige regeling zal de ouder waar de minderjarigen volgens de zorgregeling gaan verblijven, de minderjarigen ophalen bij de andere ouder, die er voor zorgt dat de minderjarigen klaar staan zodat er sprake is van een kort overdrachtsmoment.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst partijen en hun minderjarige kinderen voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio West-Brabant-Oost. Het loket zal partijen en kinderen vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarigen verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket om uiterlijk op 13 oktober 2026 pro forma, of zoveel eerder als mogelijk is, in de in de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/442906 FA RK 25-6377 de rapportage over het verloop en het resultaat van het (jeugd)hulpverleningstraject ter griffie in te dienen;
verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad binnen veertien dagen na ontvangst van de UHA rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, ten behoeve van de bodemprocedure bekend onder zaak-/rekestnummer C/02/442906 FA RK 25-6377 onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 4.20 opgenomen vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen, zulks onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift van dit rapport en advies aan de advocaten van partijen;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Vriends, en, in tegenwoordigheid van Rozendaal, griffier, in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026.