RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446082 / JE RK 26-447
Datum uitspraak: 20 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2015 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
en
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
beide wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. Z. Yeral uit Roosendaal.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 maart 2026;
- het bericht van de GI met bijlagen van 30 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat en een tolk in de Poolse taal;
- een vertegenwoordigster van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 2] heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 21 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 25 oktober 2025 tot 25 april 2026.
De kinderrechter heeft eveneens bij beschikking van 21 oktober 2025 de machtiging verlengd [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 oktober 2025 tot 25 april 2026.
[minderjarige 1] verblijft bij [accommodatie] in [plaats] .
[minderjarige 2] verblijft in een gezinshuis.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (voor [minderjarige 1] ) en in een gezinsgerichte voorziening (voor [minderjarige 2] ) te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI legt het volgende aan haar verzoek ten grondslag. De kern van de grootste zorgen richt zich op de kwetsbaarheid van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] vanwege het gedrag dat zij laten zien en in de persoonlijke problematiek van ouders. [minderjarige 1] laat zien dat hij geen grenzen aangeleerd heeft en vaak regels of afspraken negeert. Hij vindt het moeilijk om te begrijpen waarom regels bestaan. Hij is ook beïnvloedbaar. [minderjarige 1] weet of voelt niet aan wanneer zijn gedrag ongepast is, maar ook signalen van anderen over zijn gedrag lijken nauwelijks binnen te komen. Rekening houden met gevoelens van anderen is moeilijk voor hem. Hij volgt vaak zijn eigen behoeftes en emoties. Achteraf lijkt het er ook op dat hij zich niet schuldig voelt of zich schaamt en geen verantwoordelijkheid neemt. Dit maakt dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Als deze gedragspatronen blijven bestaan neemt het risico op grensoverschrijdend of crimineel gedrag toe. De ontwikkelingsdreiging bij [minderjarige 2] is terug te zien doordat hij al langere tijd problemen heeft met slapen. De herinneringen uit het verleden lijken hem te belasten. Overdag is hij moe en heeft hij weinig energie. Hij heeft hierdoor minder ruimte om te leren, te spelen en nieuwe ervaringen op te doen. Als zijn herinneringen niet worden verwerkt, kan dit leiden tot problemen met emotieregulatie, zelfbeeld en het aangaan van relaties. Ook kan het invloed hebben op zijn lichamelijke en mentale gezondheid. Bij de ouders ligt de grootste zorg in hun persoonlijke problematiek. Hun situatie is vrijwel onveranderd. Ondersteuning heeft niet geleid tot wezenlijke veranderingen of verbeteringen. Het alcoholgebruik blijft een groot punt van zorg. De basiszorg voor de kinderen is niet op orde en ook de emotionele beschikbaarheid en steun schieten tekort. Daarnaast is sprake van huiselijk geweld en voortdurende conflicten tussen ouders. Afspraken met de hulpverlening worden niet nagekomen, wat het veranderproces verder belemmert. Naar aanleiding van bovenstaande zorgen heeft de GI de afgelopen twee jaar aan doelen getracht te werken die de situatie zou verbeteren. Het is niet waarschijnlijk dat er binnen een aanvaardbare termijn een situatie ontstaat waarin de ouders wél in staat zijn een stabiele en veilige opvoedsituatie te creëren waarin zij [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kunnen bieden wat ze nodig hebben. De ontwikkelingsdreiging blijft bestaan zolang ouders niet werken aan hun persoonlijke problematiek. Het komende jaar wil de GI werken aan de volgende doelen:
[minderjarige 1] ontwikkelt zich naar zijn vermogen doordat hij de juiste begrenzing en behandeling krijgt die ervoor zorgt dat hij leert om zich te houden aan grenzen en juiste keuzes te maken;
[minderjarige 1] ervaart duidelijkheid en toestemming om op een andere plek op te groeien. Hij heeft rust en kan zijn eerdere ervaringen verwerken en zich verder ontwikkelen.
[minderjarige 2] kan rustig in slaap vallen en slaapt door. Hij wordt uitgerust wakker en kan zich naar zijn vermogen ontwikkelen.
[minderjarige 2] ervaart duidelijkheid en toestemming om in het gezinshuis op te groeien. Hij heeft rust en kan zijn eerdere ervaringen verwerken en zich verder ontwikkelen.
De GI is van mening dat de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd dienen te worden met een jaar. Indien dit toegewezen wordt, dan zal er nader gekeken worden naar de contactregeling en een eventuele uitbreiding. [minderjarige 2] heeft een uur per drie weken contact met zijn ouders en [minderjarige 1] een keer per twee weken een uur. Het laatste contactmoment heeft voor beide kinderen in de thuissituatie bij de ouders plaatsgevonden onder begeleiding (voor zowel de kinderen als ouders) en met een tolk in de Poolse taal. Voor ouders is het namelijk lastig om het contact te onderhouden op de groep of in het gezinshuis, in de thuissituatie is dat makkelijker.
De ouders zijn het niet eens met het verzoek om de uithuisplaatsing te verlengen. Zij vinden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] thuis kunnen wonen. Zij hebben hun alcoholgebruik onder controle en maken geen ruzie meer. Bij ouders leeft het gevoel dat ze nog steeds gestraft worden voor de situatie die ertoe heeft geleid dat de kinderen uit huis zijn geplaatst. Namens de ouders is naar voren gebracht dat het verzoek tot ondertoezichtstelling kan worden toegewezen. Het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing moet worden afgewezen. De GI heeft een zorgplicht om ouders te bewegen deel te nemen aan de hulpverlening. Dit heeft de GI onvoldoende gedaan.
De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft bij brief van 23 maart 2026 aan de GI bericht dat, samengevat, de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing de maatregel is die het meest bijdraagt om te zorgen dat het goed blijft gaan met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , omdat het ouders niet lukt om hun persoonlijke problematiek onder ogen te zien en te erkennen dat deze problemen voor onveiligheid van de kinderen zorgen. Daarnaast kampen de kinderen met persoonlijke problematiek waar zij ondersteuning en begeleiding bij nodig hebben. Ouders zijn niet in staat en bij machte om de kinderen de structuur, begeleiding, veiligheid en betrouwbaarheid te bieden die zij nodig hebben bij hun ontwikkeling. Het lukt ouders niet om achter de uithuisplaatsing te staan, waardoor de huidige maatregeling verlengd dienen te worden, zodat de plaatsing en daarmee de noodzakelijke sturing en begeleiding gecontinueerd wordt.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat ouders ondanks alle aangeboden hulpverlening nog steeds tekort schieten in hun ouderlijke verantwoordelijkheid naar de minderjarigen en hun inzet om de ouder-kindrelatie te behouden en te laten herstellen. Het tekort schieten van ouders op meerdere vlakken uit zich bij de kinderen nu in hun gedrag. Anders dan ouders is de kinderrechter van oordeel dat de GI veel in het werk gesteld heeft om het gedrag en het leven van ouders te veranderen en te stabiliseren, zodat zij in staat zouden zijn een veilige en stabiele opvoedsituatie voor de kinderen te creëren. Dat de ouders niet meewerken aan de hulpverlening en hun afspraken keer op keer niet nakomen, maakt dat het voor rekening en risico van de ouders komt dat niet zichtbaar is dat hun situatie verbeterd is ten opzichte van eerst. Ook de kinderrechter acht het in de huidige situatie niet waarschijnlijk dat ouders binnen afzienbare termijn de kinderen een veilige en stabiele opvoedsituatie kunnen bieden. De kinderrechter heeft de ouders voorgehouden dat de tijd dringt om te laten zien dat hun situatie is veranderd; daarvoor is nodig dat ouders meewerken aan hulpverlening, hun afspraken nakomen en hun ouderlijke verantwoordelijkheid nemen. De GI heeft dit gesprek reeds meerdere malen met ouders gevoerd. Al het voorgaande maakt dat de gronden voor een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van beide kinderen nog onverkort aanwezig zijn. De kinderrechter onderstreept de doelen van de ondertoezichtstelling, waarbij de focus meer zal komen te liggen op stabiliteit, duidelijkheid en rust voor de kinderen zodat zij zich naar vermogen zullen kunnen ontwikkelen. De kinderrechter acht het verder van belang dat de GI nogmaals een duidelijk gesprek aangaat met de ouders; wat van ouders verwacht wordt als het gaat om hun ouderlijke verantwoordelijkheid en op welke gebieden veranderingen en verbeteringen moeten optreden. Ter zitting was zichtbaar en voelbaar dat ouders de kinderen missen, de tijd dringt echter voor ouders om te laten zien dat zij intrinsiek gemotiveerd zijn om hun huidige situatie te veranderen mede gelet op de omstandigheid dat het perspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] binnen afzienbare termijn zal worden bepaald.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat in het verleden is gebleken dat de ouders onvoldoende hieraan hun medewerking verlenen.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige 2] heeft aangegeven het naar zijn zin te hebben in het gezinshuis en gevraagd of hij hier mag opgroeien tot volwassenheid. [minderjarige 1] wil het liefst bij zijn ouders wonen en ervoor zorgen dat zijn ouders geen alcohol meer drinken door ze in de gaten te houden. De kinderrechter acht het echter noodzakelijk voor beide kinderen dat zij zich in alle rust gaan richten op hun eigen ontwikkeling. Ouders hebben hiermee eveneens alle ruimte om aan de slag te gaan met hun eigen persoonlijke problematieken.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 25 april 2026 tot 25 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 25 april 2026 tot 25 april 2027 en van [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 25 april 2026 tot 25 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 door mr. Van de Kraats, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Mandemakers als griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.