RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446617 / JE RK 26-547
Datum uitspraak: 20 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,
locatie Middelburg,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2017 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2020 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. M.S. Krol uit Rotterdam,
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met mr. N. Schiettekatte, waarnemend advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
een vertegenwoordigster van de GI;
de vader.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
Bij beschikking van 30 juli 2020 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling [jeugdzorginstelling] met ingang van 30 juli 2020 en tot 30 juli 2021.
Bij beschikking van 10 februari 2026 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 10 februari 2026 en tot 24 februari 2026. Tevens is voor diezelfde periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend. Dit betreft een brede machtiging, te weten voor het verblijf van de kinderen bij de vader zonder gezag dan wel voor een plaatsing in een (netwerk)pleeggezin. Het resterende deel van de verzoeken is aangehouden.
Bij beschikking van 23 februari 2026 is het resterende deel van de verzoeken toegewezen en zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld met ingang van 24 februari 2026 tot 10 mei 2026 en is ook voor deze periode een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verleend.
Op grond van deze machtiging verblijven [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de vader.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad concludeert dat er sinds de start van de voorlopige ondertoezichtstelling weinig is veranderd. Door de hevige weerstand die de kinderen laten zien ten aanzien van de moeder vindt er tussen hen nog geen contact plaats. Tijdens het onderzoek is gebleken dat de vader afspraken niet is nagekomen, waardoor het afleggen van een huisbezoek voor de Raad niet mogelijk was. De vader is druk met zijn werk, waardoor de dagelijkse zorg voor de kinderen grotendeels rust op de schouders van oma, die aangeeft dat dit haar zwaar valt. Het is dan ook belangrijk dat goed gekeken gaat worden hoe de vader meer zijn verantwoordelijkheid kan nemen en hoe dit kan worden vormgegeven in combinatie met zijn werk. De Raad vindt het fijn om (op de zitting) te horen dat de vader zich hiervoor inspant en dat hij het inmiddels zo heeft kunnen regelen met zijn werk dat hij in ieder geval de kinderen zelf naar school kan brengen. De Raad moet helaas concluderen dat de zorgen onverminderd aanwezig zijn, nu er in de afgelopen periode nauwelijks meer zicht is verkregen. De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt nog steeds ernstig bedreigd. De kinderen zijn lange tijd getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Zij zijn belast met de relatieproblemen en de escalaties tussen de ouders. Daarnaast zijn er ernstige zorgen over de basiszorg van de kinderen in de thuissituatie bij de moeder en de weerstand die de kinderen ten aanzien van haar laten zien en waarvan de oorzaak nog niet precies duidelijk is. De Raad ziet op dit moment geen mogelijkheden om binnen een vrijwillig kader verder te gaan. De ouders zijn niet in staat om zelfstandig of met de inzet van vrijwillige hulpverlening de gestelde zorgen weg te nemen. Een ondertoezichtstelling is volgens de Raad noodzakelijk om de ouders daarin te sturen, te kunnen borgen dat ouders gaan werken aan de geformuleerde doelen en om helderheid te verkrijgen over waar de kinderen verder moeten opgroeien. Omdat het zicht vooralsnog ontbreekt en nog niet duidelijk is of de vader op de langere termijn kan bieden wat de kinderen in hun ontwikkeling nodig hebben, lijkt de Raad het aangewezen dat een bredere machtiging wordt verleend. Het verzoek wordt daarom als zodanig gewijzigd en naast de verzochte machtiging ten aanzien van de plaatsing bij vader vermeerderd met een machtiging die ziet op een plaatsing in een pleeggezin. Als blijkt dat de opvoedsituatie van de vader niet voldoende aansluit bij de ontwikkelingsbehoeften van de kinderen, dan heeft de GI de mogelijkheid om een andere plaatsing te realiseren. De Raad handhaaft verder de verzoeken zoals die zijn gedaan, ook voor wat betreft de termijn. Volgens de Raad verlangt het belang van de kinderen dat er binnen zes maanden duidelijkheid komt over het perspectief van de kinderen.
De moeder betreurt dat de situatie ongewijzigd is gebleven ten opzichte van een aantal maanden geleden. De moeder heeft nog altijd haar kinderen niet gezien en zij mist hen ontzettend. Vanwege de weerstand die de kinderen laten zien jegens de moeder en het ontbreken van contact, begrijpt zij dat een thuisplaatsing nu nog niet aan de orde kan zijn. Ondanks dat de moeder veel zorgen heeft over de situatie van de kinderen bij vader, wil zij dat de kinderen op dit moment bij hem blijven. Zij wil absoluut niet dat de kinderen in een pleeggezin geplaatst worden. Zij kan zich er dan ook niet vinden dat de Raad zijn verzoek op dit punt wijzigt. Ten aanzien van de plaatsing van de kinderen bij vader refereert de moeder zich aan het oordeel van de kinderrechter, ten aanzien van de ondertoezichtstelling voert zij geen verweer. De moeder vindt het belangrijk dat de komende periode het perspectief van de kinderen duidelijk wordt. De moeder werkt mee aan alles wat hiervoor nodig wordt geacht. Zo ondergaat zij geregeld een alcoholtest en heeft zij een eerste stap gezet in het contact met de kinderen door hen een kaartje met een hangertje te sturen. De moeder zou graag een terugkoppeling ontvangen over hoe de kinderen hierop hebben gereageerd. De moeder vindt het ook belangrijk dat er niet alleen naar de situatie van de vader wordt gekeken, maar ook naar haar situatie. Het uitgangspunt bij een uithuisplaatsing is immers dat toegewerkt wordt naar een terugplaatsing. Voorkomen moet worden dat er over een aantal maanden nog geen duidelijkheid is verkregen. Daarbij vraagt de moeder zich af hoe het perspectief bepaald kan worden als er geen contact tussen de moeder en de kinderen is. De moeder wil een eerlijke kans om de zorgen die er over de opvoedingssituatie bij haar naar voren worden gebracht, te kunnen weerleggen en om te laten zien dat zij wel degelijk in staat is om voor de kinderen te zorgen.
De vader doet erg zijn best om de kinderen te bieden wat zij nodig hebben. Hij vindt het dan ook erg lastig om te horen dat hij te kort schiet, terwijl hij weet dat het niet zo is. De hulpverlening mag elke dag langskomen om dit zelf te kunnen vaststellen. De vader heeft het inmiddels zo kunnen regelen met zijn werkgever dat hij de kinderen elke dag zelf naar school kan brengen. Op deze manier wordt oma ontlast. De vader merkt dat het steeds beter gaat met de kinderen. De vader hoopt dat het goed gaat met de moeder en dat contact met de kinderen voor haar mogelijk wordt. Aan hem zal het in ieder geval niet liggen. Hij zal dit contact niet tegenhouden.
De GI heeft zich in de afgelopen periode vooral ingezet op het verkrijgen van zicht. Gezien wordt dat oma veel bijspringt in de opvoeding en verzorging van de kinderen, maar ook dat vader zich inspant om de zorg van haar over te nemen door bijvoorbeeld de kinderen zelf naar school te brengen. De kinderen laten nog steeds veel weerstand zien ten aanzien van het contact met de moeder. Het is heel belangrijk dat hun tempo hierin gevolgd wordt. Hierbij lijkt het erop dat [minderjarige 2] [minderjarige 1] daarin volgt. De GI zal de door de kinderrechter geopperde inzet van een NICD-interview om zicht te krijgen op de oorzaak van deze weerstand en de met name door [minderjarige 1] gedane uitspraken over mishandeling door de moeder zeker voor de komende periode overwegen. De GI constateert dat de kinderen het fijn hebben bij de vader. De school valt het op dat de kinderen tot ontwikkeling komen en er zijn geen actuele zorgen over de (opvoedingssituatie bij de) vader. Daarbij is er genoeg hulpverlening betrokken om te ondersteunen. Voor nu vindt de GI het dan ook prima om dit verblijf van de kinderen zo voort te zetten. Of dit passend is voor de langere termijn, daar kan de GI nu nog geen uitspraak over doen. In de komende periode moet hier meer duidelijkheid over komen. Als blijkt dat een andere setting meer passend is voor de kinderen en een andere machtiging nodig is, kan de GI een nieuw verzoek hiervoor indienen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Het hiertoe strekkende verzoek zal worden toegewezen voor de duur van een jaar. Tevens is in het belang van de verzorging en opvoeding van de kinderen voortzetting van het verblijf van de kinderen bij de vader noodzakelijk. Dit verzoek zal onder aanhouding van het resterende deel worden toegewezen voor de duur van drie maanden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij tot deze beslissing komt.
De kinderrechter concludeert dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd, omdat zij langdurig getuige zijn geweest van huiselijk geweld tussen de ouders en er zorgen zijn over de opvoedsituatie van de moeder, waarbij het de kinderen - mogelijk (mede) door de persoonlijke problematiek van de moeder - structureel aan rust en emotionele veiligheid heeft ontbroken. Daarnaast zijn er zorgen over de belasting van de kinderen door de moeder en het ontbreken van voldoende basiszorg in de thuissituatie bij de moeder en over de communicatie tussen de ouders. Al deze zorgen hebben er eerder toe geleid dat de kinderen voorlopig onder toezicht zijn gesteld en met een daartoe strekkende machtiging bij de vader verblijven, ondanks dat er over zijn opvoedsituatie ook de nodige zorgen zijn. De kinderrechter moet helaas vaststellen dat er tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende zicht is verkregen op de opvoedsituaties van beide ouders, waardoor de zorgen onvoldoende tot niet zijn weggenomen en de ontwikkelingsbedreigingen onverminderd aanwezig zijn. Ten aanzien van de situatie van de vader is in de afgelopen periode wat meer zicht verkregen, waardoor de zorgen aan zijn zijde deels zijn weggenomen. Het is belangrijk dat er ook zicht komt op de opvoedsituatie en -mogelijkheden van de moeder. Hierbij is echter de weerstand van de kinderen jegens de moeder een complicerende factor. Het is dus belangrijk dat de GI in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken blijft, om ervoor te zorgen dat er beslissingen in het belang van de kinderen genomen worden en de regie gevoerd wordt over de stappen die gezet moeten worden om aan de door de Raad geformuleerde doelen te werken. Zo dient er (verder) zicht te komen op de opvoedsituatie van zowel de vader als de moeder, dienen de mogelijkheden om contact tussen de moeder en de kinderen tot stand te brengen te worden onderzocht (waarbij er zo mogelijk zicht komt op de oorzaak van de weerstand van de kinderen tegen contact met de moeder) en dient er duidelijkheid te komen omtrent het perspectief van de kinderen. Deze doelen zijn complex en vergen tijd. De kinderrechter komt daarom tot de beslissing om de ondertoezichtstelling uit te spreken voor de duur van twaalf maanden. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. De kinderrechter zal gezien het verweer van de moeder de door de Raad verzochte vermeerdering van het verzoek om een brede machtiging te verlenen niet toestaan. Op dit moment zijn er geen acute zorgen over het verblijf van de kinderen bij de vader. De kinderrechter acht in het belang van de kinderen dat zij, zolang er geen duidelijkheid is over hun perspectief, bij hun vader kunnen blijven. Gezien het verloop in de afgelopen periode heeft de kinderrechter er wel behoefte aan om een vinger aan de pols te houden door de ontwikkelingen op te volgen. Zij zal dan ook de machtiging verlenen voor een kortere periode, te weten drie maanden, onder aanhouding van het hiertoe strekkende restantverzoek. De kinderrechter vindt het belangrijk om tijdens een nadere zitting te bespreken wat de stand van zaken is en of er inmiddels zicht is verkregen op de weerstand van de kinderen en de mogelijkheden tot contactherstel met de moeder. Daarbij wordt van de GI verwacht dat zij nadere informatie zal opvragen bij de huisarts van de moeder, nu de moeder hiervoor haar toestemming heeft gegeven en dat zij uiterlijk een week voorafgaand aan de volgende zitting de kinderrechter een schriftelijk update geeft over de alsdan bereikte resultaten.
De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat binnen de ondertoezichtstelling gewerkt dient te worden aan de doelen zoals opgenomen in het raadsrapport, te weten:
Goed Genoeg Ouderschap wordt in kaart gebracht.
De (on)mogelijkheden van de ouders worden in kaart gebracht, alsook de opvoedbehoeftes van de kinderen.
De kinderen ontvangen individuele hulpverlening.
De kinderen hebben op een veilige en voor hun passende manier, op hun tempo, contact met beide ouders.
Er is ondersteuning voor oma vaderszijde.
De ouders communiceren op een rustige, voorspelbare en voor de kinderen veilige manier met elkaar over de kinderen.
De kinderrechter voegt als doel hieraan toe:
- Er is zicht op de weerstand van de kinderen ten aanzien van het contact met de moeder en waar dit vandaan komt.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met ingang van 20 april 2026 en tot 20 april 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de andere ouder zonder gezag, te weten de vader, met ingang van 20 april 2026 en tot 20 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing aan tot de zitting van [datum] 2026 te [uur], ten overstaan van mr. Van de Merbel voor de duur van 45 minuten;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor de moeder en haar advocaat, de Raad en de GI;
bepaalt dat de vader voor de volgende zitting als informant zal worden uitgenodigd en dat [minderjarige 1] in de gelegenheid wordt gesteld om haar mening te geven;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 13 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.