RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446907 / JE RK 26-612
Datum uitspraak: 20 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING EN RECLASSERING, hierna te noemen de GI,
gevestigd te Eindhoven,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2023 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Wouters te Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
ingeschreven op een briefadres te [plaats] ,
advocaat: mr. C.E.J.E. Kouijzer te Middelburg.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter d.d. 9 april 2026 en de daarin vermelde stukken;
het bericht van mr. Wouters d.d. 15 april 2026 met bijlage.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met mr. R. Wouters, waarnemend advocaat;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
Beide ouders zijn ter zitting bijgestaan door een tolk in de Poolse taal. Met bijzondere toestemming van de kinderrechter was tevens aanwezig mevrouw [persoon] , werkzaam bij [gezinshuis] .
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 26 september 2023 is (de toen nog ongeboren) [minderjarige] onder
toezicht gesteld van de GI met ingang van 26 september 2023 en tot 26 september 2024.
Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 9 december 2026.
Bij beschikking van 9 april 2026 heeft de kinderrechter zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 9 april 2026 en tot 23 april 2026, onder aanhouding van het resterende deel van de hiertoe strekkende verzoeken van de GI.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een
voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van vier weken, zonder voorafgaand
verhoor van de belanghebbenden. Daarnaast verzoekt de GI om aansluitend een machtiging
tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Bovendien verzoekt de GI om de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 9 april 2026 reeds deels beslist op de voornoemde verzoeken van de GI. Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die maken dat de reeds verleende (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing met ingang van heden moet worden herroepen, alsmede het resterende deel van het verzoek voor de periode van 23 april 2026 en tot 9 december 2026.
4. De standpunten
De GI maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] in de situatie bij de moeder. De moeder woont met [minderjarige] sinds juli 2025, na een verblijf in het moeder-kindhuis [gezinshuis] , met ambulante begeleiding van [gezinshuis] in een eigen woning. Binnen drie weken na de verhuizing naar die woning heeft er in het bijzijn van [minderjarige] een geweldsincident plaatsgevonden tussen ouders, waarbij de vader de moeder heeft mishandeld. Tijdens de ondertoezichtstelling is reeds meermaals gebleken dat ouders zich niet houden aan de veiligheidsafspraken - die onder meer inhouden dat er geen contact mag zijn tussen de ouders vanwege geweldsincidenten- ondanks de gegeven (laatste) waarschuwingen en het geven van een schriftelijke aanwijzing. Vanuit de hulpverlening werden geen grote zorgen gezien over de opvoedsituatie van de moeder toen de vader niet in beeld was vanwege zijn detentie. Sinds de vader medio maart 2026 uit detentie is gekomen, nemen de zorgen echter toe omdat de moeder ondanks de gemaakte afspraken weer contact heeft met de vader, in het bijzijn van [minderjarige] . Tijdens een onverwachts huisbezoek bij moeder op 8 april 2026 heeft de hulpverlening geconstateerd dat de vader zich in de woning van de moeder had verstopt onder een deken op het balkon. De vader rook, ondanks dat hij zelf heeft aangegeven gedurende zijn detentie zelfstandig afgekickt te zijn, naar alcohol, uitte dreigementen en is door de politie verwijderd. Uit de camerabeelden van later die dag blijkt dat de vader opnieuw de woning is binnengetreden en dat hij een sleutel had. Vervolgens wordt ook duidelijk dat de dag ervoor een incident heeft plaatsgevonden tussen de vader en de broer van [minderjarige] , [broer] , waarbij [broer] bier heeft gekregen van vader en hij is mishandeld door vader en een vriend van hem. De moeder was op de hoogte van dit incident, maar heeft dit verzwegen voor de GI. Er zijn sterke vermoedens dat de ouders elkaar vaker opzoeken, maar ouders zijn hier niet open over. De GI concludeert dat de moeder haar relatie met vader boven het belang van haar kinderen stelt. Zij is onvoldoende in staat weerstand te bieden aan de vader, die met regelmaat onvoorspelbaar en onveilig gedrag vertoont. Moeder is naar eigen zeggen verslaafd aan vader. Er is daardoor een groot risico op herhaling, in die zin dat zij opnieuw het contact aangaat met de vader in het bijzijn van [minderjarige] , en dat zij daarmee [minderjarige] in onveilige situaties brengt. Het lukt ouders niet om dit patroon te doorbreken. De GI heeft daarom de spoedmachtiging verzocht. Ook het resterende deel ten aanzien van de uithuisplaatsing van [minderjarige] wordt gehandhaafd. De ouders dienen eerst hulpverlening te aanvaarden om te werken aan hun eigen problematiek. De moeder dient ondersteund te worden vanuit het GIA-team zodat de veiligheidsrisico’s in kaart kunnen worden gebracht en direct gehandeld kan worden bij onveiligheid. Maar niet alleen de moeder moet stappen zetten. Bij de vader wordt ook echt een verantwoordelijkheid gezien. Hij dient te werken aan zijn hardnekkige alcoholproblematiek en het gedrag dat hij laat zien. De GI heeft opnieuw een onderzoek door De Gezinsmanager aangevraagd. Dit onderzoek heeft eerder plaatsgevonden ten aanzien van de broer en zus van [minderjarige] . Zij is vanwege haar jonge leeftijd destijds hierin niet meegenomen. Middels dat onderzoek wil de GI duidelijkheid verkrijgen ten aanzien van de hechting en het perspectief van [minderjarige] . Tot slot merkt de GI op dat het goed gaat met [minderjarige] in het pleeggezin. Vorige week hebben [minderjarige] en de moeder een eerste contactmoment met elkaar gehad. Dit was voor beiden fijn.
De moeder beseft dat zij verkeerd heeft gehandeld door de vader binnen te laten in haar woning, maar vindt ook dat zij hiervoor behoorlijk wordt gestraft. Er zijn geen twijfels over de opvoedvaardigheden van de moeder. De moeder woont inmiddels zelfstandig. Deze stap naar zelfstandig wonen zou niet gemaakt zijn als destijds de situatie niet als voldoende veilig voor [minderjarige] werd beoordeeld. Het probleem zit in haar contact met de vader. Het incident op 8 april jl. heeft de ogen van de moeder echter geopend. Zij wil absoluut geen contact meer met de vader, nu zij door zijn toedoen [minderjarige] is kwijtgeraakt. De moeder staat open voor hulpverlening. Zij wil werken aan haar situatie vanuit een verblijf bij [gezinshuis] , waar zij opnieuw terecht kan. De therapie die zij geboden krijgt van de psycholoog kan geïntensiveerd worden, zodat zij kan leren om los te komen van de vader. De moeder wil een laatste kans om te laten zien dat zij dit kan. Door de begeleiding vanuit [gezinshuis] wordt de moeder hierin gesteund. De situatie is daar voldoende veilig voor [minderjarige] . De moeder weet dat het lastig is om bepaalde garanties te geven. Het enige wat zij kan doen is de kinderrechter haar woord geven en beloven te gaan werken aan zichzelf. Zolang de moeder bij [gezinshuis] verblijft, is de veiligheid van [minderjarige] geborgd. [minderjarige] kan per direct terugkeren naar moeder. Het resterende deel van het verzoek dient te worden afgewezen.
De vader vindt dat de spoedbeslissing van 9 april 2026 in stand kan blijven, het resterende deel van het verzoek moet worden afgewezen. [minderjarige] hoort bij haar moeder. De moeder is een liefdevolle moeder en heeft een warme band met [minderjarige] . De moeder zegt toe de noodzakelijke hulpverlening te aanvaarden. De vader beseft dat het probleem bij hem ligt, bij zijn hardnekkige alcoholverslaving, alsook dat hij hier hulp bij nodig heeft. Inmiddels staat de vader hiervoor op de wachtlijst bij [accommodatie] . De vader vindt het prima als de kinderrechter hem een contactverbod oplegt. De vader zal de veiligheidsafspraken strikt nakomen, want hij weet dat hij weer vast komt te zitten zodra hij zich hier niet aan houdt. De vader garandeert dat hij de moeder en [minderjarige] buiten de bezoekmomenten om niet zal opzoeken. Het is belangrijk dat [minderjarige] bij haar moeder kan opgroeien. De veiligheid van [minderjarige] bij de moeder in [gezinshuis] is gewaarborgd. De vader benadrukt dat de situatie nu anders is, dan de ouders tijdens voorgaande zittingen hebben laten blijken. Beide ouders zijn namelijk tot het besef gekomen dat de situatie moet veranderen en zijn bereid hulpverlening te aanvaarden.
5. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De kinderrechter constateert dat de ouders en [minderjarige] de Poolse nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of haar in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.
Op grond van artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de
ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied
waarvan de minderjarige de gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het
gerecht aanhangig wordt gemaakt.
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse kinderrechter rechtsmacht toe en zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 het Nederlands recht op het verzoek worden toegepast.
Inhoudelijke beoordeling
Bij beschikking van 9 april 2026 heeft de kinderrechter een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend voor de duur van twee weken zonder voorafgaand verhoor van de belanghebbenden en iedere verdere beslissing aangehouden. De GI en de belanghebbenden zijn tijdens de mondelinge behandeling op 20 april 2026 in de gelegenheid gesteld te worden gehoord. De kinderrechter dient in eerste plaats te beoordelen of er feiten dan wel omstandigheden naar voren zijn gekomen die maken dat de spoedbeslissing van 9 april 2026 zou moeten worden herroepen. De kinderrechter heeft vastgesteld dat hiervan geen sprake is. Dat betekent dat de spoedbeslissing niet wordt herroepen.
Het resterende deel van de verzochte spoedmachtiging zal de kinderrechter afwijzen, nu een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt en het verzoek voor het overige kan worden beoordeeld. Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] langer noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. De kinderrechter heeft hier goed over nagedacht en zal uitleggen waarom zij tot het voornoemde oordeel komt.
De kinderrechter heeft veel zorgen over de situatie. Het contact tussen ouders heeft in de afgelopen jaren meermaals geleid tot fysieke escalaties, waarbij ook de veiligheid van [minderjarige] in het geding is gekomen. In dit kader zijn er door de GI concrete veiligheidsafspraken opgesteld, onder meer dat ouders geen contact met elkaar mogen hebben en dat de moeder haar adres niet deelt met de vader. De kinderrechter vindt met de GI die afspraken dringend nodig, omdat de moeder heeft laten zien dat zij onvoldoende weerstand kan bieden aan de vader, die kampt met een hardnekkige alcoholverslaving waardoor hij onvoorspelbaar is in dit contact. De ouders hebben de afspraken met voeten getreden. De moeder heeft haar adres aan de vader bekend gemaakt, zij hebben meermaals contact met elkaar gehad en beide ouders zijn in de afgelopen periode niet open geweest over het contact dat zij met elkaar hebben (gehad). Beide ouders geven nu aan voornemens te zijn om te werken aan hun eigen problematiek, maar naar de kinderrechter begrijpt is dit tot op heden voor de moeder nog maar net gestart (de gesprekken met de psycholoog) of moet zelfs nog starten (de inzet van het GIA team) en voor de vader nog niet van de grond gekomen. Beide ouders hebben hier dan ook nog niet dan wel onvoldoende van kunnen profiteren. De kinderrechter is er dan ook onvoldoende gerust op dat de ouders op dit moment in staat zijn hun gedrag te keren en om de door de GI opgestelde veiligheidsafspraken in het vervolg wél op te volgen. Hoewel beide ouders aangeven te beseffen dat het anders moet en goede intenties uitspreken is het risico op onveiligheid te groot wanneer [minderjarige] bij de moeder verblijft. Ondanks deze beloftes hebben de ouders zich in de afgelopen periode namelijk meermaals niet aan de afspraken gehouden en is het ze niet gelukt bestaande patronen te doorbreken. Ook in de periode dat de moeder bij [gezinshuis] verbleef hebben de ouders zich niet aan de veiligheidsafspraken gehouden. Daarbij komt dat de ouders in de procedure ten aanzien van uithuisplaatsing van de broer en zus van [minderjarige] dezelfde intenties hebben uitgesproken naar de kinderrechter, waardoor de kinderrechter gelet op de incidenten die daarna hebben plaatsgevonden niet ervan overtuigd is dat ouders uit contact met elkaar blijven en [minderjarige] nu wel veilig is bij de moeder. Te meer omdat gebleken is dat de moeder aan de GI naar aanleiding van het recente incident wisselende verhalen heeft verteld en klaarblijkelijk moeite heeft om eerlijk te zijn en de waarheid te vertellen. De kinderrechter acht in het belang van [minderjarige] dat ouders eerst gaan laten zien dat zij hulpverlening aanvaarden, gaan werken aan hun eigen problematiek en dat zij daadwerkelijk van die hupverlening gaan profiteren. De kinderrechter verwacht van de vader dat hij hulp gaat zoeken voor zijn alcoholverslaving en laat zien zich voor die hulp volledig in te zetten zodat hij abstinent kan blijven van alcohol. Van moeder wordt verwacht dat zij de hulp van de psycholoog voortzet en hulp van het GIA-team aanvaardt. Naar het oordeel van de kinderrechter heeft zij dit nodig om zodoende haar weerbaarheid jegens vader te vergroten. Daarbij is het ook belangrijk dat de moeder de ambulante hulpverlening vanuit [gezinshuis] blijft accepteren en dat de ouders zich alsnog gaan houden aan de gemaakte veiligheidsafspraken. Zicht op het verloop van de voornoemde hulpverlening heeft de kinderrechter nodig om te kunnen beoordelen of [minderjarige] op een veilige manier kan terugkeren bij de moeder. Tot die tijd vindt het kinderrechter het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat zij in het pleeggezin verblijft. De kinderrechter zal de hiertoe strekkende machtiging verlengen voor een beperkte duur van drie maanden, onder aanhouding van het restantverzoek, om zodoende ouders de kans te geven de voornoemde noodzakelijke stappen te gaan zetten.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijst af het resterende deel ten aanzien van de spoedmachtiging;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 april 2026 en tot 23 juli 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het verzoek aan tot de zitting van [datum] 2026 te [uur], ten overstaan van mr. Van de Merbel voor de duur van 45 minuten;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping voor die zitting voor beide ouders en hun advocaten en de GI;
behoudt zich verder iedere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 door mr. Van de Merbel, kinderrechter, in aanwezigheid van Bakker-Maljers als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.