RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaakgegevens: C/02/446457 / KG ZA 26-158
Datum uitspraak: 20 april 2026
Vonnis in kort geding over de voorlopige toevertrouwing en de voorlopige zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw]
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat: mr. S. Acikgoz te Amsterdam,
tegen
[de man]
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat: mr. N.A. Boelhouwer te Tilburg,
over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2019 te [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ;
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2021 te [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] ,
hierna gezamenlijk ook te noemen: de minderjarigen.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna te noemen de Raad, de voorzieningenrechter over de vorderingen geadviseerd.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de op 2 april 2026 betekende dagvaarding met producties;
- de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, ontvangen op 9 april 2026.
Op 10 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarigen en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.
Tijdens de zitting zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast was een vertegenwoordigster van de Raad aanwezig om de voorzieningenrechter over de vorderingen te adviseren.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn geboren.
De man heeft de minderjarigen erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.
Bij vonnis van de voorzieningenrechter in deze rechtbank van 22 december 2025 is, voor zover thans van belang, een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen partijen over de minderjarigen bepaald, inhoudende dat beide kinderen een keer per twee weken van maandag na de buitenschoolse opvang tot en met donderdagochtend voor school en aansluitend steeds een weekend bij de man verblijven van vrijdag 18.30 uur tot en met zondag 18.30 uur.
De minderjarigen verblijven op basis van voormelde voorlopige regeling afwisselend bij de man en de vrouw in de echtelijke woning.
Op 19 januari 2026 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/02/444252 FA RK 26-348) strekkende tot vaststelling van het hoofdverblijf van de minderjarigen, vaststelling van een zorgregeling, het verkrijgen van vervangende toestemming voor een verhuizing naar [plaats] en de inschrijving van de minderjarigen op een basisschool. Subsidiair is namens de vrouw verzocht om een raadsonderzoek te gelasten.
3. Het geschil in conventie en in reconventie
De vrouw vordert in conventie, bij vonnis in kort geding, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad dat:
I. de minderjarigen (naar de rechtbank begrijpt: voorlopig)aan de vrouw worden toevertrouwd;
II. te bepalen dat het contact tussen de man en de minderjarigen zal plaatsvinden eenmaal per twee weken, op een vrijdag of zaterdag, onder toezicht van de vrouw én de grootmoeder (vaderszijde);
III. te bepalen dat de man zich voorafgaand aan en tijdens de omgangsmomenten onthoudt van het gebruik van alcohol en niet onder invloed verkeert;
IV. te bepalen dat de man de minderjarigen niet zelfstandig ophaalt van school of de buitenschoolse opvang.
Door en namens de vrouw is daartoe in de stukken en tijdens de zitting, kort samengevat, het navolgende aangevoerd. De door de voorzieningenrechter vastgestelde voorlopige zorgregeling is aanvankelijk nageleefd. De afgelopen maanden is er echter sprake van een structureel patroon van zorgwekkend gedrag aan de zijde van de man. Er is sprake van een acuut en reëel veiligheidsrisico voor de minderjarigen, waardoor van de vrouw in redelijkheid niet kan worden verlangd dat zij de huidige zorgregeling onverkort blijft naleven. De man heeft, in tegenstelling tot het uitgangspunt in het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter, herhaaldelijk alcohol genuttigd en onder invloed verkeerd tijdens de contactmomenten met de minderjarigen. Tijdens de zorgtijd is de man veelvuldig in slaap gevallen, was hij niet bereikbaar voor de vrouw op de afgesproken momenten en in de woning heeft de vrouw sporen van alcoholgebruik aangetroffen. De situatie is sinds maart 2026 verder geëscaleerd, waarbij zich verschillende incidenten hebben voorgedaan. De man is samen met de minderjarigen met de fatbike gevallen, waarbij de man naar alcohol rook én de man is in slaapgevallen waarna [minderjarige 1] hulp heeft moeten inschakelen bij de buren. De hulpdiensten zijn ingeschakeld en hebben bevestigd dat de man naar alcohol rook en er zijn flessen alcohol in de woning aangetroffen. Hiervan zijn Veilig Thuis meldingen gemaakt. Ook heeft [minderjarige 1] aangegeven dat de man [minderjarige 2] hard zou hebben geknepen en op haar wang zou hebben geslagen, hetgeen door [minderjarige 2] is bevestigd. De incidenten hebben zich opgestapeld en tonen een duidelijk patroon van onverantwoordelijkheid, onbereikbaarheid en alcoholgebruik tijdens de zorgmomenten. Naast de alcoholproblematiek van de man, constateert de vrouw dat de verzorging van de minderjarigen tijdens de zorgmomenten bij de man tekortschiet.
De vrouw acht het van groot belang dat de minderjarigen contact blijven houden met de man, maar dit contact moet wel onder duidelijke voorwaarden zijn, teneinde de veiligheid en het welzijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te waarborgen. De vrouw wenst daarbij dat het contact wordt begeleid door de grootmoeder (vaderszijde) én de vrouw dan wel een professionele instantie. Wanneer de man blaastesten aflegt voorafgaand aan en na afloop van het contactmoment, kan de vrouw instemmen met enkel de begeleiding van de grootmoeder (vaderszijde). De vrouw wil niet dat de man de minderjarigen zelfstandig van de BSO of van school haalt. Ook wenst de vrouw duidelijkheid over wat voor behandeling de man zal volgen voor de alcoholproblematiek. De man heeft eerder ook hulp gezocht, maar dit heeft toen geen doorgang gevonden.
De man voert verweer tegen de vordering in conventie van de vrouw ten aanzien van de voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen en concludeert tot afwijzing van die vordering. In reconventie vordert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de minderjarigen in de oneven weekenden omgang hebben met de man in de woning van grootmoeder (vaderszijde) en in aanwezigheid van grootmoeder (vaderszijde) van zaterdag 14:00 uur tot zondag 14:00 uur, dan wel een regeling als de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
Ter onderbouwing van zijn verweer en vordering in reconventie voert de man, kort samengevat, het navolgende aan. Hoewel de man een andere visie heeft over hetgeen er is gebeurd, realiseert de man zich dat de uitvoering van de door de voorzieningenrechter vastgelegde voorlopige zorgregeling niet goed is verlopen en hij voelt zich daar schuldig over ten opzichte van de minderjarigen. De man erkent dat er bij hem sprake is van alcoholproblematiek. Sinds 22 maart 2026 heeft de man de minderjarigen niet meer gezien. Hij verblijft bij grootmoeder (vaderszijde) en de vrouw verblijft met de minderjarigen in de echtelijke woning. De man stemt in met de voorlopige toevertrouwing van de minderjarigen aan de vrouw. De man is ermee akkoord dat de vrouw de zorg voor de minderjarigen de komende periode op zich zal nemen, in ieder geval totdat het beter gaat met de mentale gezondheid van de man. De man zal de zondag na de zitting voor de duur van twee weken worden opgenomen bij [kliniek 1] . Vervolgens zal de man een nazorgtraject volgen bij [kliniek 2] . De man is bereid om er alles aan te doen om in het belang van de minderjarigen tot verbetering van zijn problematiek te komen, teneinde weer zelfstandig voor de minderjarigen te kunnen zorgen. De man zal de vrouw op de hoogte houden van het verloop van dit behandeltraject. De man hoopt zo snel mogelijk weer uitvoering te kunnen geven aan de co-ouderschapsregeling, maar hij begrijp ook dat daarvoor behandeling eerst noodzakelijk is.
De door de vrouw voorgestelde regeling vindt de man echter te summier en de aanwezigheid van de vrouw tijdens de contactmomenten zal zorgen voor veel spanning. De man stelt daarom voor dat hij met ingang van een week na afronding van de klinische opname, om de week, in de woning van grootmoeder (vaderszijde) van zaterdagmiddag 14:00 uur tot en met zondagmiddag 14:00 uur contact heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De grootmoeder (vaderszijde) is in die weekenden vrij en beschikbaar om de contactmomenten te begeleiden. De grootmoeder (vaderszijde) beschikt over een auto en kan de minderjarigen (samen met de man) ophalen voor de contactmomenten. Naar verwachting is het voor de grootmoeder wel te veel om de minderjarigen twee dagen op te halen en terug te brengen. De man is het ermee eens dat hij geen alcohol mag gebruiken wanneer de minderjarigen bij hem zijn. De man is bereid om voorafgaand aan en na afloop van de contactmomenten een blaastest af te leggen. Wanneer de blaastest indiceert dat de man alcohol heeft genuttigd, zal het contactmoment niet doorgaan. Ook kan de man ermee instemmen dat hij de minderjarigen niet zelfstandig van de school of de BSO zal ophalen. Dit deed de man eerder ook niet zonder overleg.
Op de overige stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.
4. De beoordeling in conventie en in reconventie
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
Vanwege de nauwe samenhang tussen de vorderingen in conventie en reconventie, zullen deze vorderingen gezamenlijk worden behandeld.
De eerste vraag die de voorzieningenrechter heeft te beantwoorden, is of partijen een voldoende spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen in conventie en reconventie (artikel 254 Rv). Gelet op de recente toename van de zorgen over de alcoholproblematiek van de man, het stagneren van de uitvoering van de door de voorzieningenrechter vastgelegde voorlopige zorgregeling en met het oog op de overeenstemming die partijen in deze procedure hebben bereikt, zal de voorzieningenrechter aannemen dat partijen een voldoende spoedeisend belang bij hun vorderingen in conventie en reconventie hebben.
De Raad heeft tijdens de zitting, samengevat, onder meer het volgende aangegeven. De Raad adviseert om het contact tussen de man en de minderjarigen om de week op zaterdag en op zondag (als twee losse dagen) te laten plaatsvinden in het weekend dat de grootmoeder (vaderszijde) vrij is, waarbij de man voorafgaand aan en na afloop van de contactmomenten een blaastest aflegt. Dit is het meest passend. Een dag in de twee weken is namelijk zeer summier en een overnachting is voor nu, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , niet in hun belang. De mogelijkheid hiertoe kan weer worden bezien, wanneer de man onder behandeling is en hulpverlening hem daarbij kan ondersteunen. Het stemt de Raad daarbij positief dat beide ouders laten zien dat zij bereid zijn om naar elkaar toe te bewegen.
Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft bij vonnis van 22 december 2025 een voorlopige zorg- en contactregeling tussen de man en de minderjarigen bepaald. Partijen dienen voormelde zorgregeling tussen de man en de minderjarigen dan ook in beginsel na te komen, tenzij er sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die maken dat de nakoming niet langer van (één van) hen kan worden gevergd. Vaststaat dat tot voor kort door partijen uitvoering werd gegeven aan deze zorgregeling. De zorgen over het contact tussen de man en de minderjarigen, gelegen in de alcoholproblematiek van de man, zijn de laatste periode echter toegenomen. Dit heeft tijdens de uitvoering van deze zorgregeling tot onveilige situaties geleid, waarbij de man niet in staat is gebleken om de zorg voor de minderjarigen te dragen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn in deze zorgen nieuwe feiten en/of omstandigheden gelegen, wat maakt dat de uitvoering van de zorgregeling niet langer in het belang van de minderjarigen moet worden geacht. Met partijen en de Raad ziet de voorzieningenrechter dan ook de noodzaak om (nieuwe) voorlopige afspraken te maken ten aanzien van het contact tussen de man en de minderjarigen.
Partijen zijn op de zitting tot overeenstemming gekomen. Zij zijn het erover eens dat de vrouw voorlopig de zorg voor de minderjarigen op zich zal nemen en dat de minderjarigen voorlopig niet, anders dan zoals hierna wordt overwogen, bij de man kunnen en zullen verblijven. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het in het belang van minderjarigen om hen voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen. De voorzieningenrechter zal de – onweersproken – vordering van de vrouw daartoe dan ook toewijzen.
Waar het gaat om een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over de minderjarigen, zijn partijen tot de volgende voorlopige zorgregeling gekomen tussen de man en de minderjarigen:
de man heeft eens per twee weken in de oneven weken contact met de minderjarigen op zaterdag en op zondag, waarbij de minderjarigen niet bij de man zullen overnachten;
het contact tussen de man en de minderjarigen vindt plaats bij de grootmoeder (vaderszijde) en onder begeleiding van de grootmoeder (vaderszijde) in de weekenden dat de grootmoeder (vaderszijde) vrij is;
de minderjarigen zullen door de grootmoeder (vaderszijde) en de man gezamenlijk op zaterdag worden opgehaald bij de vrouw. De vrouw is bereid om de minderjarigen op de zondag met het openbaar vervoer naar de grootmoeder (vaderszijde) te brengen. De grootmoeder (vaderszijde) zal de minderjarigen (samen met de man) op zowel zaterdag als zondag terugbrengen naar de vrouw;
de man zal voorafgaand en na afloop van het contactmoment een blaastest afleggen. Indien de blaastest aanduidt dat er sprake is van alcoholgebruik zal het contactmoment geen doorgang vinden. Wanneer er op zaterdag sprake is van een positieve blaastest, kan het contactmoment op zondag enkel doorgang vinden indien de blaastest op zondag negatief is. Als de man weet dat de blaastest op zondag opnieuw positief zal zijn, zal hij dit met de vrouw communiceren, zodat de vrouw niet voor niets met de minderjarigen naar de man afreist;
de voorlopige zorgregeling start een week na het afronden van de klinische opname van de man, te weten op zaterdag 9 mei 2026;
acht weken na het ingaan van de voorlopige zorgregeling, zal het verloop van het contact worden geëvalueerd, waarbij zal worden bezien of het contact kan worden uitgebreid met een overnachting. Daarvoor dienen in ieder geval de afgelegde blaastesten negatief te zijn.
Nu partijen het eens zijn over deze voorlopige zorgregeling tussen de man en de minderjarigen en niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich hiertegen verzet, zal de voorzieningenrechter deze regeling als zodanig vastleggen.
Daarnaast zijn de ouders overeengekomen dat de voorzieningenrechter de vordering van de vrouw dat de man de minderjarigen niet zelfstandig ophaalt van school of de buitenschoolse opvang – als onweersproken – toewijzen. Ook deze afspraak zal worden vastgelegd.
Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat het haar positief stemt dat het partijen is gelukt om in het belang van de minderjarigen tot afspraken te komen. Partijen hebben hiermee laten zien dat zij in staat zijn tot een goede manier van communiceren en dat beide ouders daarbij de belangen van de minderjarigen vooropstellen. Hiervoor verdienen partijen een groot compliment. De voorzieningenrechter hoopt dat partijen dit ook in de toekomst zullen voortzetten. Daarbij gaat de voorzieningenrechter ervanuit dat de man, zoals tijdens de zitting door hem is toegezegd, inzicht blijft geven in zijn persoonlijke problematiek, zich inzet voor het aanstaande behandeltraject en duidelijkheid verschaft over het verloop van dit behandeltraject. Dit is van groot belang voor het, op termijn, kunnen herstellen van het vertrouwen van de vrouw in de man.
Gelet op het familierechtelijke karakter van deze procedure en de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
De voorzieningenrechter zal deze beslissing, gelet op de aard daarvan en omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals over en weer door partijen is gevorderd. Dit betekent dat de beslissing per direct van kracht is en door beide partijen moet worden uitgevoerd, ook als daartegen een hoger beroep wordt ingesteld.
Het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing in conventie en in reconventie
De voorzieningenrechter
bepaalt dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig worden toevertrouwd aan de vrouw;
stelt vast, in het kader van de voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de man en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] :
dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 9 mei 2026 om de week in de oneven weken op zaterdag en op zondag bij de man verblijven van 12.00 uur tot 19.00 uur, zonder overnachting en onder begeleiding van de grootmoeder (vaderszijde);
onder de voorwaarde dat de man voorafgaand aan en na afloop van ieder contactmoment een blaastest aflegt, waaruit volgt dat de man geen alcohol heeft genuttigd;
indien de man aan het begin van een dag positief test op alcoholgebruik, gaat het contact moment van die dag niet door. Als de man op zaterdag positief test, laat hij tijdig weten of hij verwacht dat de test op zondag ook positief zal zijn, om te voorkomen dat de vrouw en de kinderen voor niets afreizen;
waarbij de grootmoeder (vaderszijde) (samen met de man) op zaterdag ophaalt en terugbrengt én de vrouw de minderjarigen op zondag wegbrengt en de grootmoeder (vaderszijde) (samen met de man) de minderjarigen terugbrengt,
een en ander met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 4.7 is verwogen;
bepaalt dat de man de minderjarigen niet zelfstandig ophaalt van school of de buitenschoolse opvang;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Tempel, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. Palings, griffier.