Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-094179-25
Parketnummer TUL: 01-222429-22
Tussenvonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1984,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de PI [locatie] ,
raadsvrouw mr. M.A. Stoffijn, advocaat te Waalwijk.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 07 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. J. Verschuren en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 25 maart 2025:
1. heeft gepoogd [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] van het leven te beroven althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;
2. opzettelijk de verkeersregels in ernstige mate heeft geschonden waardoor levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel te duchten was.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De onvolledigheid van het onderzoek ter terechtzitting
Tijdens de beraadslaging is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en dient te worden hervat.
Uit het advies van [psycholoog] van 16 september 2025 volgt dat verdachte lijdt aan een genetische stoornis in samenhang met een verstandelijke beperking. Daarnaast lijdt hij aan een ernstige stoornis in het gebruik van hallucinogenen. In geval van een bewezenverklaring adviseert de psycholoog deze in verminderde mate toe te rekenen, omdat de keuze- en handelingsvrijheid in sterke mate werd ingeperkt. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog, waarbij letsel voor derden niet uit te sluiten is. Verdachte is in de kern geen maligne of antisociale man, maar een zeer onvermogende. Hij begrijpt de wereld om hem heen niet en kan zich onvoldoende handhaven. De psycholoog adviseert een langdurig klinisch behandeltraject op een forensische afdeling met een hoge zorgintensiteit en een hoog beveiligingsniveau. Gezien het gebrek aan responsiviteit en ervaringen uit het verleden, wordt geadviseerd om de behandeling op te leggen binnen het juridisch kader van de tbs met dwangverpleging.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van het advies van [psychiater] van 10 maart 2026. Hieruit volgt dat verdachte een genetische stoornis heeft, licht tot matig verstandelijk beperkt is en ADHD en autistische kenmerken heeft. Verder is sprake van een stoornis in het gebruik van hallucinogenen LSD en ketamine, dat nu in gedwongen remissie is. Het agressieve en onverantwoordelijke gedrag van verdachte wordt geduid als antisociaal gedrag, zonder dat er sprake is van een persoonlijkheidsstoornis. Verdachte was in de periode voorafgaande aan de tenlastegelegde feiten weer fors ketamine aan het gebruiken en was ontregeld in zijn gedrag mede door gerichtheid op gebruik. Daarnaast was hij ontwrichtend en grensoverschrijdend. In geval van een bewezenverklaring wordt geadviseerd de feiten in verminderde mate aan hem toe te rekenen. Zonder behandeling en begeleiding wordt de kans op herhaling van inadequaat, agressief en grensoverschrijdend gedrag hoog geschat. Om het recidiverisico te beperken, is intensieve en langdurige behandeling en begeleiding van verdachte noodzakelijk, gezien de complexe en ernstige problematiek. Abstinentie van middelen is nodig, omdat middelen over het algemeen een destabiliserende invloed hebben en zeker ook in het geval van verdachte. Om de kans op herhaling te beperken, wordt, ter bescherming van de maatschappij, terbeschikkingstelling geadviseerd. Verdachte wordt, gezien het verleden en zijn huidige houding, niet in staat geacht om zich aan voorwaarden te houden. Geadviseerd wordt om verdachte terbeschikkingstelling met dwangverpleging op te leggen.
Op 4 mei 2026 heeft de psychiater de aanvullende vragen van de verdediging beantwoord. Hieruit volgt dat een zorgmachtiging niet toereikend geacht wordt omdat forensisch en stevig risicomanagement noodzakelijk is om tot vermindering van het recidiverisico te komen. Dit kan onvoldoende worden geboden door een zorgmachtiging en zou bovendien van te korte duur zijn. Daarnaast wordt bij een risicotaxie niet alleen gekeken naar het strafblad van een verdachte, maar naar meerdere andere factoren. Bij verdachte gaat het om ernstige, multipele problemen die in de loop der jaren, ondanks (pogingen tot) behandeling en begeleiding niet zijn beteugeld door het gedrag van verdachte. Dat de situatie uiteindelijk is geëscaleerd en zo ernstig uit de hand is gelopen is eerder logisch dan uitzonderlijk. Verdachte is begrensd in zijn gedrag en heeft daarop gereageerd.
Uit het laatste advies van de reclassering van 7 augustus 2025 volgt dat zij op basis van de statische gegevens het recidiverisico hoog inschatten. Het middelengebruik en de psychische problematiek van verdachte worden als grootste risicofactoren gezien. Daarnaast is verdachte dakloos en zou er geen passend zorgaanbod zijn. Het risico op onttrekking aan de voorwaarden wordt ingeschat als hoog. Verdachte toont wisselende motivatie ten aanzien van het reclasseringstoezicht en hulpverlening. De reclassering achtte een NIFP-onderzoek destijds noodzakelijk, ook omdat voor hen onvoldoende duidelijk was of de gebrekkig ontvankelijkheid voor hulpverlening voorkomt uit zijn (pro criminele) houding of zijn complexe problematiek en/of stoornissen. De uitkomsten van een dergelijk onderzoek zijn noodzakelijk voor een passend plan van aanpak voor verdachte.
De rechtbank acht zich, gelet op de rapportages, de aanvullende beantwoording en het verhandelde ter zitting, niet voldoende geïnformeerd met betrekking tot de mogelijk op te leggen sanctie. Bij een bewezenverklaring lijkt behandeling en begeleiding van verdachte naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. Echter, het is de rechtbank onvoldoende duidelijk of dergelijke behandeling en begeleiding enkel vanuit een tbs dwangkader kan worden vormgegeven. Gelet op de houding van verdachte ter zitting, het abstinent zijn van verdachte in detentie en zijn documentatie, waaruit blijkt dat hij gedurende een lange periode niet in aanraking is geweest met politie of justitie, wenst de rechtbank nader te worden voorgelicht.
De rechtbank acht het voor een goede beoordeling van de zaak noodzakelijk dat nader wordt onderzocht of een zorgmachtiging of tbs met voorwaarden als afdoende alternatieven kunnen worden beschouwd. De rechtbank verzoekt de officier van justitie dan ook om de (on)mogelijkheden van een zorgmachtiging uitgebreider in kaart te brengen maar tevens te onderzoeken of een tbs met voorwaarden tot de mogelijkheden behoort. In dit kader heeft de rechtbank aanvullende vragen aan de deskundigen en verzoekt zij de hiervoor genoemde omstandigheden (houding van verdachte ter zitting, het abstinent zijn van verdachte in detentie en zijn beperkte documentatie) mee te nemen in het aanvullend advies. Meer in het bijzonder vraagt zij antwoord te krijgen op de volgende vragen:
met voortdurende begeleiding middels een WLZ-indicatie?
Tot slot acht de rechtbank het wenselijk dat de reclassering, na ontvangst van het aanvullend advies, een maatregelenrapport oplevert teneinde te bezien of er vorm kan worden gegeven aan een eventuele tbs met voorwaarden.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting niet volledig, zodat het moet worden heropend. De rechtbank zal de stukken in handen van de officier van justitie stellen opdat deze genoemd onderzoek doet uitvoeren. De rechtbank zal het onderzoek terstond schorsen teneinde dit op een nader te bepalen terechtzitting, zo mogelijk in grotendeels dezelfde samenstelling, te kunnen voortzetten.
Vorenstaande betekent niet dat reeds een voorschot wordt genomen op een nog op te leggen straf en/of maatregel, maar vloeit voort uit de behoefte van de rechtbank om alle reële afdoeningsmogelijkheden bij haar overwegingen en uiteindelijke beslissing te betrekken.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank ziet geen aanleiding om de voorlopige hechtenis van verdachte ambtshalve op te heffen of te schorsen. De ernstige bezwaren en gronden die tot het verlenen van het bevel tot voorlopige hechtenis hebben geleid, zijn nog aanwezig. Ook doet het geval van artikel 67a lid 3 van het Wetboek van Strafvordering zich niet voor omdat er op dit moment nog onderzoek wordt gedaan naar een op te leggen maatregel. De voorlopige hechtenis van verdachte duurt daarom voort.
5. Beslissing
De rechtbank:
- heropent en schorst het onderzoek voor onbepaalde tijd, welke schorsing in verband met de klemmende reden dat het niet te verwachten is dat de aanvullende stukken binnen één maand opgeleverd kunnen worden en het zittingsrooster van de rechtbank een eerdere voortzetting niet toelaat, langer is dan één maand maar niet langer dan drie maanden;
- stelt de stukken in handen van de officier van justitie, opdat deze het hierboven omschreven onderzoek uitvoert;
- beveelt de oproeping van verdachte en zijn raadsman tegen het tijdstip waarop het onderzoek ter terechtzitting zal worden hervat en beveelt dat de benadeelde partijen van dit tijdstip in kennis wordt gesteld.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mr. K. Verschueren en D.M. Snoep, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.A. Lequin, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 mei 2026.
De oudste rechter, jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
1hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Tilburg en/of Drunen , althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] en/of [benadeelde 3] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen- als bestuurder van een personenauto vanuit een hoge snelheid deze personenauto (abrupt) tot stilstand te laten komen, waardoor het overige verkeer, waaronder die [benadeelde 3] , moest uitwijken om aanrijding te voorkomen, en/of- als bestuurder van een personenauto geen, althans onvoldoende snelheid, te verminderen bij een wegblokkade bestaande uit een personenauto met inzittenden, te weten die [benadeelde 1] en/of die [benadeelde 2]en op deze personenauto af te rijden terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
( art 287 Wetboek van Strafrecht, art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht)
2hij op of omstreeks 25 maart 2025 te Tilburg en/of Drunen , althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig, te weten een personenauto, daarmee rijdende op de weg of meerdere wegen, waaronder in iedergeval de A59 en/of de Overstortweg, zich opzettelijk zodanig heeft gedragen dat de verkeersregels in ernstige mate werden geschonden door- (meermaals) overschrijden van de krachtens de Wegensverkeerswet vastgestele maximumsnelheid, en/of- op het laatste moment een afslag te nemen, en/of- (meermaals) rakelings passeren van overig verkeer, en/of- vanuit een hoge snelheid, althans een hogere snelheid dan aldaar toegestaan, op de rijbaan (abrupt) tot stilstand te komen, waardoor het overige verkeer moest uitwijken om aanrijding te voorkomen, en/of- geen, althans onvoldoende snelheid, te verminderen bij een wegblokkade, door welke verkeersgedraging(en) van verdachte levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was;
( art 5a lid 1 Wegenverkeerswet 1994 )