RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres,
Samenvatting
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 24/1658 WMO, BRE 24/1659 WMO
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Breda (college), verweerder.
Deze uitspraak gaat over twee besluiten van het college over aan eiseres toegekende voorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), namelijk een voorziening voor huishoudelijke ondersteuning en een vervoersvoorziening (scootmobiel). Eiseres was het aanvankelijk niet eens met de toekenningen en voerde daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden en hetgeen ter zitting is besproken beoordeelt de rechtbank of het college op goede gronden de bestreden besluiten heeft genomen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard, nu eiseres daarover geen uitspraak meer wenst, en dat haar verzoeken om schadevergoeding moeten worden afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
Zaak 24/1658 WMO
Eiseres heeft op 16 augustus 2023 een aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo gedaan bij het college. Met een besluit van 28 augustus 2023 (primair besluit 1) heeft het college hierop aan eiseres 3 uur en 15 minuten huishoudelijke ondersteuning per week toegekend voor de periode van 28 augustus 2023 tot en met 31 augustus 2028. Eiseres was het niet eens met dit besluit, dus heeft zij op 18 september 2023 bezwaar gemaakt.
Met een besluit van 24 november 2023 (primair besluit 2) heeft het college het besluit van 28 augustus 2023 herroepen en wederom aan eiseres 3 uur en 15 minuten huishoudelijke ondersteuning per week toegekend, dit keer voor de periode van 1 december 2023 tot en met 31 augustus 2028. Eiseres heeft op 5 januari 2024 ook tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Op 22 december 2023 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar.
Met een brief van 6 februari 2024 heeft het college de beslistermijn met zes weken verdaagd. Vervolgens heeft het college eiseres met een besluit van 19 februari 2024 laten weten dat zij geen recht heeft op een dwangsom. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Eiseres heeft op 5 februari 2024 beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen primair besluit 1. In reactie op het beroep heeft het college met een brief van 29 februari 2024 zich nogmaals op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom. Vervolgens heeft het college eiseres met een besluit van 12 april 2024 (bestreden besluit 1) laten weten dat haar bezwaren tegen primaire besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard.
Zaak 24/1659 WMO
Eiseres heeft op 31 juli 2023 een aanvraag voor een vervoersvoorziening op grond van de Wmo gedaan bij het college. Met een besluit van 29 augustus 2023 (primair besluit 3) heeft het college hierop een scootmobiel toegekend voor de periode van 29 augustus 2023 tot en met 28 februari 2024. Eiseres was het niet eens met dit besluit, dus heeft zij op 10 oktober 2023 bezwaar gemaakt.
Op 22 december 2023 heeft eiseres het college in gebreke gesteld wegens het uitblijven van een beslissing op haar bezwaar.
Met een brief van 6 februari 2024 heeft het college de beslistermijn verdaagd tot aan de nieuwe zittingsdatum, nu eiseres aangaf niet aanwezig te kunnen zijn bij de hoorzitting van 14 februari 2024. Vervolgens heeft het college eiseres met een besluit van 19 februari 2024 laten weten dat zij geen recht heeft op een dwangsom. Eiseres heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
Eiseres heeft op 5 februari 2024 beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op haar bezwaar tegen primair besluit 3. In reactie op het beroep heeft het college met een brief van 6 maart 2024 zich nogmaals op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op een dwangsom en dat het ondanks vele pogingen niet lukt om overeenstemming met eiseres te bereiken. Vervolgens heeft het college eiseres met een besluit van 10 april 2024 (bestreden besluit 2) laten weten dat haar bezwaar tegen het primaire besluit 3 ongegrond is verklaard.
Vervolgens heeft eiseres bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. In een uitspraak van 10 april 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen. In overweging 8 van die uitspraak is opgenomen dat primair besluit 3 naar verwachting in bezwaar niet in stand zal blijven en dat moet worden aangenomen dat een scootmobiel met joystick voor eiseres een adequate vervoersvoorziening is. Gelet op de belangen van eiseres en de verwachte uitkomst van de bezwaarprocedure heeft de voorzieningenrechter bepaald dat het college ervoor moet zorgdragen dat eiseres binnen vier weken na dagtekening van de uitspraak kan beschikken over een scootmobiel met joystick.
Het college heeft hierop met een gewijzigd besluit van 15 april 2024 (primair besluit 4) alsnog een scootmobiel met joystick toegekend in de vorm van verstrekking van een pgb. Eiseres was het ook met dit besluit niet eens, wat heeft geresulteerd in een beslissing op bezwaar van 5 juni 2024 (bestreden besluit 3), waarin het bezwaar van eiseres gegrond is verklaard en de hoogte van het pgb en de budgetperiode is aangepast. Nu het college heeft nagelaten deze stukken door te sturen naar de rechtbank en aan te merken als besluitvorming in de zin van artikel 6:19 van de Awb, heeft de rechtbank ter zitting in overeenstemming met partijen bepaald dat deze stukken alsnog aan dit dossier worden toegevoegd als een 6:19-besluit.
Beide beroepen
Naar aanleiding van de bestreden besluiten heeft eiseres de rechtbank laten weten haar beroep niet in te trekken, omdat zij het niet eens is met deze besluiten.
De rechtbank heeft op verzoek van het college de behandeling van de beroepen aangehouden, omdat partijen een mediationtraject waren aangegaan. Nadat het college de rechtbank liet weten dat het mediationtraject is beëindigd zonder overeenstemming, is de behandeling van de beroepen weer voortgezet.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en namens het college: mr. L.G.M. Geboers en [vertegenwoordiger college] .
Beoordeling door de rechtbank
Beroepen niet tijdig beslissen
Ten aanzien van de door eiseres ingestelde beroepen niet tijdig beslissen heeft eiseres ter zitting desgevraagd aangegeven dat de rechtbank hier niet langer een inhoudelijk oordeel over hoeft te geven. Ten aanzien van het niet tijdig beslissen verklaart de rechtbank de beroepen dan ook niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang.
Bestreden besluit 1 (24/1658 WMO)
Omvang van het geschil
Ter zitting heeft eiseres bevestigd dat – gezien de huidige thuissituatie – de toegekende 3 uur en 15 minuten per week aan huishoudelijke ondersteuning voldoende is. Ook hebben partijen ter zitting aangegeven dat niet in geschil is dat de huishoudelijke ondersteuning wekelijks moet worden geleverd. Tussen partijen zijn enkel de ter zitting door eiseres gedane verzoeken om schadevergoeding voor de kosten van ongediertebestrijding en wegens overschrijding van de redelijke termijn nog in geschil.
De rechtbank merkt verder op dat ter zitting met partijen is besproken dat eventueel toekomstige wijzigingen in de thuissituatie van eiseres aanleiding zouden kunnen geven tot nader onderzoek.
Standpunt van eiseres
Wat nog aan beroepsgronden voorligt in dit geschil is dat eiseres ter zitting heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een schadevergoeding voor kosten van ongediertebestrijding en een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van het college
Het college heeft ter zitting aangegeven bij bestreden besluit 1 te blijven. De huishoudelijk ondersteuning kwam niet eerder van de grond, omdat eiseres de afspraken niet wilde ondertekenen en daartoe opnieuw in overleg moest worden gegaan met haar. Met betrekking tot de ongediertebestrijding geeft het college ter zitting aan dat in een contact met eiseres over de ongedierte is aangegeven dat zij zich hiervoor diende te wenden tot de GGD. Het college heeft geen direct verzoek gehad om de kosten van ongediertebestrijding te vergoeden en het college is ook niet tot vergoeding bereid.
Overwegingen van de rechtbank
Ter zitting heeft eiseres een verzoek om schadevergoeding gedaan voor kosten die zij zou hebben gemaakt voor ongediertebestrijding. De overlast van ongedierte is volgens eiseres ontstaan, omdat huishoudelijke hulp door toedoen van het college uitbleef. Eiseres heeft aangegeven dat dit gaat om een bedrag van € 175,- en dat zij hiervan geen factuur heeft, maar dit bedrag via een betaalopdracht heeft voldaan met internetbankieren.
Op grond van artikel 8:88, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van de schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit.
De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding voor bovenstaande kosten af. Bestreden besluit 1 kan namelijk niet worden aangemerkt als een onrechtmatig besluit, nu niet langer de inhoud maar enkel de verzoeken om schadevergoeding nog voorliggen in dit geschil. De rechtbank merkt hierbij nog op dat het college ter zitting onbetwist heeft gesteld dat in een contact met eiseres over de ongedierte is aangegeven dat zij zich hiervoor diende te wenden tot de GGD. Het komt voor rekening en risico van eiseres dat zij heeft gekozen voor een private ongediertebestrijder in plaats van zich te wenden tot de GGD.
Eiseres heeft ter zitting ook verzocht om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaar van eiseres – aanvankelijk tegen primair besluit 1 – is op 18 september 2023 ontvangen door het college. Bestreden besluit 1 is gedagtekend 12 april 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 27 januari 2026. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat de redelijke termijn wordt verlengd met de periode tussen het verzoek om aanhouding van 5 december 2024 vanwege de start van een mediationtraject en de mededeling op 17 juni 2025 dat het mediationtraject is beëindigd. Met inachtneming van de verlenging is de redelijke termijn niet overschreden en bestaat geen recht op immateriëleschadevergoeding.
Conclusie
Zoals uit overwegingen 3.6 en 3.7 volgt, slaagt het beroep van eiseres niet. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Bestreden besluit 2 (24/1659 WMO)
Omvang van het geschil
Zoals in overweging 2.11 is opgenomen, heeft het college met primair besluit 4 en bestreden besluit 3 alsnog een scootmobiel met joystick toegekend aan eiseres in de vorm van verstrekking van een pgb. Ter zitting heeft eiseres aangegeven dat zij inhoudelijk geen beroepsgronden meer heeft over de scootmobiel, omdat zij het pgb in zijn geheel niet meer wil. De scootmobiel heeft zij inmiddels op Marktplaats gezet. De rechtbank zal aan de inhoudelijke toekenning van de scootmobiel dan ook geen verdere overwegingen wijden in deze uitspraak.
Standpunt van eiseres
Wat nog aan beroepsgronden voorligt in dit geschil is dat eiseres heeft aangevoerd dat zij recht heeft op een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt van het college
Het college heeft ter zitting aangegeven bij bestreden besluit 3 te blijven.
Overwegingen van de rechtbank
Eiseres heeft ter zitting ook in deze zaak verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het bezwaar van eiseres tegen primair besluit 3 is op 10 oktober 2023 ontvangen door het college. Bestreden besluit 2 is gedagtekend 10 april 2024, bestreden besluit 3 is gedagtekend 5 juni 2024 en de rechtbank doet uitspraak op 27 januari 2026. Daarmee is in beginsel de redelijke termijn voor de beslechting van het geschil overschreden, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere termijn dan twee jaar rechtvaardigen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een bijzondere omstandigheid die rechtvaardigt dat de redelijke termijn wordt verlengd met de periode tussen het verzoek om aanhouding van 5 december 2024 vanwege de start van een mediationtraject en de mededeling op 17 juni 2025 dat het mediationtraject is beëindigd.Met inachtneming van de verlenging is de redelijke termijn niet overschreden en bestaat geen recht op immateriële schadevergoeding.
Conclusie
Zoals uit overweging 3.12 volgt, slaagt het beroep van eiseres niet. De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Conclusie en gevolgen
4. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat de rechtbank de beroepen ten aanzien van het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaart. De rechtbank wijst de verzoeken om schadevergoeding van eiseres af. Er is geen reden voor een proceskostenveroordeling. Ook krijgt eiseres het door haar betaalde griffierecht niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Snoeks, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Pasmans, griffier, op 27 januari 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Bijlage: wettelijk kader
Awb
Artikel 6:19, eerste lidHet bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.