RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team jeugd
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02-263251-24
vonnis van de meervoudige kamer van 21 mei 2026
in de strafzaak tegen de minderjarige
[verdachte]
geboren op [geboortedag] 2007 te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats]
raadsvrouw mr. K.C.A.M. Oomen, advocaat te Breda
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld met gesloten deuren op de zitting van 7 mei 2026, waarbij de officier van justitie, mr. Den Braber, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte
1. heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, dan wel dat hij heeft gedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling;2. openlijk en samen met anderen geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] , dan wel dat hij [slachtoffer] samen met anderen heeft mishandeld;3. samen met een ander winkeldiefstallen bij de [winkel 2] en [winkel 1] heeft gepleegd.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gepoogd [slachtoffer] van het leven te beroven (feit 1) en openlijk geweld heeft gepleegd jegens [slachtoffer] (feit 2). Ook acht de officier van justitie de twee winkeldiefstallen, samen met een ander gepleegd (feit 3) wettig en overtuigend bewezen.
Het standpunt van de verdediging
Feit 1
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging doodslag dan wel poging zware mishandeling nu geen sprake was van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft nimmer de intentie gehad om [slachtoffer] aan te raken, te doden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met het mes, hij heeft enkel willen dreigen. Als verdachte wel (voorwaardelijk) opzet zou hebben gehad dan zou hij wel eerder in de geweldssituatie het mes hebben gepakt. Voorts geldt dat als verdachte [slachtoffer] per ongeluk zijn hebben geraakt, niet vast staat dat dit zwaar lichamelijk letsel met zich mee zou brengen.
De subsidiair tenlastegelegde bedreiging kan aldus de verdediging wel wettig en overtuigend kan worden bewezen.
Feit 2
De verdediging heeft geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van dit feit.
Feit 3
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewezenverklaring van dit feit.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Feit 1
Vaststelling van de feiten
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte en [slachtoffer] op 16 augustus 2024 op de gang van [woongebouw] in Breda met elkaar (en anderen) in een fysiek conflict zijn geraakt. Op enig moment zijn verdachte en [slachtoffer] door een medewerker van [woongebouw] gescheiden, waarbij de medewerker met een stok tussen beiden een barrière heeft gevormd. Na deze scheiding heeft [slachtoffer] geen actie meer ondernomen. Verdachte heeft op dat moment een mes uit zijn rugzak gepakt, heeft deze boven zijn hoofd geheven en heeft hiermee [slachtoffer] benaderd. [slachtoffer] liep hierop in eerste instantie versneld achteruit maar is op enig moment omgedraaid en weggerend. Verdachte is vervolgens achter [slachtoffer] aangerend waarbij hij met kracht meerdere bovenhandse zwaai- en steekbewegingen richting het hoofd en de halsstreek van [slachtoffer] heeft gemaakt.
Primair: poging doodslag
De rechtbank kan op basis van het procesdossier niet vaststellen dat verdachte bij het maken van de zwaai- en steekbewegingen vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] , in die zin dat verdachte uit was op de dood van [slachtoffer] . De rechtbank ziet zich dan ook voor de vraag gesteld of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.
De rechtbank acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] . Van voorwaardelijk opzet is sprake wanneer de gedragingen van verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg in het leven hebben geroepen en verdachte het risico op het intreden van deze gevolgen ook bewust heeft aanvaard. Het antwoord op de vraag of een kans aanmerkelijk is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht.
De rechtbank is van oordeel dat door meermalen met kracht met een mes, met een lemmet van 20 centimeter, in de richting van het hoofd en de halsstreek van [slachtoffer] te steken, in een rennende vaart, er een aanmerkelijke kans was dat verdachte [slachtoffer] daadwerkelijk zou raken met dodelijk letsel bij [slachtoffer] als gevolg. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat in het hoofd en de halsstreek kwetsbare onderdelen van het lichaam zijn, waarin zich vitale (slag)aders en organen bevinden. Uit het feit dat verdachte meerdere zwaai- en steekbewegingen richting [slachtoffer] heeft gemaakt, waarbij hij zelfs achter [slachtoffer] is aangerend, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte de kans op de dood van [slachtoffer] ook willens en wetens heeft aanvaard. Dat dit gevolg niet is ingetreden, is niet het gevolg van het handelen van verdachte.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
Feit 2
De rechtbank stelt vast dat de tenlastegelegde gedragingen zouden hebben plaatsgevonden in [woongebouw] aan [adres] te Breda. De rechtbank van oordeel dat het bestanddeel “openlijk” niet kan worden bewezen nu [woongebouw] een besloten woongebouw is en niet is gebleken van de mogelijke aanwezigheid van in zekere zin willekeurig publiek of mogelijke waarneembaarheid van de ten laste gelegde gedragingen vanaf de openbare weg. Dit maakt dat verdachte voor het primair tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken.
Voorts volgt uit de beschrijving van de camerabeelden dat [slachtoffer] door verdachte en medeverdachten is mishandeld, onder andere door [slachtoffer] te schoppen, maar dat uit geen enkel ander bewijsmiddel in het dossier blijkt van het schoppen tegen [slachtoffer] . Ook niet uit de aangifte. Evenmin is dit ter zitting door de rechtbank vastgesteld. Derhalve is sprake van onvoldoende wettig bewijs voor het subsidiair tenlastegelegde feit, zodat de rechtbank verdachte ook hiervan zal vrijspreken.
Feit 3
Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte samen met [medeverdachte 1] op 5 september 2024 om 11.50 uur de [winkel 1] in Goes zijn binnen gelopen, zonder daarbij spullen in hun handen te hebben. Verdachte en [medeverdachte 1] zijn vervolgens een kwartier later de [winkel 1] weer uitgelopen, waarbij verdachte kledingstukken over zijn arm had hangen, zonder dat zij daarvoor enige producten in de [winkel 1] hebben afgerekend.
Voorts is op basis van de bewijsmiddelen vast te stellen dat verdachte samen met [medeverdachte 1] om 12.49 uur, met een winkelmandje vol met levensmiddelen en cosmeticaproducenten bij de zelfscankassa van de [winkel 2] in Goes stonden. Hier hebben zij een deel van de producten gescand, alle producten in twee Kruidvattassen gedaan, en zijn zij vervolgens met deze twee tassen vol producten de winkel uit gegaan, zonder daadwerkelijk alles te hebben betaald.
Verdachte en [medeverdachte 1] zijn vervolgens om 14.30 uur door de politie in Goes op straat aangetroffen, waarbij zij twee rode Kruidvattassen gevuld met levensmiddelen en cosmeticaproducten, en een andere tas met daarin kleding van de [winkel 1] welke kartonnen labels van de [winkel 1] bevatte, bij zich hadden.
Uit de aangiften blijkt dat verdachte en zijn medeverdachte de aangetroffen goederen niet hebben betaald.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande de diefstallen bij [winkel 1] en [winkel 2] , meermalen en in vereniging gepleegd, wettig en overtuigend bewezen.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
Feit 1
op 16 augustus 2024 te Breda, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om de heer [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven meerdere malen, met een mes, in de richting van die [slachtoffer] heeft gerend en al rennend met voornoemd mes, in de richting van de halsstreek en/of het hoofd van die [slachtoffer] heeft gestoken en gezwaaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 3
op 5 september 2024 te Goes tezamen en in vereniging met een ander, meerdere levensmiddelen en cosmeticamiddelen en kledingstukken, die aan de [winkel 2] of de [winkel 1] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer. De ogenblikkelijke wederrechtelijke aanval door [slachtoffer] op verdachte en medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], waarbij [slachtoffer] hen aanviel met een riem met aan het uiteinde een gesp, rechtvaardigde het afschrikken van [slachtoffer] met het mes. Het handelen van verdachte was geboden en noodzakelijk.
Subsidiair stelt de verdediging dat sprake is van een verontschuldigbare overschrijding (noodweerexces). Bij verdachte was sprake van een hevige gemoedsbeweging, bestaande uit angst, vrees en radeloosheid, opgewekt door de wederrechtelijke aanranding.
Indien de rechtbank van oordeel is dat het onmiddellijke gevaar al was geweken op het moment dat verdachte zijn mes had gepakt, dient er rekening mee te worden gehouden dat de hevige gemoedstoestand van verdachte nog enige tijd heeft voortgeduurd.
Het standpunt van de officier van justitie
Volgens de officier van justitie komt verdachte bij feit 1 geen geslaagd beroep toe op noodweer(exces).
Het oordeel van de rechtbank
Feit1
Noodweer(exces)
De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding die was gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waartegen verdediging noodzakelijk en geboden was. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende.
De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Als de grenzen van de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding worden overschreden, kan sprake zijn van noodweerexces. De overschrijding van grenzen moet dan wel het onmiddellijk gevolg zijn geweest van een hevige gemoedsbeweging door de aanrander veroorzaakt.
De rechtbank stelt vast dat verdachte samen met onder andere medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], midden in de nacht, naar de verdieping van [woongebouw] zijn gegaan alwaar de kamer van [slachtoffer] zich bevond. Hier hebben zij [slachtoffer] uit zijn kamer gelokt, en hebben zij direct nadat [slachtoffer] de deur van zijn kamer opende en naar buiten kwam, de aanval op hem ingezet waarbij [medeverdachte 2] direct begon met schoppen in de richting van [slachtoffer] en verdachte direct op [slachtoffer] is afgerend. Op dat moment was de riem waarmee [slachtoffer] later om zich heen sloeg nog niet zichtbaar. De rechtbank stelt vast dat verdachte en de medeverdachten hiermee de agressors waren van de geweldssituatie, zij hebben [slachtoffer] benaderd en hebben de aanval op hem ingezet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in deze situatie geen sprake is van een noodweersituatie waarin verdachte zich diende te verdedigingen tegen een wederrechtelijke aanranding.
Voorts stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer] zich in de belaging door verdachte en de medeverdachten heeft verdedigd door met een riem om zich heen te slaan, waarna een stoeipartij tussen hen ontstond. Op enig moment heeft een medewerker van [woongebouw] verdachte en [slachtoffer] van elkaar gescheiden, en heeft hij tussen hen een barrière gevormd met een stok. [slachtoffer] deed niets meer. Verdachte heeft op dat moment, in alle rust, een mes uit zijn rugzak gepakt en heeft opnieuw de aanval tegen [slachtoffer] ingezet, nu met het mes. Ook hier is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een noodweersituatie waarin verdachte zich diende te verdedigen tegen een wederrechtelijke aanranding.
Gelet op voorgaande wordt het beroep op noodweer dan ook verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer, kan zich niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging. Dit brengt met zich dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. Het beroep op noodweerexces wordt dan ook verworpen.
Feit 1 en 3
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een jeugddetentie van 90 dagen waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar, met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). De officier van justitie vordert tevens om aan verdachte een werkstraf van 120 uur op te leggen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, de procedure bij de IND die ‘on hold’ is gezet in afwachting van de strafzaak en het advies van de Raad waarin geen detentie is opgenomen. De verdediging stelt zich op het standpunt – uitgaande van vrijspraak van poging doodslag dan wel zware mishandeling – dat volstaan kan worden met een deels voorwaardelijke werkstraf met aftrek van voorarrest, waarbij de bijzondere voorwaarden zoals door de Raad geadviseerd kunnen worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De aard en de ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag van [slachtoffer] . Verdachte en [slachtoffer] verbleven beide bij [woongebouw] en tussen hen bestond al langere tijd wrijving met fysieke escalaties als gevolg. Verdachte is midden in de nacht naar de verdieping waar [slachtoffer] verbleef gegaan en heeft hier (samen met anderen) de confrontatie met [slachtoffer] opgezocht. Verdachte heeft ervoor gekozen om uiteindelijk een mes te pakken waarmee hij al zwaaiend en stekend achter [slachtoffer] is aangerend. De reden van de ruzies tussen verdachte en [slachtoffer] blijkt niet uit het dossier, maar wat de reden ook was, het handelen van verdachte is op geen enkele manier te rechtvaardigen. Verdachte heeft met zijn handelen ook totaal niet stilgestaan bij de levensgevaarlijke gevolgen voor [slachtoffer] . Dat [slachtoffer] niet gewond is geraakt, is niet aan verdachte te danken geweest. Het behoeft ook geen betoog dat deze situatie voor [slachtoffer] zeer bedreigend en beangstigend is geweest. De rechtbank weegt ook mee dat dit soort feiten voor grote gevoelens van onveiligheid zorgen in de maatschappij. De rechtbank rekent verdachte zijn handelen ernstig aan.
Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan twee winkeldiefstallen. De rechtbank is van oordeel dat een winkeldiefstal een vervelend en overlastgevend feit is. Winkeldiefstallen in het algemeen leiden tot veel schade voor de middenstand, schade die uiteindelijk aan de consument wordt doorberekend. Verdachte heeft met zijn handelen laten zien dat hij weinig respect heeft voor de eigendommen van anderen.
De persoon van verdachte
Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 17 jaar oud. Verdachte heeft 17 dagen in voorlopige hechtenis gezeten en uit zijn strafblad blijkt dat hij nog niet eerder is veroordeeld.
De rechtbank heeft verder acht geslagen op het advies van de Raad en de toelichting op het adviesrapport ter zitting. Uit het rapport blijkt dat verdachte veel heeft meegemaakt in zijn leven. Zo is hij geboren en opgegroeid in de Westelijke Jordaanoever en is hij in 2023 naar Nederland gevlucht. Mogelijk is sprake is trauma’s. Gelet hierop, en de stappen die hij heeft gezet in zijn persoonlijke ontwikkeling, acht de Raad een jeugddetentie niet passend. Om de kans op herhaling te verkleinen is passende hulpverlening en begeleiding nodig. De Raad adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen onder de bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zal meewerken aan hulpverlening en begeleiding, zoals traumaverwerking en het ontwikkelen van bepaalde vaardigeden (sociale vaardigheden en emotieregulatie) zodat verdachte in de toekomst op een andere wijze kan omgaan met conflictsituaties;
* zal meewerken aan het vinden, hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding.
De Raad adviseert aan de reclasseringsinstelling te weten het Leger des Heils te [woonplaats] opdracht te geven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de minderjarige ten behoeve daarvan te begeleiden.
Namens de reclassering is naar voren gebracht dat er aan verdachte in verband met de schorsing van zijn voorlopige hechtenis op 18 september 2024 bijzondere voorwaarden zijn opgelegd, maar dat om diverse - niet alleen aan verdachte te wijten – redenen nagenoeg geen uitvoering is gegeven aan deze voorwaarden. De huidige reclasseringswerker heeft de begeleiding van verdachte pas opgepakt in januari 2026 en is nog zoekende naar wat de reclassering voor verdachte kan betekenen nu verdachte geen schoolwens heeft en hij (nog) niet open lijkt te staan voor behandeling en hij zegt nog midden in zijn trauma te zitten. De reclassering kan zich vinden in de voorwaarden zoals voorgesteld door de Raad.
De strafoplegging
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn gepleegd en de persoon van verdachte.
Daarnaast houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd.
Voorts houdt de rechtbank in strafverminderende zin rekening met de overschrijding van de redelijke termijn. Als strafverzwarend weegt de rechtbank mee dat verdachte de winkeldiefstallen heeft gepleegd terwijl zijn voorlopige hechtenis in het kader van de poging doodslag was geschorst. Ook houdt de rechtbank rekening met zijn houding bij de politie en ook op zitting, waaruit volgt dat hij totaal geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden.
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van 90 dagen waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaar, en een werkstraf van 150 uur, passend en geboden is. De rechtbank beseft zich dat zij hiermee de eis van de officier van justitie overstijgt, maar acht dit noodzakelijk om recht te doen aan de ernst van de poging tot doodslag maar ook de proceshouding van verdachte. De rechtbank zal de bijzondere voorwaarden opleggen zoals geadviseerd door de Raad.
Voorlopige hechtenis
De rechtbank zal het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opheffen.
7. De benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 4.500,- bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel (feit 1). De rechtbank heeft hiervoor bewezen verklaard dat verdachte het feit heeft gepleegd. Dit betekent ook dat verdachte onrechtmatig heeft gehandeld tegenover de benadeelde partij en dat hij verplicht is de schade van de benadeelde partij te vergoeden.
De rechtbank overweegt dat de benadeelde partij recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen of op andere wijze in haar persoon is aangetast. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij lichamelijke letsel heeft opgelopen en dat hij psychische klachten heeft overgehouden aan het geweld dat op hem is toegepast, maar heeft deze stellingen niet onderbouwd. Vast staat wel dat de benadeelde partij door verdachte is achtervolgd waarbij verdachte stekende bewegingen richting het hoofd en de hals van de benadeelde partij heeft gemaakt. Het kan niet anders dan dat dit enorm beangstigend voor de benadeelde partij is geweest en dat hij hier ook nadien nog last van moet hebben gehad. De rechtbank is van oordeel dat de aard en de ernst van deze normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige psychische gevolgen daarvan voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon dient te worden aangenomen. Gelet op alle omstandigheden en rekening houdend met wat in soortgelijke zaken wordt toegekend, acht de rechtbank een bedrag van € 750,- billijk.
De rechtbank zal dat bedrag daarom toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Deze schade staat ook in een voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte, zodat ook sprake is van schade die rechtstreeks is toegebracht door het bewezenverklaarde feit.
De rechtbank zal tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen tot betaling van het toegekende schadebedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Dit betekent dat het CJIB de inning zal verzorgen en dat bij niet betaling gijzeling kan worden toegepast als dwangmiddel. Gelet op de toepassing van het jeugdstrafrecht zal de duur van de gijzeling op 0 dagen worden vastgesteld.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, zodat de benadeelde dit deel bij de burgerlijke rechter kan voorleggen.
8. Het beslag
De in beslag genomen mes zal worden onttrokken aan het verkeer. Het ongecontroleerde bezit daarvan door minderjarigen is in strijd met de wet en het bewezen verklaarde feit is met betrekking tot dit voorwerp begaan.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36b, 36d, 36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 287 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder feit 2 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1, primair: poging tot doodslag;
feit 3: diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
-veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 90 (negentig) dagen waarvan 73 (drieënzeventig) dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde jeugddetentie conform artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;
- bepaalt dat de voorwaardelijke jeugddetentie niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:
* zal meewerken aan hulpverlening en begeleiding, zoals traumaverwerking en het ontwikkelen van bepaalde vaardigeden (sociale vaardigheden en emotieregulatie) zodat verdachte in de toekomst op een andere wijze kan omgaan met conflictsituaties;
* zal meewerken aan het vinden, hebben en behouden van een zinvolle dagbesteding;
- geeft hierbij opdracht aan de reclassering, te weten het Leger des Heils te [woonplaats] , tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat van rechtswege gelden de voorwaarden:
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
* dat verdachte medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking van huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
-veroordeelt verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 150 (honderdvijftig) uren te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen jeugddetentie;
Beslag
- verklaart onttrokken aan het verkeer 1 Stk mes (PL2000-2024207757-G2759785, zwart);
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 750,-
aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot nu toe begroot op nihil;
- verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer
[slachtoffer] € 750,- aan immateriële schade te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, vanaf 16 augustus 2024 tot aan de dag der voldoening;
- bepaalt dat bij niet betaling 0 dagen gijzeling kan worden toegepast, met dien verstande dat toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. Hamburger, voorzitter, mr. De Graaf en mr. Snoep, allen kinderrechters, in tegenwoordigheid van Van Dijke, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 21 mei 2026.
Mr. Snoep, mr. De Graaf en Van Dijke zijn niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.