RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/446860 / JE RK 26-601
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant,
locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2023 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. S. van Reeven-Özer,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. P.K. de Blieck-Willemsen.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 april 2026.
Op 7 april 2026 heeft de kinderrechter het verzoek ter zitting met gesloten deuren behandeld. Daarbij waren aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat.
2. De feiten
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Uit die relatie zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geboren.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn erkend door de vader. Ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
4. De standpunten
De ouders en de Raad zijn op 7 april 2026 op de zitting verschenen voor de behandeling van het verzoek in de zaak bij de rechtbank bekend onder zaaknummer: C/02/446389 KG ZA 26-154. Op basis van de informatie die volgt uit de processtukken in dat dossier en hetgeen ter zitting is besproken, heeft de Raad op de zitting een verzoek tot een voorlopige ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedaan voor de duur van drie maanden. Op 8 april 2026 heeft de Raad de schriftelijke weergave van het verzoek bij de rechtbank ingediend.
Ter onderbouwing van het verzoek wordt door de Raad het volgende aangevoerd. Er bestaat een ernstig vermoeden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zodanig opgroeien dat zij ernstig worden bedreigd in hun ontwikkeling en dat aan de gronden voor de ondertoezichtstelling is voldaan. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor de kinderen weg te nemen. De Raad heeft grote zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Zij groeien op in een situatie waarin (mogelijk) sprake is (geweest) van verbale en fysieke confrontaties tussen ouders, ruzies en spanningen, ouders die wel/niet in beeld zijn en mogelijke verslaving van ouder(s). De Raad is gebleken dat ouders mijlenver uit elkaar staan en elkaar beschuldigen van heftige zaken en diskwalificeren elkaar volledig als ouder. Zij vertonen mede hierdoor op dit moment onvoldoende ouderschap, terwijl de kinderen nog erg jong zijn en totaal afhankelijk zijn van hun ouders. Als hulpverlenende instantie is [hulpverlening] betrokken bij partijen, maar er is geen verslag van die hulpverlening aangeleverd. Ook Veilig Thuis is betrokken geweest. Veilig Thuis heeft een verslag opgesteld en heeft met partijen veiligheidsvoorwaarden afgesproken. Deze worden door ouders niet nageleefd.
Na bespreking van het verzoek van de Raad, is ter zitting door en namens de ouders aangegeven dat zij kunnen instemmen met een voorlopige ondertoezichtstelling voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van drie maanden.
5. De beoordeling
Voor de beoordeling van het verzoek neemt de kinderrechter de ter zitting ingenomen standpunten in aanmerking, maar ook informatie die afkomstig is uit voornoemde zaak met nummer: C/02/446389 KG ZA 26-154, waaronder een brief van Veilig Thuis van 23 januari 2026.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:257 jo. artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Op grond van de stukken uit het dossier in voormelde zaak en wat op zitting is besproken heeft de kinderrechter grote zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De kinderrechter heeft op de zitting twee ouders gezien waarbij ieder contact tussen hen snel escaleert en tot ruzies kan leiden. Uit de genoemde brief van Veilig Thuis volgt dat hun grootste zorg is dat de draaglast en draagkracht van beide ouders zo uit balans is, dat zij het belang van de kinderen niet voorop kunnen zetten, mogelijk vanwege eigen problematiek. Daardoor blijven spanningen, stress en ruzies plaatsvinden. Hoewel het door de moeder gestelde huiselijk geweld door de vader wordt ontkend, blijkt uit deze brief Veilig Thuis dat sprake is geweest van fysiek geweld tussen hen. De kinderen zijn van deze verbale en fysieke escalaties getuige geweest. Verder beschuldigen ouders elkaar over en weer. Zo geeft moeder aan dat vader ADHD, Gilles de la Tourette en kenmerken van Asperger zou hebben. Vader geeft over moeder aan dat zij suïcidaal is, drugs gebruikt in aanwezigheid van de kinderen en gokverslaafd is. De kinderrechter kan op basis van de stukken niet vaststellen of, en zo ja welke van, deze kwalificaties (nog steeds) kloppen. Wel is het de kinderrechter gebleken dat de ernst van deze beschuldigingen en de impact die deze problematiek op de kinderen kan hebben, grond biedt voor ernstige zorgen over de veiligheid en opvoedsituatie van de kinderen bij beide ouders. In ieder geval speelt er ook schuldenproblematiek bij ouders en zijn er zorgen over hoe de woonsituatie van ouders er in de toekomst uit komt te zien. Daarnaast is gebleken dat [minderjarige 1] kenmerken van ADHD en moeilijk gedrag vertoont en [minderjarige 2] prematuur is geboren en nog altijd onder de groeicurve zit. De afgelopen periode zijn zowel [hulpverlening] als Veilig Thuis betrokken geweest bij ouders, maar deze betrokkenheid van hulpverleners is niet voldoende gebleken voor een goede ondersteuning van ouders om een veilige opvoedsituatie te creëren voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Hulpverlening binnen een gedwongen kader is daarom noodzakelijk om de acute en ernstige ontwikkelingsbedreiging weg te nemen. De kinderrechter zal daarom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht stellen voor de duur van drie maanden.
De kinderrechter stelt vast dat, gelet op de door de Raad geformuleerde doelen, binnen de ondertoezichtstelling gewerkt moet worden aan de volgende doelen:
1. er moet zicht komen op de opvoedsituatie bij zowel vader als moeder, inclusief hun sociaal netwerk en systeem;
2. er moet zicht komen op de problematiek van de kinderen en hun behoeftes in relatie tot ouders;
3. er moet zicht komen op de problematiek van ouders, diagnoses en hun behoeftes tot inzet van hulpverlening;
4. er moet een vorm van oudercommunicatie worden ingezet, in ieder geval een minimum om te komen tot informatie uitwisseling over de kinderen;
5. er moet ervoor worden gezorgd dat beide kinderen veilig, beschermd en gezond opgroeien en gevrijwaard zijn van ruzies, huiselijk geweld, controle en bemoeienissen van derden;
6. ouders moeten worden ondersteund in het verkrijgen van geschikte woonruimte/verblijf van de ouder met kinderen. En zij moeten worden ondersteund bij en er moet zicht worden gekregen op de verdeling van toeslagen/financiën.
Tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling zal de Raad tevens onderzoek doen naar de situatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de wenselijkheid van een ondertoezichtstelling na afloop van de voorlopige ondertoezichtstelling.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Brabant met ingang van 7 april 2026 tot 7 juli 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.