ECLI:NL:RBZWB:2026:4437

ECLI:NL:RBZWB:2026:4437

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 21-04-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer C/02/441896 / FA RK 25/5863
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verwijzing naar UHA, moeizame communicatie tussen ouders, wijziging contactregeling verzocht door moeder, vader kan de verzochte wijziging niet combineren met zijn werk

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Zittingsplaats: Breda

Zaaknummer: C/02/441896 / FA RK 25/5863

Datum uitspraak: 21 april 2026

Beschikking over wijziging contactregeling

in de zaak van

[de vrouw] ,

hierna: de vrouw,

wonende in [woonplaats] (gemeente Moerdijk),

advocaat: mr. S. Kranendonk in ’s-Gravendeel,

tegen

[de man] ,

hierna: de man,

wonende in [woonplaats] (gemeente Moerdijk),

advocaat: mr. J.J. Bronsveld in Bergen op Zoom,

over de minderjarige:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2015, hierna: [minderjarige 1] .

Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.

1. Het procesverloop

In het dossier zitten de volgende stukken:

- het op 11 november 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;

- het op 23 februari 2026 ontvangen antwoordformulier van [minderjarige 1] ;

- het op 19 maart 2026 ontvangen verweerschrift met bijlagen;

- het op 23 maart 2026 ontvangen F9 formulier met bijlagen van mr. Kranendonk.

Het verzoek is behandeld op de zitting van 26 maart 2026. Bij die zitting waren aanwezig partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordiger aanwezig namens de Raad.

[minderjarige 1] heeft de mogelijkheid gekregen om te zeggen wat hij vindt. Hij heeft per brief zijn mening gegeven.

2. De feiten

Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van [datum 1] 2019 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op [datum 2] 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.

Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige 1] geboren. Daarnaast is tijdens het huwelijk van partijen [minderjarige 2] geboren. [minderjarige 2] is overleden op [datum 3] 2022.

[minderjarige 1] heeft zijn hoofdverblijf bij de vrouw.

Partijen hebben samen het gezag over [minderjarige 1] .

Partijen hebben afspraken met elkaar gemaakt over de gevolgen van hun

echtscheiding in het ouderschapsplan van 11 november 2019, welk ouderschapsplan deel

uitmaakt van voormelde echtscheidingsbeschikking. In dit ouderschapsplan zijn partijen, voor zover hier van belang, overeengekomen dat [minderjarige 1] gedurende een dag en een nacht per week bij de man verblijft.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 10 oktober 2023 is

voormelde beschikking en het daaraan gehechte ouderschapsplan als volgt gewijzigd:

- [minderjarige 1] verblijft in de oneven weken bij de man van dinsdag uit school tot woensdag

19:00 uur na het eten en van vrijdag uit school tot zondagavond 19:00 uur;

Indien [minderjarige 1] ziek is, vrij is of afspraken heeft op de dag dat hij bij de man is, neemt vader de zorg voor [minderjarige 1] op zich gedurende de hele dag;

[minderjarige 1] verblijft tijdens de helft van de vakanties en feestdagen bij de man, in onderling overleg tussen ouders te bepalen, waarbij de vrouw elk jaar op uiterlijk 1 december voor het opvolgende jaar een voorstel doet voor de verdeling van vakanties en feestdagen, dat de man daarop binnen twee weken moet reageren met eventuele aanpassingen en als hij dat niet doet het voorstel van de vrouw voor dat jaar wordt gevolgd.

3. Het verzoek

De vrouw verzoekt, bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de zorgregeling zoals deze in de beschikking van 10 oktober 2023 is vastgelegd te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige 1] in de oneven weken van woensdag uit school tot zondagavond 20:00 uur bij de man verblijft, dan wel een regeling door de rechtbank in goede justitie te bepalen.

De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen.

4. De standpunten en het advies van de Raad

Ter onderbouwing van haar verzoek is door de vrouw het volgende aangevoerd. De huidige zorgregeling leidt tot onrust en spanningen bij [minderjarige 1] . Zij signaleert bij hem onder meer vermoeidheid, moeite met de overgang naar school en leerproblemen. Daarnaast heeft [minderjarige 1] regelmatig last van buikpijnklachten, met name in situaties waarin hij spanning ervaart. Ook vanuit school is bevestigd dat [minderjarige 1] hier veel last van heeft. Volgens de vrouw hangen deze klachten samen met de huidige zorgregeling, waarin sprake is van veel wisselingen en onrust. De vrouw vindt het voor [minderjarige 1] beter dat hij voor langere aaneengesloten periodes bij één van de ouders verblijft, zodat meer stabiliteit en voorspelbaarheid ontstaat. Zij verzoekt daarom dat [minderjarige 1] in de oneven weken van woensdag uit school tot zondagavond bij de man verblijft. In reactie op het standpunt van de man dat dit vanwege zijn werk niet haalbaar is, voert de vrouw aan dat er wel ruimte is voor aanpassing van zijn werkdagen, al dan niet bij een andere werkgever. Daarnaast spelen volgens de vrouw verschillen in opvoedstijl en de moeizame communicatie tussen de ouders een rol in de onrust bij [minderjarige 1] . De vrouw geeft aan dat zij open staat voor hulpverlening ter verbetering van de onderlinge communicatie en de ouderschapsrelatie. In het verleden is al hulpverlening ingezet, maar deze is door de man beëindigd. De vrouw staat positief tegenover het door de Raad geadviseerde Uniform Hulpaanbod (UHA) traject.

Door de man wordt aangevoerd dat de huidige zorgregeling goed verloopt. Volgens hem is [minderjarige 1] een blije en vrolijke jongen en is er sprake van prettig contact tussen hem en de man. De huidige regeling is in 2023 zorgvuldig en op maat tot stand gekomen. De man begrijpt niet waarom de vrouw opnieuw een wijziging verzoekt. Volgens hem is niet aangetoond dat de door de vrouw genoemde klachten, zoals spanningen en buikpijn, verband houden met de zorgregeling. Hij ervaart juist dat het indienen van het verzoek opnieuw voor onrust zorgt. De door de vrouw voorgestelde regeling is voor de man niet haalbaar vanwege zijn werk als uitvoerder bij [bedrijf] , waarbij hij betrokken is bij een langdurig project in [plaats] . Hij heeft hierover overleg gehad met de werkgever, maar er blijken geen mogelijkheden te zijn om zijn werkzaamheden anders in te richten. Zijn werk is al afgestemd op de huidige zorgregeling. Wel geeft hij aan dat er in de weekenden eventueel enige ruimte is voor uitbreiding. De man erkent dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt en dat er spanningen zijn. Verschillen in opvoedstijl vindt hij echter niet ongebruikelijk en hij ziet niet dat [minderjarige 1] daar last van heeft. De man staat, net als de vrouw, open voor deelname aan een UHA-traject en vindt dat met name gewerkt moet worden aan het verbeteren van het gezamenlijk ouderschap.

De Raad is in deze zaak voorstander van een hulpverleningstraject zoals het UHA, omdat dit deze ouders kan ondersteunen bij de communicatie en hun ouderschap. De Raad is van mening dat vooralsnog niet kan worden vastgesteld dat de klachten van [minderjarige 1] samenhangen met de wisselmomenten in de zorgregeling. Wel kan de Raad zich voorstellen dat [minderjarige 1] last heeft van de spanningen tussen de ouders en hun moeizame communicatie.

5. De beoordeling

Wettelijk kader

In artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat geschillen over het samen uitoefenen van het gezag op verzoek van een de ouders aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. De rechtbank neemt dan een beslissing die zij in het belang van het kind vindt.

In deze zaak zijn de artikelen 1:253a en 1:377e BW van toepassing. In artikel 1:377e BW staat dat de rechtbank op verzoek van een de ouders een bestaande zorgregeling kan veranderen als de omstandigheden zijn veranderd of als de rechtbank die regeling heeft vastgesteld op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. De rechter moet eerst bekijken of de ouders met elkaar afspraken kunnen maken (artikel 1:253a lid 5 BW).

Uniform Hulpaanbod

Zoals ter zitting al aan ouders medegedeeld, is de rechtbank, mede gelet op hetgeen de Raad ter zitting naar voren heeft gebracht, van oordeel dat de problematiek van deze ouders dringend vraagt om de inzet van een zorgtraject om te werken aan het verbeteren van de onderlinge communicatie en samenwerking. Temeer nu, gezien de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, duidelijk is dat de communicatie en de samenwerking tussen de ouders verbetering behoeft. De rechtbank weegt mee dat eerder hulpverlening is ingezet, maar dat dit tot heden niet tot voldoende verbetering heeft geleid en ouders hierin nog onvoldoende stappen hebben gezet. De rechtbank vindt het noodzakelijk dat de ouders hierbij zorg en ondersteuning krijgen. De rechtbank zal de ouders daartoe, met hun instemming, daarom verwijzen naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-West. Deze beschikking geldt als bevestiging dat de ouders met de doorverwijzing en de daarbij behorende voorwaarden hebben ingestemd.

Met de inzet van het UHA-zorgtraject gaan de ouders, zo is met hen afgesproken, in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:

de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor het kind;

het kind heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund;

de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van het kind.

Na afloop van het UHA-zorgtraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/de toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het zorgloket om de volledige UHA-(eind)rapportage uiterlijk op de hierna te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.

Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich binnen twee weken na ontvangst van de UHA-eindrapportage uit te laten of een nadere zitting van de in deze procedure voorliggende verzoek aangaande het wijzigen van de zorgregeling nodig is. De advocaten dienen in hun reactie kenbaar te maken wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor voormeld verzoek.

Als de hulp onverhoopt niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan verzoekt de rechtbank aan het loket om de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of een interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is om een onderzoek of een interventie te starten.

Als de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, dan stelt de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid om zich over dit advies en over het door hen gewenste verdere verloop van deze procedure uit te laten.

Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad om dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:

In hoeverre komt een wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders tegemoet aan de belangen van [minderjarige 1] ?

Hoe moet de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven worden?

Deze beschikking is een voorwaardelijk verzoek aan de Raad om voormeld onderzoek te verrichten, indien het UHA-traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de Raad dat onderzoek noodzakelijk acht.

Na ontvangst van het rapport en het advies van de Raad, zal de rechtbank de ouders (via hun advocaten) in de gelegenheid stellen om hierop te reageren en, naar aanleiding daarvan, het door hen gewenste verdere procesverloop van deze zaak kenbaar te maken.

In afwachting van het verloop van het zorgtraject, zal de rechtbank, met instemming van partijen, de beslissing over het verzoek tot wijziging van de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] pro forma aanhouden tot hierna te noemen datum. Op verzoek van de zorgaanbieder (via het loket) kan de rechtbank deze termijn uitstellen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Indien de termijn wordt uitgesteld, dan zal de rechtbank een nieuwe pro forma datum doorgeven waarop de UHA-rapportage uiterlijk moet worden ingediend.

De rechtbank gaat ervan uit dat beide ouders zich zullen inspannen om het zorgtraject aan te gaan en om dit met een goed resultaat af te ronden. De belangen van [minderjarige 1] staan hierbij voorop.

6. De beslissing

De rechtbank

verwijst de ouders voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.5 vermelde resultaten naar het zorgloket van de samenwerkende gemeenten in de zorgregio West-Brabant-West. Het loket zal de ouders vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van [minderjarige 1] verwijzen naar (een) zorgaanbieder(s);

verzoekt het loket om uiterlijk op dinsdag 24 november 2026 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulptraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;

verzoekt het loket, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, om de UHA-eindrapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;

verzoekt de Raad, wanneer het UHA-traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, om een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de hiervoor onder rechtsoverweging 5.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;

verzoekt de Raad om zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht, bij de rechtbank in te dienen;

houdt de verdere behandeling van en iedere (verdere) beslissing over het verzoek tot wijziging van de zorgregeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 in aanwezigheid van mr. Busselaar, griffier.

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Busselaar

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand