[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 18 oktober 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 3.248.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag in stand gelaten.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 21 juni 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Jaguar E-Pace 2.0 P160 R-Dynamic S met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 4.996.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van Waardetaxaties.nl van 1 juni 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 33.535, gebaseerd op een koerslijst van Xray. De taxateur heeft een schadebedrag van € 13.241 geconstateerd en dit bedrag volledig op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 20.294.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 28 juni 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 33.573 aan de hand van een koerslijst van Xray. De hertaxateur heeft geen aanleiding gezien om een waardevermindering wegens schade in aanmerking te nemen omdat hij zich op het standpunt stelt dat sprake is van een essentieel gebrek omdat het linker achterlicht gebroken is.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 8.244. Met dagtekening 30 december 2022 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 3.248 aan verschuldigde Bpm.
Overwegingen
4. Tussen partijen is in geschil of de taxatiemethode als afschrijvingsmethode kan worden gebruikt. Meer specifiek is daarbij in geschil of sprake is van essentiële gebreken.
Tussen partijen is niet langer in geschil dat kan worden uitgegaan van een historische nieuwprijs van € 64.594 zoals door belanghebbende bepleit. Verder is niet in geschil dat de koerslijst van Xray van de hertaxateur kan worden gebruikt waaruit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat volgt van € 33.573.
Waardevermindering wegens schade – essentiële gebreken
De bewijslast ten aanzien van de schade rust op belanghebbende. Belanghebbende heeft daartoe gewezen op het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. De inspecteur heeft de door belanghebbende bepleite waardevermindering wegens schade gemotiveerd betwist, door te stellen dat sprake is van essentiële gebreken aan de auto. Bij een auto met essentiële gebreken kan geen enkele vermindering vanwege schade in aanmerking worden genomen, aldus de inspecteur.
De rechtbank stelt het volgende voorop. Indien sprake is van essentiële gebreken waardoor met het motorrijtuig niet kan of mag worden deelgenomen aan het verkeer kan geen vermindering van Bpm plaatsvinden. Dat betekent dat in die situatie de taxatiewaarde niet gebruikt kan worden om de afschrijving en daarmee de verschuldigde Bpm te bepalen. De vraag die beantwoord moet worden is wanneer sprake is van essentiële gebreken.
Vaststaat dat de auto is goedgekeurd door de RDW en dus deel mag nemen aan het verkeer. Door de RDW is kennelijk na beoordeling vastgesteld dat de auto op essentiële onderdelen voldoet aan de vereisten van de wegenverkeerswetgeving en dat geen sprake is van een essentieel gebrek. Naar het oordeel van de rechtbank is deze vaststelling beslissend en is het niet aan de inspecteur om daar een andere invulling aan te geven. Dat betekent dat belanghebbende bij het berekenen van de vermindering Bpm gebruik kan maken van een taxatierapport.
Met betrekking tot de hoogte van de waardevermindering wegens schade overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank leidt uit de stukken af dat beide partijen hebben geconstateerd dat sprake is van schade aan het linker achterlicht. Belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat daarvoor een bedrag van € 875 in aanmerking kan worden genomen en heeft daarvoor verwezen naar de schadecalculatie bij het taxatierapport onder het kopje “Plaatwerker”. De rechtbank kan uit de posten van de schadecalculatie die betrekking hebben op het linker achterlicht echter geen bedrag van € 875 herleiden, en komt tot een bedrag van afgerond € 577,33 (inclusief btw). De rechtbank neemt daarvan € 416 (72%) als waardevermindering in aanmerking.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor het overige sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 33.157.
Hoogte naheffingsaanslag
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 64.594, een handelsinkoopwaarde van € 33.157 en een bruto Bpm van € 15.758 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 8.088. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 4.996 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 3.092.
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft op 8 november 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 19 januari 2023 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 27 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond dertien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
Omdat de bezwaarfase afgerond negen maanden heeft geduurd en daarmee drie maanden te lang komt € 346 (3/13e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 1.154) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.092;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 346;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 1.154;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 184 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.