RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/439897 / JE RK 25-1683
Datum uitspraak: 21 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. I.A.C. Cools te Tilburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende te [woonplaats 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, locatie
Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het nadere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 15 oktober 2025 en alle daarin genoemde stukken;
het raadsrapport, ontvangen op 26 november 2025;
het stelbericht van mr. Cools van 19 januari 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 8 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen.
Gelet op de nauwe samenhang van het onderhavige verzoek met het door de Raad ingediende verzoek over de gezagsbeëindigende maatregel in de zaak met kenmerk C/02/442410 / FA RK 25/6123, zijn deze verzoeken gezamenlijk mondeling behandeld. In beide zaken wordt een afzonderlijke beschikking afgegeven.
De rechtbank heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 15 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 31 oktober 2025 tot 1 mei 2026 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening eveneens verlengd met ingang van 31 oktober 2025 tot 1 mei 2026. De behandeling voor het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling en verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is aangehouden tot donderdag 26 maart 2026 pro forma, in afwachting van het rapport van de Raad.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening.
Laatstelijk bij beschikking van heden in de zaak met kenmerk C/02/442410 / FA RK 25/6123 heeft de rechtbank het gezag van de vader en de moeder over [minderjarige] beëindigd en de GI tot voogd over hem benoemd.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan de orde is nog het resterende deel van het verzoek.
4. De beoordeling
De rechtbank overweegt dat bij beschikking van heden in de zaak met kenmerk C/02/442410 / FA RK 25/6123 het gezag van de vader en de moeder over [persoon] is beëindigd. Voorts is de GI tot voogd van [persoon] benoemd. Die beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het voorgaande betekent dat de GI geen belang meer heeft bij onderhavig verzoek.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
5. De beslissing
De kinderrechter:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Sumner, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.