RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446410 / JE RK 26-504
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, Regio Zeeland-West-Brabant,
locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2011 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. mr. Kalle uit Middelburg,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. W. van der Sande uit Goes.
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met zaaknummer C/02/445159 / FA RK 26-863. Op dit zaaknummer wordt per separate beschikking beslist.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 2] woont bij de moeder. [minderjarige 1] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.
De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
[minderjarige 1] heeft in haar gesprek met de kinderrechter aangegeven dat ze de maatregelen niet echt nodig vindt. Ze heeft geen bezwaar tegen toewijzing van de maatregelen.
[minderjarige 2] heeft in zijn gesprek met de kinderrechter aangegeven de ondertoezichtstelling niet nodig te vinden.
De Raad stelt dat de minderjarigen op dit moment zodanig opgroeien dat zij ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] kunnen zich niet volledig richten op hun eigen ontwikkeling. Er zijn zorgen over (mogelijke) kindeigen problematiek, welke gerelateerd is aan de cognitieve, sociaal-emotionele en identiteitsontwikkeling van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Daarnaast zijn er zorgen over (de impact van) de opvoedomgeving
op de ontwikkeling van de kinderen. De zorg die noodzakelijk is voor het wegnemen van die bedreiging, wordt niet of onvoldoende geaccepteerd. De ouders zijn niet in staat om te overleggen over de (behoeften van de) kinderen en gezamenlijk beslissingen te nemen die in hun belang zijn. Daarnaast is gebleken dat hulpverlening, vanuit een vrijwillig kader, onvoldoende toereikend is om de zorgen te verminderen. De ouders worden in staat geacht de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding binnen een door de persoon en de ontwikkeling van de minderjarigen aanvaardbare termijn te dragen. Daarnaast is een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . Op die manier wordt haar huidige verblijfplaats geborgd.
Namens en door de moeder wordt verklaard dat de moeder achter toewijzing van de maatregelen staat.
Namens en door de vader wordt verklaard dat de vader achter toewijzing van de maatregelen staat.
De GI staat achter de verzoeken van de Raad en er is direct een jeugdbeschermer beschikbaar.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter is met de Raad van oordeel dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ernstig wordt bedreigd. Er is sprake van kindeigen problematiek bij beide kinderen. Beide kinderen gaan inmiddels niet meer school. Verder zijn er zorgen over de opvoedomgeving bij beide ouders en de effecten hierop bij beide kinderen. Er is geen constructieve communicatie tussen de ouders (meer). Daarnaast ontbreekt al langere tijd structureel contact tussen de man en beide minderjarigen.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Het is van groot belang dat een regievoerder in het gedwongen kader mee gaat kijken met deze ouders, zodat de hulpverlening voor de kinderen door kan blijven gaan en de communicatie tussen de ouders hersteld danwel verbeterd wordt.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter zal het onweersproken verzoek van de Raad toewijzen en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding. Op die manier wordt haar huidige verblijfplek gewaarborgd én kan de GI gaan bekijken wat voor [minderjarige 1] het meest passende perspectief is.
De kinderrechter neemt daarbij de volgende doelen mee.
- [minderjarige 1] weet waar zij kan en mag verblijven qua wonen;
- [minderjarige 1] krijgt behandeling passend bij haar problematiek;
- [minderjarige 1] kan haar emoties en gedachten reguleren en/of hierover spreken met een vertrouwenspersoon;
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] krijgen passend onderwijs;
- [minderjarige 2] krijgt begeleiding passend bij zijn problematiek;
- Er is zicht op de opvoedvaardigheden van ouders en de rol die zij kunnen/willen spelen in het leven van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;
- Ouders kunnen (eventueel met hulp van derden) afspraken maken in het belang van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ;
- Ouders belasten [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zo min mogelijk met hun onderlinge spanningen en/of eigen emoties.
De kinderrechter merkt op dat het erg fijn is dat de jeugdbeschermer van deze GI gelijk kan starten.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De kinderrechter doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarigen noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 21 april 2026 en tot 21 april 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 april 2026 en tot 21 oktober 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. Hopmans, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. De Bont, griffier, en op schrift gesteld op 4 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.