RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443581 / JE RK 25-2339
Datum uitspraak: 24 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland-West-Brabant, Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.A. Nunnikhoven.
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] (België).
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de in deze zaak gegeven beschikking van de kinderrechter van 27 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken.
Op 21 april 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder bijgestaan door haar advocaat;
de vader;
- een vertegenwoordigster van de Raad;
- een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikkingen van 31 oktober 2025 en 13 november 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 31 januari 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikkingen van 31 oktober 2025 en 13 november 2025 een (spoed)machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, tot 31 januari 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 januari 2026 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] uitgesproken met ingang van 31 januari 2026 tot 31 januari 2027. Ook heeft de kinderrechter bij deze beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 31 januari 2026 tot 30 april 2026. Het verzoek van de Raad is voor het overige aangehouden.
[minderjarige] verblijft op basis van voornoemde beschikking bij de vader.
3. Het resterende verzoek
Thans ligt ter beoordeling voor het resterende deel van het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, voor de periode van 30 april 2026 tot 30 juli 2026, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De nadere standpunten
Namens de Raad is op de zitting aangevoerd dat de Raad zijn verzoek handhaaft. De moeder heeft in de afgelopen periode positieve stappen gezet. Wel dient er nog zicht te komen op het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Hopelijk kan het begeleid omgangstraject bij Sterk Huis op korte termijn worden gestart. De Raad heeft er vertrouwen in dat binnen de komende drie maanden kan worden gewerkt na een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder en dat een verdere verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet nodig zal zijn.
Namens de GI is op de zitting aangevoerd dat de moeder in de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt. Er dient nog wel zicht te komen op de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . De moeder zal daartoe een begeleid omgangstraject gaan volgen bij Sterk Huis. Hiervoor staat de moeder op een wachtlijst. Sterk Huis wil dit met twee personen oppakken. Inmiddels staat er één persoon klaar om met dit traject te starten; het wachten is nog op een tweede persoon. Op dit moment verblijft [minderjarige] drie van de vier weekenden bij oma en overgrootvader moederszijde (mz). Daar kan de moeder [minderjarige] bezoeken. Daarnaast heeft de moeder in deze weekenden één uur onbegeleid contact met [minderjarige] . Dit gaat goed. De moeder komt verder de afspraken met de GI goed na. De GI bemerkt wel dat het de moeder frustreert dat zij niet gelijk na afronding van haar eigen traject heeft kunnen starten met het begeleid omgangstraject bij Sterk Huis, hetgeen ook de bedoeling was. Om de moeder hierin tegemoet te komen, heeft de GI de moeder extra omgangsmomenten met [minderjarige] gegeven, zoals een middagje naar de Efteling. Verder wenst de GI nog op te merken dat de ouders allebei het beste voor [minderjarige] willen. Daar kunnen zij elkaar ook steeds meer in vinden. Het is fijn te horen dat beide ouders een co-ouderschapsregeling voor ogen hebben. Hiervoor zal het wel nodig zijn dat de vader dichter bij komt wonen. De GI heeft bij Sterk Huis gevraagd om ook over te gaan tot ouderschapsbemiddeling en het toewerken naar een ouderschapsplan. Sterk Huis wil echter eerst insteken op het begeleid omgangstraject en het perspectief voor [minderjarige] .
Door en namens de moeder is op de zitting aangevoerd dat het een stuk beter met haar gaat. Zij heeft inmiddels diverse therapieën positief afgerond. Op dit moment heeft zij alleen nog individuele gesprekken. Eind mei 2026 zal er opnieuw een diagnose bij haar worden gesteld. Wellicht dat hieruit nog volgt dat EMDR of een andere therapie voor haar gewenst is. De moeder vindt het frustrerend dat het begeleid omgangstraject nog niet is gestart en dat [minderjarige] daardoor nog niet bij haar kan worden teruggeplaatst. De moeder zou namelijk het liefste willen dat [minderjarige] vandaag nog bij haar wordt teruggeplaatst. Dit is ook de reden waarom de moeder in de afgelopen periode zo hard aan zichzelf heeft gewerkt. Het is namelijk altijd de bedoeling geweest dat de moeder eerst aan zichzelf zou werken en dat daarna middels een begeleid omgangstraject zicht zou komen op de contacten tussen de moeder en [minderjarige] voordat tot terugplaatsing zou worden overgegaan. Zij hoopt nu wel dat snel met het begeleid omgangstraject zal worden gestart. De moeder vindt een co-ouderschapsregeling met de vader voor [minderjarige] een goed idee. Het is voor [minderjarige] namelijk belangrijk dat zij beide ouders vaak kan zien. Ook voor de ouders is het goed om de zorg over [minderjarige] te verdelen. Momenteel is de moeder met spoed bezig om een rijbewijs te halen, zodat zij de vader kan ontlasten met het halen en brengen van [minderjarige] . Tot die tijd betaalt de moeder mee met de benzinekosten die de vader hiervoor moet maken.
De vader heeft op de zitting aangevoerd dat het goed gaat met de [minderjarige] bij hem thuis. Als de vader moet werken, verblijft [minderjarige] bij de oppas. De vader brengt [minderjarige] drie van de vier weekenden naar oma en overgrootvader mz en haalt haar daar ook weer op De vader is blij te horen dat het met de moeder de goede kant opgaat. Dit is voor [minderjarige] ook heel fijn. De vader overweegt weer terug naar [woonplaats 1] te gaan wonen. Zijn ouders zijn het nog niet eens met een verhuizing naar Nederland, maar de vader zal hierin zijn eigen keuze moeten maken. Als de vader weer in [woonplaats 1] woont, wil hij graag een co-ouderschapsregeling met [minderjarige] . Hij wil in ieder geval een stevige rol blijven vervullen in het leven van [minderjarige] , in goede samenwerking en in co-ouderschap met de moeder. Hij zou het fijn vinden als dat co-ouderschap meteen wordt meegenomen in het perspectief onderzoek. Vader wil voorkomen dat hij wordt buitengesloten of niet gezien door Sterk Huis of de GI.
5. De nadere beoordeling
Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
De kinderrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Hij baseert deze internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid van Verordening (EU) 2019/1111 van 25 juni 2019 (hierna: Brussel II-ter). Op grond van de hoofdregel van artikel 7 Brussel II-ter zijn in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig is gemaakt. Omdat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] ten tijde van de spoedmaatregelen, waaruit de verzoeken om een reguliere ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing zijn voorgekomen, in Nederland was, is de Nederlandse rechter bevoegd. Omdat de Nederlandse rechter bevoegd is, is op grond van artikel 15 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht van toepassing.
Uithuisplaatsing van [minderjarige]
Op grond van artikel 1:265c lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
De kinderrechter stelt op basis van de stukken vast dat de moeder in de afgelopen periode hard aan zichzelf heeft gewerkt. Ze heeft haar therapieën afgerond en enkel nog individuele gesprekken. Hierdoor gaat het steeds beter met de moeder. De moeder staat nog op een wachtlijst voor een begeleid omgangstraject bij Sterk Huis. In afwachting hiervan heeft de moeder in drie van de vier weekenden contact met [minderjarige] bij oma en overgrootvader mz thuis. Tijdens deze weekenden heeft zij ook één uur onbegeleid contact met [minderjarige] . Dit verloopt goed. De rest van de tijd verblijft [minderjarige] bij de vader thuis. Ook dit gaat goed.
De kinderrechter vindt met de Raad en de GI een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder nu nog niet aan de orde. Er zal eerst middels het begeleid omgangstraject bij Sterk Huis zicht moeten komen op de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . De kinderrechter hoopt dat Sterk Huis snel met dit traject van start kan gaan en dat er voor afloop van de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing is toegewerkt naar een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder, bij voorkeur in een co-ouderschapsregeling met de vader. Een co-ouderschapsregeling is immers de regeling die beide ouders voor [minderjarige] voor ogen hebben. De kinderrechter kan zich voorstellen dat ook al tijdens het begeleid omgangstraject zal worden gestart met ouderschapsbemiddeling, zodat de ouders de door hen beoogde regeling op een goede manier vorm kunnen geven en wellicht ook met andere belangrijke afspraken over [minderjarige] in een ouderschapsplan kunnen opnemen. Nu de verhouding tussen de ouders sterk is verbeterd is er aanleiding beide ouders bij het vervolg te betrekken.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, is voldaan. De kinderrechter zal het resterende verzoek dan ook toewijzen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de andere ouder met gezag, te weten de vader, met ingang van 30 april 2026 tot 30 juli 2026;
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. Van Leuven, kinderrechter, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.