RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447005 / FA RK 26-1850
Datum uitspraak: 21 april 2026
(Nadere) beschikking van de kinderrechter over voorlopige voogdij
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad,
betreffende de minderjarige
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Middelburg.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
[oma] , oma moederszijde (hierna te noemen: oma), en [opa], opa moederszijde (hierna te noemen: opa),
gezamenlijk te noemen: de grootouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het (verdere) verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- de beschikking van deze rechtbank van 10 april 2026 en alle daarin genoemde stukken.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder (via een Teams-verbinding);
de grootouders;
een vertegenwoordigster van de Raad;
een vertegenwoordigster van de GI.
2. De feiten
Op [geboortedag] 2025 te [geboorteplaats] is uit de moeder geboren [minderjarige] .
[minderjarige] is niet erkend door de (biologische) vader.
Bij (spoed)beschikking van deze rechtbank van 10 april 2026 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor een periode van twee weken, met ingang van 10 april 2026 en tot 24 april 2026, zonder verhoor van de belanghebbenden. Het resterende deel van het verzoek is aangehouden tot de mondelinge behandeling van heden.
[minderjarige] verblijft bij de grootouders.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt de voorlopige voogdij over [minderjarige] uit spreken, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad. De maatregel is volgens de Raad dringend en onverwijld
noodzakelijk om in de gezagsuitoefening over [minderjarige] te voorzien.
Thans ligt ter beoordeling voor of er nieuwe feiten of omstandigheden zijn die aanleiding geven tot een ander inhoudelijk oordeel dan in de spoedbeslissing van 10 april 2026 is verwoord, alsmede het resterende deel van het verzoek, te weten de voorlopige voogdij over de periode met ingang van 24 april 2026 en tot 10 juli 2026.
4. De standpunten
De Raad handhaaft het verzoek en licht toe dat het belangrijk is dat het goed wordt geregeld voor [minderjarige] . Aanstaande vrijdag vindt er een gesprek tussen moeder en de GI plaats. Hopelijk kunnen er dan afspraken met haar worden gemaakt. Tot slot hoopt de Raad dat het snel beter gaat met de moeder. Zij is immers zelf ook nog minderjarig.
De moeder licht toe dat ze het prima vindt als iemand anders tijdelijk de voogdij krijgt over [minderjarige] , zodat ze het kan overnemen als ze er klaar voor is. [minderjarige] heeft een goede leefomgeving bij de grootouders. De vader is niet in beeld. De moeder heeft wat problemen in de vorm van een depressie na zwangerschap, waardoor het niet goed gaat met haar. Ze moet eerst aan haar problemen werken. De grootouders hebben daarom de zorg over [minderjarige] volledig op zich genomen. De moeder woont nu bij een vriend in [plaats] , omdat een discussie tussen de moeder en oma uit de hand is gelopen. Hierdoor heeft de moeder [minderjarige] al twee weken niet meer gezien. Dit vindt de moeder niet erg, omdat haar problemen niet goed zijn voor [minderjarige] . Ze wil tot slot geen hulp, omdat ze geen labeltje wil en de beschikbare hulp in Nederland ook niet goed vindt.
De GI verklaart dat zij de moeder twee keer telefonisch heeft gesproken. Er zijn afspraken gemaakt over omgang tussen de moeder en [minderjarige] . De zus van de moeder zou hierin een rol willen spelen. Hoewel de moeder aangeeft geen omgang te willen, is dit wel goed voor de hechting van [minderjarige] . Daarnaast is de GI op huisbezoek geweest bij de grootouders. Er zijn vooralsnog geen zorgen naar voren gekomen over de veiligheid van [minderjarige] bij de grootouders.
Oma verklaart dat zij de zorg over [minderjarige] al sinds zijn geboorte deelt met de moeder. Oma draagt nu al twee maanden volledig de zorg over [minderjarige] , omdat de moeder het zwaar vond. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat hij wordt belast met de stress en spanning van de moeder, hetgeen maakt dat de moeder na het incident, waarbij de moeder heeft geschreeuwd, niet naar huis kan komen totdat zij aan zichzelf heeft gewerkt. Oma staat open voor een veilige omgang tussen de moeder en [minderjarige] . Oma vindt het tot slot goed dat de tijdelijke voogdij bij de GI wordt belegd, ondanks dat de grootouders de Raad hebben verzocht om de voorlopige voogdij ben hen te beleggen.
5. De beoordeling
Spoedbeslissing voorlopige voogdij
Bij (spoed)beschikking van deze rechtbank van 10 april 2026 is de GI belast met de voorlopige voogdij over [minderjarige] voor een periode van twee weken, met ingang van 10 april 2026 en tot 24 april 2026, zonder verhoor van de belanghebbenden. De kinderrechter dient nu te beoordelen of er na het horen van de betrokkenen sprake is van nieuwe feiten en/of omstandigheden die leiden tot een ander oordeel. Er zijn, gelet op de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling, geen nieuwe feiten en/of omstandigheden naar voren gekomen die aanleiding geven tot een ander inhoudelijk oordeel dan in de spoedbeslissing van 10 april 2026 is verwoord. Daarom blijft deze eerdere beslissing in stand.
Inhoudelijke beoordeling resterende deel van het verzoek
Ingevolge artikel 1:241 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de Raad, indien blijkt dat een minderjarige niet onder het wettelijk vereiste gezag staat, of dat dit gezag niet over hem wordt uitgeoefend, de kinderrechter verzoeken in de gezagsuitoefening over deze minderjarige te voorzien. Op grond van lid 2 van voornoemd artikel kan de kinderrechter een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet belasten met de voorlopige voogdij over de minderjarige indien het dringend en onverwijld noodzakelijk is om in de gezagsuitoefening van de minderjarige te voorzien teneinde de belangen van de minderjarige te kunnen behartigen.
Op grond van de inhoud van de stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, oordeelt de kinderrechter dat de voorlopige voogdij nog steeds dringend en noodzakelijk in het belang van [minderjarige] is. De moeder is nog steeds minderjarig en daarom niet bevoegd en in staat om het ouderlijk gezag over [minderjarige] uit te oefenen. De vader van [minderjarige] heeft hem niet erkend, oefent ook het gezag niet uit over [minderjarige] en is niet betrokken bij de verzorging en opvoeding. Nu er sprake is van een gezagsvacuüm, acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat de GI belast blijft met de voorlopige voogdij. Door de GI voor de resterende periode met de voorlopige voogdij te belasten, kunnen de belangen van [minderjarige] worden behartigd en beslissingen in zijn belang worden genomen. Hierbij merkt de kinderrechter op dat het onder andere van belang is dat de GI als tijdelijk voogdes goede afspraken maakt met de moeder en de grootouders omtrent de omgang tussen [minderjarige] en de moeder. Het is immers voor de ontwikkeling van een gezonde hechtingsrelatie tussen [minderjarige] en de moeder belangrijk dat zij omgang met elkaar hebben. Ook acht de kinderrechter het in het belang van zowel [minderjarige] als de moeder dat de moeder hulpverlening accepteert voor haar persoonlijke problematiek. Tot slot dient er oog te zijn voor het herstellen van de relatie tussen de moeder en oma.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad toewijzen, te weten voor de periode met ingang van 24 april 2026 en tot 10 juli 2026. De voogdijmaatregel vervalt na afloop van voornoemde periode, tenzij voor het einde van deze termijn om een voorziening in het gezag van [minderjarige] wordt verzocht.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
bepaalt dat Stichting Jeugdbescherming west Zeeland met de voorlopige voogdij over [minderjarige] belast blijft met ingang van 24 april 2026, zulks met dien verstande dat deze maatregel van rechtswege eindigt op 10 juli 2026, tenzij voor het einde van die termijn aan de kinderrechter een voorziening in het gezag over [minderjarige] is verzocht. De voorlopige voogdij loopt dan door totdat op dit verzoek is beslist;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de griffier om krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het centraal gezagsregister.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Oude Weernink, griffier, en op schrift gesteld op 24 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.