RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/447354 / JE RK 26-683
Datum uitspraak: 21 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,
geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,
geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] ,
[minderjarige 3] ,
geboren op [geboortedag 3] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] ,
geboren op [geboortedag 4] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] ,
hierna gezamenlijk te noemen de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[ouder 1]
en
[ouder 2] ,
hierna gezamenlijk te noemen de ouders,
beiden wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren te Gilze.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 april 2026.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
De kinderen wonen bij hun ouders.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026 onder andere de kinderen onder toezicht van de GI gesteld voor de periode van 28 januari 2026 tot 28 januari 2027.
3. Het verzoek
De GI verzoekt, naar de kinderrechter begrijpt, een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van vier weken. De GI verzoekt op dit onderdeel van het verzoek te beslissen zonder eerst de belanghebbenden te horen. Daarnaast verzoekt de GI om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. Ook verzoekt de GI om de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
Het gezin van de ouders telt naast de voornoemde kinderen nog drie kinderen, te weten [minderjarige 5] (13 jaar), [minderjarige 6] (3 jaar) en [minderjarige 7] (2 jaar). De kinderen verblijven volgens vaste afspraken ter ontlasting van de ouders in de weekenden bij [logeeropvang] , zijnde een logeeropvang. Er is sprake van veel escalaties in het gedrag van de kinderen, zowel thuis als bij de logeeropvang. Het blijkt binnen de ingezette hulpverlening en tijdens de logeermomenten vrijwel onmogelijk om het negatieve gedrag van de kinderen te keren, nu zij geen enkele vorm van gezag of autoriteit accepteren, spullen door hen worden vernield, er sprake is van wegloopgedrag en van verbaal en fysiek agressief gedrag naar elkaar en naar de begeleiding. Het lukt de ouders niet langer wegens een gebrek aan draagkracht om voor de kinderen te zorgen en daarnaast aan hun overige drie kinderen thuis rust, veiligheid en ondersteuning te bieden. De ouders zijn feitelijk niet beschikbaar voor de kinderen, zij zijn onvoorspelbaar en er is geen sprake van emotionele nabijheid en betrokkenheid. Dit blijkt ook uit het feit dat de kinderen door de ouders bij de logeerplek worden afgezet met onvoldoende kleding en zonder gedag te zeggen. Ook informeert de moeder niet naar de kinderen, zoals in geval van ziekte. De vader heeft benoemd dat hij ziet dat de moeder overbelast is en dat de kinderen niet langer bij hen kunnen wonen omdat de moeder er anders aan onderdoor zal gaan.
Gedurende de afgelopen periode hebben de kinderen in strijd met de gemaakte afspraken, niet alleen in de weekenden maar ook regelmatig op andere momenten bij de logeeropvang verbleven. Bovendien hebben de ouders op zondag, 19 april 2026 aangegeven hen niet op te zullen halen bij de logeeropvang en niet meer bij machte te zijn om de verantwoording/verantwoordelijkheid te nemen over de kinderen. De ouders hebben daarop, ook na contacten met de bereikbaarheidsdienst en de teammanager van de GI, duidelijk gemaakt dat zij hun standpunt handhaven. De ouders hebben de kinderen vervolgens niet bij de logeeropvang opgehaald. Wel hebben zij daar wat kleding voor de kinderen afgegeven. Ook hebben de ouders tegen de kinderen verteld dat zij met vakantie gaan en niet meer terug zullen keren. Dit heeft bij de kinderen tot veel spanning en onduidelijkheid geleid. Daarover hebben zij letterlijk aangegeven “We kunnen niet naar huis, we mogen niet naar huis”.
[logeeropvang] is in de basis bedoeld als een plek voor dagbesteding en opvang in het weekend. De kinderen kunnen dus niet langere tijd achtereen aldaar verblijven. Zij moeten dan ook naar een andere verblijfssituatie.
Op basis van voormelde informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is dat de kinderen in het belang van hun verzorging en opvoeding, met spoed, uit huis worden geplaatst. De kinderrechter is in dit kader ook van oordeel dat een mondelinge behandeling ter zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor de kinderen. Daarbij neemt de kinderrechter in aanmerking dat gebleken is dat deze kinderen, althans op dit moment, niet terug kunnen naar de thuissituatie bij de ouders. De ouders hebben, kennelijk, aangegeven dat zij deze vier kinderen niet terug willen. De voortduren van het verblijf van de kinderen bij [logeeropvang] is, gezien de aard van de logeeropvang, niet wenselijk.
De GI heeft een locatie op het oog waar de kinderen gezamenlijk kunnen worden geplaatst en waar zij voor langere tijd kunnen verblijven.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de GI machtigen om de kinderen met spoed uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van twee weken. Het resterende deel van het spoedverzoek en het verzoek om een reguliere machtiging te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, derhalve tot 28 januari 2027, zal worden aangehouden tot de hierna te noemen zitting. Verdere beslissingen zal de kinderrechter pas nemen nadat hij de GI, de ouders en de advocaat van de ouders, de gelegenheid heeft gegeven om hierover te worden gehoord.
De kinderrechter zal zijn toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat deze beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zullen in de gelegenheid worden gesteld hun mening over het verzoek kenbaar te maken ter gelegenheid van een afzonderlijk kindgesprek, waarvoor zij door de griffier van de rechtbank zullen worden opgeroepen.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 21 april 2026 tot 5 mei 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de behandeling van het resterende deel van het spoedverzoek en het verzoek om een reguliere machtiging te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling aan en roept de GI, de ouders en hun advocaat, op voor de zitting van kinderrechter mr. Van Leuven op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, aan Stationslaan 10 in Breda;
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de zitting op voormelde datum en tijdstip voor de GI en de ouders en hun advocaat;
verzoekt de griffier om de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op te roepen voor een kindgesprek op een afzonderlijke datum en tijdstip gelegen vóór de zittingsdatum;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Toekoen, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026, in aanwezigheid van Baremans als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.