[belanghebbende] B.V., gevestigd te [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof, Bothof Services B.V.),
en
de inspecteur van de belastingdienst, de inspecteur,
en
de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 21 november 2023.
De inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd van € 4.179.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de naheffingsaanslag in stand gelaten.
De rechtbank heeft het beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens belanghebbende mr. M.U. Sahin, verbonden aan Bothof Services B.V. en namens de inspecteur mr. [inspecteur 1] en mr. [inspecteur 2] .
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt of de inspecteur de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende heeft opgelegd. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond moeten worden verklaard en dat de naheffingsaanslag moet worden verminderd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten
3. Belanghebbende heeft op 11 maart 2022 aangifte gedaan ter zake van de inschrijving van een Mercedes Benz GLE-klasse Coupé 400d 4Matic premium met [VIN-nummer] (de auto), en een bedrag aan Bpm voldaan van € 11.690.
Bij de aangifte is een taxatierapport gevoegd van JB Taxaties B.V. van 3 maart 2022. Daarin is een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat opgenomen van € 53.300, gebaseerd op een marktonderzoek waarbij is uitgegaan van de gemiddelde vraagprijs van vier referentievoertuigen verminderd met een handelsmarge van 35%. De taxateur heeft een schadebedrag van afgerond € 15.591 geconstateerd en daarvan € 13.300 in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde. De taxateur heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 40.000.
De inspecteur heeft een hertaxatie laten verrichten door Dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ). De bevindingen zijn opgenomen in een rapport van 29 maart 2022. De hertaxateur heeft de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat vastgesteld op € 56.581 aan de hand van een koerslijst van Xray. De hertaxateur heeft een bedrag aan schade geconstateerd van € 1.283 en daarvan € 924 (72%) op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Hij heeft de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vastgesteld op € 55.657.
De inspecteur heeft op basis van de hem ter beschikking staande gegevens het standpunt ingenomen dat de verschuldigde Bpm moet worden vastgesteld op € 15.869. Met dagtekening 11 november 2022 is aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 4.179 aan verschuldigde Bpm.
Overwegingen
4. Tussen partijen is in geschil of sprake is van schending van het mandaatverbod. Verder is in geschil welke afschrijvingsmethode moet worden toegepast, de hoogte van de historische nieuwprijs en de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat.
Mandaatverbod
Belanghebbende heeft gesteld dat de uitspraak op bezwaar mogelijk onbevoegd is genomen. Ter onderbouwing voert hij aan dat de kennisgeving en de mededeling naheffingsaanslag zijn ondertekend door drs. [persoon 1] , maar dat mag worden aangenomen dat [persoon 1] , als algemeen directeur van de afdeling Centrale Administratieve Processen, niet zelf betrokken is geweest bij het opstellen van deze stukken. Volgens belanghebbende kan daarom niet worden uitgesloten dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde persoon zijn opgelegd c.q. gedaan.
De uitspraak op bezwaar is getekend door [persoon 2] . De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat hij op dat moment in zijn systeem kan zien dat een medewerker met de afkorting “ [afkorting] ” de behandelaar van de naheffingsaanslag was. De rechtbank heeft geen redenen om aan deze verklaring te twijfelen en is van oordeel dat de inspecteur hiermee voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in strijd heeft gehandeld met het mandaatverbod bij het doen van uitspraak op bezwaar. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van belanghebbende dat deze verklaring van de inspecteur tardief moet worden verklaard. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de inspecteur ter zitting heeft gereageerd op een stelling die belanghebbende in haar beroepschrift heeft ingenomen. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval geen aanleiding om de verklaring ter zitting van de inspecteur buiten beschouwing te laten.
Afschrijvingsmethode
Indien sprake is van een voertuig met meer dan normale gebruiksschade of indien sprake is van een voertuig dat niet voorkomt op een in de handel algemeen toegepaste koerslijst mag de afschrijving worden bepaald aan de hand van een taxatierapport.
Is sprake van meer dan normale gebruiksschade?
De taxateur van belanghebbende heeft schade geconstateerd voor een bedrag van € 15.591 en daarvan 85% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. De hertaxateur van DRZ heeft ook schade in aanmerking genomen, ter grootte van € 1.283 en daarvan 72% op de handelsinkoopwaarde in mindering gebracht. Nu beide partijen uitgaan van een waardevermindering wegens schade is de rechtbank van oordeel dat de afschrijving voor de auto in het onderhavige geval kan plaatsvinden aan de hand van de taxatiemethode op de grond dat sprake is van meer dan normale gebruiksschade.
De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting van de inspecteur, aan de hand van het taxatierapport en de foto’s niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een hoger bedrag aan schade dan waar de inspecteur reeds rekening mee heeft gehouden. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de auto anderhalf jaar oud is en 44.859 kilometer heeft gereden.
De door belanghebbende overgelegde reparatiefacturen brengen daarin geen verandering. De inspecteur heeft gemotiveerd betwist dat de facturen betrekking hebben op de onderhavige auto. Belanghebbende heeft daartegenover gesteld dat zij deze facturen van de cliënt heeft ontvangen. De rechtbank stelt vast dat op de facturen alleen de merknaam van de auto is vermeld, en dat er geen kenteken of VIN-nummer bij is vermeld, zodat niet met zekerheid is te vast te stellen dat deze facturen betrekking hebben op de auto zelf. Het gelijk is op dit punt aan de inspecteur.
Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een hoger percentage dan 72% als waardevermindering in aanmerking te nemen. Belanghebbende heeft daarvoor niet aan de op haar rustende bewijslast voldaan. De rechtbank gaat daarom uit van een waardevermindering van € 924, te weten 72% van € 1.283.
De overige stellingen van de inspecteur met betrekking tot het taxatierapport hoeven dan geen behandeling meer.
Historische nieuwprijs
Belanghebbende gaat uit van eenzelfde netto catalogusprijs (€ 82.710) als DRZ. De rechtbank ziet geen aanleiding hiervan af te wijken. De rechtbank stelt de historische nieuwprijs daarom vast op € 137.287 zoals door belanghebbende bepleit en verwijst hiervoor naar hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald in zijn arrest van 22 december 2023.
Handelsinkoopwaarde
Belanghebbende bepleit een handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat van € 56.581 zoals volgt uit de koerslijst van Xray die door DRZ bij de hertaxatie is gebruikt.
De inspecteur heeft ter zitting verklaard dat van deze koerslijst kan worden uitgegaan. De rechtbank stelt de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat daarom vast op € 56.581.
Voor zover de inspecteur zich nader op het standpunt stelt dat als de historische nieuwprijs van de auto hoger is dan van de referentieauto dit er tevens toe leidt dat de handelsinkoopwaarde van de auto hoger is, volgt de rechtbank deze stelling niet.
De rechtbank vindt voor de stelling dat het afschrijvingspercentage gelijk moet zijn aan die van de referentieauto ook geen aanknopingspunten in het onder 4.8. vermelde arrest van de Hoge Raad, zoals de inspecteur heeft gesteld. De rechtbank leidt uit rechtsoverwegingen 3.2.3 en 3.4. van het arrest van de Hoge Raad juist het tegendeel af, te weten dat het afschrijvingspercentage niet per definitie gelijk blijft. Het uitgangspunt is dat de werkelijke waardedaling voldoende wordt benaderd.
Gelet op al het vorenoverwogene stelt de rechtbank de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat vast op € 55.657.
Hoogte naheffingsaanslag
Uitgaande van een historische nieuwprijs van € 137.287, een handelsinkoopwaarde van € 55.657 en een bruto Bpm van € 37.208 stelt de rechtbank de verschuldigde Bpm vast op € 15.084. Belanghebbende heeft op aangifte reeds een bedrag van € 11.690 voldaan zodat de naheffingsaanslag moet worden verlaagd naar € 3.394. De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval interne compensatie toe te passen zoals de inspecteur heeft verzocht.
Immateriële schadevergoeding
Belanghebbende heeft op 19 december 2023 verzocht om toekenning van een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen het onderhavige geschil beslecht had moeten zijn.
De rechtbank stelt vast dat de inspecteur het bezwaarschrift op 18 november 2022 heeft ontvangen. De rechtbank doet uitspraak op 27 januari 2026. De redelijke termijn van twee jaar is met afgerond vijftien maanden overschreden. Belanghebbende heeft recht op een schadevergoeding van € 1.500.
Omdat de bezwaarfase afgerond dertien maanden heeft geduurd en daarmee zeven maanden te lang komt € 700 (7/15e) voor rekening van de inspecteur en de rest (€ 800) voor rekening van de Staat. De rechtbank merkt de Staat in zoverre mede aan als partij in dit geding.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom de uitspraak op bezwaar. Omdat het beroep gegrond is moet de inspecteur het griffierecht aan belanghebbende vergoeden en krijgt belanghebbende ook een vergoeding van haar proceskosten.
De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In bezwaar heeft elke proceshandeling een waarde van € 666. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934. De gemachtigde heeft een bezwaarschrift ingediend, de hoorzitting bijgewoond, een beroepschrift ingediend en heeft aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.200.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 3.394;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 700;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan belanghebbende van € 800;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 365 aan belanghebbende moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 3.200 aan proceskosten aan belanghebbende.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A. den Braber-Riemens, rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.M. de Fouw, griffier.
De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.