Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
Parketnummer: 02-239465-25
Parketnummer TUL: 02-392253-24
Vonnis van de meervoudige kamer van 22 mei 2026
[verdachte] ,
geboren te [geboorteland] op [geboortedag 1] 1997,
correspondentieadres [adres 1] ,
raadsvrouw mr. J.L.R.M. Smolders, advocaat te Rijen.
1. Onderzoek op de terechtzitting
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 11 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. D.E. van Hout en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
Ter zitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zijn ex-partner heeft mishandeld en bedreigd en dat hij de woning van zijn ex-partner wederrechtelijk is binnengedrongen en daar goederen heeft vernield.
3. De voorvragen
De dagvaarding is geldig.
De rechtbank is bevoegd.
De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht op grond van de stukken in het dossier wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de bedreiging en de vernieling van het raam en kozijn. Ten aanzien van de vernieling van de camera en televisie, de huisvredebreuk en de mishandeling bepleit de verdediging vrijspraak.
Het oordeel van de rechtbank
De bewijsmiddelen
De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.
De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs
Niet ter discussie staat dat verdachte in de woning van aangeefster aanwezig was in de nacht van 9 op 10 september 2025. Over wat er in de woning van aangeefster is gebeurd, lopen de verklaringen van verdachte en aangeefster uiteen.
Feit 1
De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat verdachte op 10 september 2025 aangeefster heeft geduwd, in het gezicht heeft geslagen en met een staaf tegen haar bovenarm heeft geslagen. In tegenstelling tot de verdediging, acht de rechtbank het letsel, dat zichtbaar is op de foto’s die bij de aangifte zijn gevoegd, passend bij de ten laste gelegde (en door aangeefster in haar aangifte genoemde) gedragingen. De rechtbank acht om deze reden feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 2
Op basis van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 september 2025 een raam en kozijn behorende bij de woning van aangeefster en de televisie van aangeefster heeft beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat de tv (nog steeds) van hem was onaannemelijk, nu hij daar pas ter terechtzitting mee is gekomen. Bovendien stond de tv in de woning van aangeefster en was deze bij haar in gebruik.
Voor het vernielen van de camera acht de rechtbank naast de aangifte onvoldoende steunbewijs aanwezig in het dossier. Verdachte zal hiervan om deze reden worden vrijgesproken.
Feit 3
Eveneens acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 10 september 2025 wederrechtelijk de woning van aangeefster is binnengedrongen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij met toestemming van aangeefster in haar woning aanwezig was. Gelet op de omstandigheden waaronder verdachte de woning binnen is gedrongen (beschreven in de aangifte en ondersteund door de bevindingen van de politie ter plaatse), acht de rechtbank het niet aannemelijk dat verdachte toestemming van aangeefster had. Verdachte is immers ’s nachts, terwijl aangeefster en haar dochtertje lagen te slapen, de woning van aangeefster binnengekomen door een raam en kozijn te beschadigen, nadat aangeefster hem had gezegd dat zij de voordeur niet voor hem wilde openmaken. Meteen nadat verdachte zich toegang heeft verschaft tot de woning hebben zowel aangeefster als een buurvrouw de politie gealarmeerd. Iemand die zichzelf toegang tot een woning verschaft door middel van braak of inklimming in de voor de nachtrust bestemde tijd, wordt geacht wederrechtelijk te zijn binnengedrongen.
Feit 4
De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen gelet op de verklaring daarover van verdachte ter terechtzitting en de overige bewijsmiddelen (aangifte en (vertaalde) berichten) in het dossier. Dat verdachte niet de bedoeling had om aangeefster met deze berichten te bedreigen, oordeelt de rechtbank gelet op de gebruikte bewoordingen niet aannemelijk. Aangeefster acht verdachte in staat om de bedreigingen uit te voeren en vreesde voor haar leven. Gelet op de inhoud van de bedreiging en de omstandigheden waaronder deze heeft plaatsgehad, kon bij aangeefster in redelijkheid de vrees ontstaan voor het misdrijf waarmee is gedreigd.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
1op 10 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] (zijn ex-partner) heeft mishandeld, door voornoemde [slachtoffer 1] met kracht tegen het lichaam te duwen en tegen het gezicht te slaan en met een staaf op haar rechter bovenarm te slaan;
2op 10 september 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk een raam en een kozijn behorende bij de woning gelegen aan de [adres 2] en een (beeldscherm van een) televisie die aan [slachtoffer 1] , toebehoorden heeft, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;
3op 10 september 2025, omstreeks 02.33 uur, te [plaats] in de woning gelegen aan de [adres 3] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] in de nachtelijke uren wederrechtelijk is binnengedrongen door:- op het balkon op de eerste verdieping te klimmen en- te roepen dat die [slachtoffer 1] de deur open moest doen en- (terwijl die [slachtoffer 1] vertelde dat zij de deur niet wilde openen), aan de schuifdeur te trekken en- (toen hij op voornoemde wijze niet binnen kon komen) (aan de andere zijde van de woning) (via de schutting) het raam op de eerste verdieping vast te pakken en/of het (volledige) kozijn uit de sponning te trekken en- (vervolgens) voornoemde woning in te klimmen;
4hij op 24 augustus 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door aan de zus van voornoemde [slachtoffer 1] via WhatsApp berichten met (be)dreigende tekst(en) te sturen, te weten:- “Ik ga haar bij god vermoorden” en-“ [persoon] , of je zoon wel of niet er is, ik blijf beneden, goed? Ik heb niks anders te zeggen, ik ga niet weg voordat ik boven kom en zelf ervan zeker zijn, want ik wil nietmisleid worden, ik wil het zelf controleren en als ik iets boven aantref dan ga ik henbeide vermoorden, goed?”.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5. De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 40 weken waarvan 16 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met de bijzondere voorwaarden zoals zijn geadviseerd door de reclassering en met aftrek van het voorarrest. Daarnaast verzoekt zij het contactverbod ook op te leggen als een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voor de duur van 5 jaar waarbij per overtreding twee weken hechtenis moet worden opgelegd met een maximum van 6 maanden hechtenis. De officier van justitie verzoekt de rechtbank verder om te bepalen dat de bijzondere voorwaarden en de vrijheidsbeperkende maatregel dadelijk uitvoerbaar zijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
Het oordeel van de rechtbank
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een viertal strafbare feiten ten aanzien van zijn ex-partner, tevens de moeder van hun dochter. Hij heeft aangeefster mishandeld en bedreigd en is in de nachtelijke uren haar woning binnengedrongen waar hij haar tv en kozijn heeft beschadigd. Door op dergelijke wijze te handelen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van aangeefster. Ook heeft hij geen enkel respect getoond voor aangeefster en haar eigendommen.
Het is niet de eerste keer dat verdachte zich schuldig maakt aan huiselijk geweld. Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor mishandeling, vernieling en binnendringen in een woning in het kader van huiselijk geweld ten aanzien van hetzelfde slachtoffer. Hierdoor is er sprake van recidive, wat de rechtbank in het nadeel van verdachte meeweegt. Ook is sprake van artikel 63 Wetboek van Strafrecht aangezien verdachte op 17 september 2025 is veroordeeld door de politierechter.
De rechtbank heeft acht geslagen op het psychologisch rapport van 26 maart 2026. Daaruit blijkt dat bij verdachte sprake is van acculturatieproblematiek in combinatie met een gebrekkige coping- partner- en relatieproblematiek. Er kon gelet op de beperkingen van het onderzoek geen persoonlijkheidsstoornis worden vastgesteld, maar er is wel sprake van borderline persoonlijkheidstrekken en van middelenproblematiek.
Ook houdt de rechtbank rekening met het reclasseringsadvies van 1 april 2026 dat over verdachte is opgemaakt. Uit dit rapport blijkt dat er al jarenlang zorgen zijn omtrent de relatiedynamiek tussen verdachte en aangeefster, waarbij hun dochter wordt blootgesteld aan de onveiligheid tussen hen. De reclassering ziet risicoverhogende factoren in het psychosociaal functioneren van verdachte, zijn middelengebruik, zijn relatie en in zijn houding. De reclassering vraagt zich af in hoeverre verdachte sociaal wenselijk antwoord geeft. Hij houdt zich namelijk niet aan de beloftes die hij maakt, waardoor de reclassering hem onbetrouwbaar acht. De reclassering ziet nauwelijks beschermende factoren. Verdachte heeft sinds een aantal maanden een nieuwe vriendin. Deze relatie wordt door beiden beschreven als positief. Gelet op de proceshouding van verdachte kan de reclassering het recidiverisico niet inschatten. Wel verondersteld de reclassering dat het risico op recidive samenhangt met de instabiliteit op meerdere leefgebieden. Ondanks de twijfels over de haalbaarheid en uitvoerbaarheid van reclasseringstoezicht, adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen, een contactverbod met aangeefster en hun dochter, dagbesteding en beheersing middelengebruik. De reclassering adviseert ook met dochter een contactverbod, nu zij getuige is geweest van de verstoorde relatiedynamiek en escalaties tussen haar ouders. Omdat in het verleden is gebleken dat verdachte zich niet liet weerhouden door opgelegde contactverboden, adviseert de reclassering het contactverbod eveneens op te leggen in het kader van een maatregel op grond van artikel 38v Sr. Daarbij adviseert de reclassering dadelijke uitvoerbaarheid van de voorwaarden en de maatregel.
Gelet op de aard en ernst van het feiten en de omstandigheden waarin deze zijn gepleegd, de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht daarbij een voorwaardelijk deel van de straf nodig, om een behandelkader mogelijk te maken. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte moet worden opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 270 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest, met een proeftijd van drie jaar. De rechtbank acht een langere proeftijd dan geëist door de officier van justitie noodzakelijk gelet op het feit dat verdachte al sinds 2022 hulp ontvangt, maar hij desondanks sindsdien meerdere keren is veroordeeld voor huiselijk geweld. Bovendien is hij tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in onderhavige strafzaak meermalen de voorwaarden niet nagekomen. Verdachte bleef zowel in detentie als tijdens zijn schorsing contact zoeken met aangeefster. Er blijkt bij verdachte sprake te zijn van een bepaalde hardnekkigheid in verkeerd gedrag. Om deze reden koppelt de rechtbank aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn geadviseerd, te weten meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen, een contactverbod met aangeefster en hun dochter, dagbesteding en beheersing van middelengebruik.
Nu zowel uit het strafblad van verdachte als uit het reclasseringsrapport blijkt dat er ernstig rekening mee dient te worden gehouden dat hij wederom een misdrijf zal begaan gericht tegen of dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van aangeefster, zal de rechtbank deze bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren.
Daarnaast legt de rechtbank op een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr. Zij zal deze maatregel opleggen in de vorm van een contactverbod ten aanzien van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat een contactverbod noodzakelijk is ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van aangeefster en hun dochter. Deze maatregel zal worden opgelegd voor de duur van 5 jaar. De rechtbank beveelt daarbij dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden.
Contactherstel tussen verdachte en dochter zal enkel en alleen dienen plaats te vinden onder begeleiding van hulpverlening.
Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster wordt eveneens bevolen dat de 38v-maatregel dadelijk uitvoerbaar is.
7. De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert immateriële schadevergoeding voor feiten 1 tot en met 4. Zij specificeert daarbij geen bedrag.
De toelichting van de vordering is erg summier, met name waar het de psychische gevolgen van de benadeelde betreft. Op basis daarvan kan de rechtbank niet vaststellen dat sprake is van een aantasting in de persoon als bedoeld in artikel 6:106 BW, op grond waarvan recht bestaat op smartengeld. Nu daarover nader debat en mogelijk bewijsvoering nodig is, waartoe dit strafgeding zich niet leent, zal de rechtbank de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Desgewenst kan de vordering worden aangebracht bij de civiele rechter.
Om voornoemde reden, bestaat evenmin grond om een schadevergoedingsmaatregel op te leggen, zoals door de officier van justitie gevorderd.
8. De vordering tenuitvoerlegging
De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van 7 dagen die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 30 januari 2025 ten uitvoer zal worden gelegd.
De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.
De rechtbank zal verdachte in de gelegenheid stellen een werkstraf van 30 uur te verrichten in plaats van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
9. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 57, 63, 138, 285, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
10. Beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feit 1: mishandeling, meermalen gepleegd
feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen en/of onbruikbaar maken, meermalen gepleegd
feit 3: in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen
feit 4: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 270 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar;
- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- stelt als bijzondere voorwaarden:
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de verslavingsreclassering Novadic Kentron, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt verdachte zich binnen drie dagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Novadic Kentron op het adres Jan Wierhof 14, te Tilburg;
* dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door Novadic Kentron verslavingszorg of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is in ieder geval gericht op diagnostiek, verslavingsproblematiek en agressiebeheersing. Gelet op deze problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie en/of stabilisatie noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken.
Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing;
* dat verdachte als de reclassering dat nodig vindt, verblijft bij SMO Traverse of een soortgelijke instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;
* dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , tenzij contact door middel van professionele hulpverleners verloopt;
* dat verdachte zich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag;
* dat verdachte gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs) en middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;
* dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;
* dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde/voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
- bepaalt dat de aan de voorwaardelijke straf verbonden voorwaarden en het op de naleving van die voorwaarden uit te oefenen reclasseringstoezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
Maatregel
- legt op de maatregel dat verdachte voor de duur van 5 jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] ( [geboortedag 2] 1995) en [slachtoffer 2] (dochter van verdachte), tenzij contact door middel van professionele hulpverleners verloopt;
- beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 2 weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van 6 maanden;
- bepaalt dat toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft;
- beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens aangeefster en hun dochter;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;
Vordering tenuitvoerlegging
- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van 30 januari 2025 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 02-392253-24 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 dagen;
- gelast dat deze ten uitvoer te leggen gevangenisstraf wordt vervangen door een taakstraf van 30 uren;
- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 7 dagen;
Voorlopige hechtenis
- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.W. Louwerse, voorzitter,
en mr. J.F.C. Janssen en mr. D. Fontein, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S.E. van Wijk, griffier,
en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 mei 2026.
Mr. D. Fontein is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij:
1hij op of omstreeks 10 september 2025 te [plaats] [slachtoffer 1] (zijn ex-partner)heeft mishandeld, door voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, met krachttegen het lichaam te duwen en/ofin/tegen het gezicht te slaan en/of te stompen en/of met een ijzeren staaf, althanseen onderdeel afkomstig van een kozijn, op haar rechter bovenarm te slaan;( art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
2hij op of omstreeks 10 september 2025 te [plaats] opzettelijk en wederrechtelijk eenraam en/of een kozijn behorende bij de woning gelegen aan de [adres 2][adres 2] en/of een of meer andere goederen, te weten een camera en/of een(beeldscherm van een) televisie, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten deleaan een ander, te weten aan [slachtoffer 1] , toebehoorde(n) heeft vernield,beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt( art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
3hij op of omstreeks 10 september 2025, omstreeks 02.33 uur, te [plaats] in dewoning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, gelegen aan de [adres 3][adres 3] , bij een ander, te weten bij [slachtoffer 1] , althans bij eenander of anderen dan bij verdachte in gebruik, in de nachtelijke urenwederrechtelijk is binnengedrongen door:- op het balkon op de eerste verdieping te klimmen en/of- te roepen dat die [slachtoffer 1] de deur open moest doen en/of- één of meerdere goed(eren) op het balkon, waaronder een camera, te vernielen,en/of- (terwijl die [slachtoffer 1] vertelde dat zij de deur niet wilde openen), aan de schuifdeur tetrekken en/of- (toen hij op voornoemde wijze niet binnen kon komen) (aan de andere zijde vande woning) (via de schutting) het raam op de eerste verdieping vast te pakken en/ofhet (volledige) kozijn uit de sponning te trekken en/of- (vervolgens) voornoemde woning in te klimmen, althans binnen te gaan;( art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht )
4hij op of omstreeks 24 augustus 2025 te [plaats] , in elk geval in Nederland, [slachtoffer 1][slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zwaremishandeling, door aan de zus van voornoemde [slachtoffer 1] via WhatsApp berichten met(be)dreigende tekst(en) te sturen, te weten:- dat hij haar (die [slachtoffer 1] ) ging vermoorden en/of- “Ik ga haar bij god vermoorden” en/of-“Ze weet dat ze geneukt gaat worden” en/of-“Hij gaat mijn voeten willen kussen” en/of-“ [persoon] , of je zoon wel of niet er is, ik blijf beneden, goed? Ik heb niks anders tezeggen, ik ga niet weg voordat ik boven kom en zelf ervan zeker zijn, want ik wil nietmisleid worden, ik wil het zelf controleren en als ik iets boven aantref dan ga ik henbeide vermoorden, goed?”,althans woorden van gelijk dreigende aard en/of strekking( art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht )