ECLI:NL:RBZWB:2026:4473

ECLI:NL:RBZWB:2026:4473

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 02-247817-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Een langslepende burenruzie is volledig geëscaleerd en verdachte is zijn buurman op straat zwaaiend met een hakbijl achterna is gerend en heeft hem daarbij ook geraakt waardoor letsel werd toegebracht. Voor de poging tot doodslag op de buurvrouw wordt verdachte vrijgesproken omdat niet bewezen kan worden dat hij haar met een hakbijl heeft geslagen of haar heeft geduwd en ook niet dat zij daardoor letsel heeft opgelopen. Rechtbank verwerpt de verweren betreffende de straf- en schulduitsluitingsgronden en veroordeeld verdachte tot een gevangenisstraf van 346 dagen, met aftrek, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met daarbij een fors aantal bijzondere voorwaarden. Daarnaast nog een werkstraf van 240 uren.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-247817-25

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 mei 2026

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag 1] 1971,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het [adres]

,

raadsvrouw mr. A. Darrazi, advocaat te Breda.

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. L. Verhoeven en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

3. De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] . Verdachte heeft bekend [slachtoffer 1] met een hakbijl te hebben geslagen. Gelet op de aard van het wapen en het maken van hakkende/stekende bewegingen in de richting van het lichaam van [slachtoffer 1] terwijl hij achter hem aanrende, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden.

Feit 2

Ten aanzien van feit 2 is de officier van justitie van mening dat het primair impliciet subsidiair ten laste gelegde, te weten de poging tot zware mishandeling van [slachtoffer 2] , wettig en overtuigend kan worden bewezen. De aangifte wordt ondersteund door de context waarin het geheel zich heeft afgespeeld en de medische informatie over het letsel. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 2] met de achterzijde van de hakbijl op haar hoofd heeft geslagen.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de poging tot doodslag op [slachtoffer 1] en verzoekt verdachte hiervan vrij te spreken. Er kan op grond van het dossier niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans was dat [slachtoffer 1] zou komen te overlijden en dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Het enkel zwaaien met een hakbijl richting het lichaam is hiervoor onvoldoende.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank betreffende de poging tot zware mishandeling.

Feit 2

De verdediging verzoekt verdachte vrij te spreken van de poging tot doodslag dan wel zware mishandeling, nu niet kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer 2] met een hakbijl heeft geslagen of geduwd noch dat zij hierdoor letsel heeft opgelopen. Dit maakt dat verdachte ook ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit, te weten de mishandeling, dient te worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feit 1

De rechtbank stelt vast dat verdachte [slachtoffer 1] met een hakbijl heeft geslagen. Verdachte heeft verklaard dat hij met een hakbijl achter [slachtoffer 1] is aangerend, dat hij met de hakbijl slaande bewegingen heeft gemaakt in de richting van [slachtoffer 1] en dat hij [slachtoffer 1] tweemaal heeft geraakt. Ter zitting heeft verdachte hier nog aan toegevoegd dat hij [slachtoffer 1] bewust heeft geraakt uit pure woede.

De vraag is of verdachte met zijn handelen (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] . Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte de bedoeling heeft gehad om aangever [slachtoffer 1] van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van zogenoemd ‘vol opzet’ op de dood van [slachtoffer 1] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer 1] – is aanwezig wanneer verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten, dat wil zeggen: een in de gegeven omstandigheden reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid.

De rechtbank is van oordeel dat het meerdere keren slaan met een hakbijl tegen het lichaam naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans op de dood in het leven roept. Een hakbijl betreft een zeer scherp en zwaar gereedschap dat bedoeld is om harde voorwerpen gemakkelijk te kunnen splijten. Op het moment dat je met een dergelijk gereedschap op korte afstand slaande bewegingen richting een lichaam maakt, is er een aanmerkelijk kans dat dat lichaam wordt geraakt op delen waar slagaders of organen aanwezig zijn die belangrijk zijn voor de levensfunctie van dat lichaam.

Voor de vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van deze aanmerkelijke kans heeft te gelden dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat ook sprake kan zijn van bewuste schuld. In dat verband kunnen de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang zijn. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behalve als sprake is van contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Het met een hakbijl meerdere slaande bewegingen op korte afstand van aangever maken, is naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het veroorzaken van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte deze kans ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .

Feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit. Op basis van het dossier kan niet buiten redelijke twijfel worden vastgesteld dat verdachte [slachtoffer 2] met een hakbijl heeft geslagen of geduwd en ook niet dat [slachtoffer 2] door dit handelen letsel heeft opgelopen. Verdachte ontkent het feit stellig en heeft als alternatief scenario voor het ontstane letsel aangevoerd dat [slachtoffer 2] is gevallen toen [slachtoffer 1] zijn woning binnen rende, omdat [slachtoffer 2] toen in de deuropening van de woning stond.

Zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] hebben verklaard dat [slachtoffer 2] door verdachte met een hakbijl is geslagen, maar hun verklaringen over het moment waarop en hoe dat gebeurd zou zijn, staan haaks op elkaar. Beide verklaringen worden niet ondersteund door andere (objectieve) bewijsmiddelen in het dossier. Bovendien sluit het bij [slachtoffer 2] geconstateerde letsel niet uit dat dit door een val is veroorzaakt.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.op 20 september 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven meermalen met een hakbijl slaande bewegingen heeft gemaakt tegen het lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Het standpunt van de verdediging

In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van feit 1, verzoekt de verdediging verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege het navolgende.

Noodweer

De verdediging stelt zich allereerst op het standpunt dat er sprake is geweest van een noodweersituatie. Verdachte zag bij het openen van zijn voordeur [slachtoffer 1] met een mes in de hand op hem afkomen, waardoor verdachte vreesde voor zijn leven. Deze omstandigheid in samenhang bezien met de voorgeschiedenis tussen verdachte en [slachtoffer 1] , maakt dat er voor verdachte op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen hij zich mocht verdedigen.

Putatief noodweer

Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte een beroep op putatief noodweer toekomt. Ook indien verdachte zich ingebeeld zou hebben dat [slachtoffer 1] een mes in zijn handen had, kon en mocht verdachte, mede gelet op de voorgeschiedenis tussen beiden, redelijkerwijs menen dat hij zich moest verdedigen.

Subsidiariteit en proportionaliteit

De wijze van verdediging door verdachte voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er was op dat moment geen mogelijkheid voor verdachte om zich aan de aanranding te onttrekken. Daarmee staat de gedraging van verdachte niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding.

(Putatief) noodweerexces

In het geval het handelen van verdachte als disproportioneel wordt gezien, stelt de verdediging zich, meer subsidiair, op het standpunt dat er sprake is van noodweerexces.

Psychische overmacht

Meest subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat er sprake is geweest van psychische overmacht. Het dossier bevat naar de mening van de verdediging voldoende aanknopingspunten waaruit volgt dat er sprake was van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en behoefde te bieden.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat een noodweer(exces) situatie niet aannemelijk is geworden. Uit de camerabeelden blijkt dat [slachtoffer 1] bij zijn fiets stond op het moment dat verdachte de hakbijl naar boven beweegt en boven zijn eigen hoofd brengt. [slachtoffer 1] vlucht dan. Verdachte heeft vervolgens zelf de keuze gemaakt om met de hakbijl achter [slachtoffer 1] aan te gaan. Er is aldus geen sprake geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Ook het beroep op putatief noodweer dient te worden verworpen nu uit de door verdachte direct na het voorval afgelegde verklaring niet is gebleken van een hevige gemoedstoestand die door het (al dan niet) tonen van het mes, zou zijn veroorzaakt.

Van psychische overmacht is naar de mening van de officier van justitie ook geen sprake. Er is niet gebleken van een zodanig van buitenaf komende druk dat weerstand hieraan redelijkerwijs niet kon worden gevergd.

Het oordeel van de rechtbank

Voor noodweer is vereist dat de verdediging is gericht tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Van een ogenblikkelijke aanranding is ook sprake bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor een aanranding. De enkele vrees/angst voor zo'n aanranding is daartoe echter niet voldoende. De gestelde aanranding moet in redelijkheid beschouwd, zodanig bedreigend zijn voor verdachte dat deze kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke aanranding in de zin van artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij op 20 september 2025 op enig moment zijn voordeur open heeft gedaan om te kijken waar [slachtoffer 1] was. Op dat moment zag hij [slachtoffer 1] bij zijn fiets staan met een mes in zijn hand en deed [slachtoffer 1] een stap naar voren in de richting van verdachte. Hierna heeft verdachte uit zijn woning de hakbijl gepakt en is achter [slachtoffer 1] aangerend.

Uit de in het dossier aanwezige en ter zitting getoonde camerabeelden heeft de rechtbank ter zitting het volgende vastgesteld.

Op de camerabeelden is te zien dat op het moment dat verdachte met de hakbijl in zijn hand uit zijn woning komt en de hakbijl in een beweging boven zijn hoofd brengt, [slachtoffer 1] bij zijn fiets voor zijn eigen woning staat. Hij heeft met zijn linkerhand zijn fietsstuur vast en staat half met zijn rug van verdachte weggedraaid. Wanneer [slachtoffer 1] bemerkt dat verdachte met een hakbijl naar buiten komt, draait [slachtoffer 1] zich verder af van verdachte en rent van hem weg.

De door verdachte geschetste situatie dat [slachtoffer 1] met een mes in zijn handen in de richting van verdachte is gestapt tegen welk ogenblikkelijke aanranding hij zich zou hebben mogen verdedigen, blijkt niet uit deze camerabeelden en kan evenmin op basis van de overige in het dossier aanwezige stukken worden vastgesteld.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Integendeel, [slachtoffer 1] staat half weggedraaid van verdachte terwijl hij zijn fietsstuur vast heeft en rent juist van verdachte weg. Het is vervolgens de keuze van verdachte geweest om achter [slachtoffer 1] aan te rennen met de hakbijl.

Het beroep op noodweer dient om deze reden te worden verworpen. Omdat verdachte niet heeft gehandeld uit noodweer kan zich ook niet de situatie voordoen dat verdachte te ver is gegaan in die verdediging en dit brengt met zich mee dat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen.

Er zijn ook geen omstandigheden aannemelijk geworden die de verdachte redelijkerwijs aanleiding konden geven te veronderstellen dat hij op enig moment dreigde te worden aangevallen, zodat verdachte ook geen beroep op putatief noodweer toekomt.

De rechtbank verwerpt ook het beroep op psychische overmacht. Van een psychische druk door een jarenlang burenconflict waartegen verdachte geen weerstand kon bieden, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Hoewel uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting naar voren komt dat er sprake is van een langslepende burenruzie ten gevolge waarvan verdachte wellicht spanningen heeft ervaren, is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat die spanningen ten tijde van het bewezenverklaarde feit een zodanige gemoedstoestand heeft veroorzaakt dat verdachte redelijkerwijs niet kon en hoefde te handelen dan hij heeft gedaan. Verdachte heeft zich die dag vrijwillig in de situatie begeven door ervoor te kiezen om vanuit zijn veilige huis naar buiten te gaan en zelf de confrontatie met [slachtoffer 1] op te zoeken. Het gegeven dat verdachte al voorbereid was door de hakbijl in de gang klaar te hebben staan, is tevens een contra-indicatie dat er sprake zou zijn van psychische overmacht. Ook de verklaring van verdachte direct na het voorval, waarbij hij onder meer heeft gezegd: “en wat denk je, ik heb een bijl gepakt en je moest hem eens zien rennen. Prachtig gezicht was dit.. En wat denk je, ik heb hem geslagen met mijn bijl” is naar het oordeel van de rechtbank een contra-indicatie dat er sprake zou zijn van psychische overmacht. Ter zitting heeft verdachte hier nog aan toegevoegd dat hij puur uit woede heeft gehandeld. Ook dit is een contra-indicatie om psychische overmacht aan te nemen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit of van verdachte uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op en verdachte is strafbaar.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met aftrek van de periode dat verdachte in voorarrest heeft verbleven en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd. Zij verzoekt de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden en daarnaast oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38v Sr (hierna: de 38v-maatregel) in de vorm van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor de duur van drie jaren. Bij overtreding van dit contactverbod verzoekt de officier van justitie hieraan twee weken hechtenis te verbinden met een maximum van zes maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachteen aan hem een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de periode dat verdachte in voorarrest heeft verbleven. Daarnaast bepleit de verdediging om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, eventueel nog gecombineerd met een werkstraf.

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] , zijn buurman. Een langslepende burenruzie is uiteindelijk ernstig geëscaleerd waarbij

verdachte [slachtoffer 1] op klaarlichte dag over straat zwaaiend met een hakbijl achterna is gerend en hem daarbij ook heeft geraakt waardoor hij letsel heeft opgelopen.

Verdachte heeft met zijn handelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Hoewel de rechtbank acht heeft geslagen op de context van het bewezenverklaarde, is het geweld dat die bewuste dag door verdachte is gebruikt volstrekt ontoelaatbaar.

De reclassering heeft op 20 april 2026 een advies over verdachte uitgebracht. Zij adviseert aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling door GGZ Breeburg of een soortgelijke zorgverlener, een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod met elektronisch toezicht. Zij overweegt daartoe dat delictgerelateerde factoren de (voormalige) woonsituatie van verdachte en zijn psychosociaal functioneren zijn. Er lijkt aangaande de verdenking sprake te zijn geweest van situationeel geweld, waarbij verdachte een gebrekkige impulscontrole heeft getoond, door mogelijk vanuit een trigger fysiek agressief te worden richting [slachtoffer 1] .

Reeds op eigen initiatief heeft verdachte naar aanleiding van de langslepende conflictsituatie met zijn buren hulp gezocht bij de huisarts. De reclassering acht het noodzakelijk dat deze hulp op korte termijn wordt voortgezet in de vorm van forensische ambulante behandeling bij GGZ Breburg. Woningcorporatie WonenBreburg is op zoek naar een nieuwe huurwoning voor verdachte en diens partner (de rechtbank heeft ter zitting begrepen dat er eind mei 2026 een andere huurwoning voor verdachte en zijn partner beschikbaar is), wat op termijn een beschermende factor zal vormen. Op de overige leefgebieden kent verdachte voornamelijk stabiliteit. Verdachte conformeert zich aan zijn schorsende voorwaarden en de reclassering acht het van belang dat de reeds ingezette beschermingsmaatregelen, het contact- en locatieverbod, voorlopig voortduren, om duidelijke kaders te scheppen en een nieuwe escalatie te voorkomen. De reclassering adviseert de dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht nu de kans op een misdrijf met schade voor personen aanwezig is.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering mee bij de strafoplegging en overweegt als volgt.

Hoewel in beginsel enkel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een poging tot doodslag passend is, ziet de rechtbank in dit specifieke geval redenen om hiervan af te wijken. Het betreft hier een, zoals door de reclassering beschreven, situationeel ingegeven actie in een langlopend burenconflict, in welk conflict ook [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zich niet onbetuigd hebben gelaten. Verdachte heeft in eerdere gevallen geprobeerd escalatie te voorkomen door meermalen de politie in te schakelen, problemen aan te kaarten bij de woningcorporatie en hulp in te schakelen van een psycholoog. Dat heeft niet tot een oplossing van het onderliggende conflict geleid. Verdachte heeft zich uiteindelijk door deze gehele situatie laten leiden en heeft op die situatie op een volstrekt ontoelaatbare wijze gereageerd. Die reactie heeft, naast het verblijf in voorlopige hechtenis, voor verdachte ook directe andere gevolgen heeft gehad. Zo heeft hij, na zijn schorsing uit de voorlopige hechtenis, niet meer in zijn eigen woning bij zijn vrouw mogen verblijven. Verdachte is bij zijn broer gaan wonen en heeft zich op enig moment genoodzaakt gevoeld om vanuit daar naar een safehouse te gaan, waar hij tot op heden verblijft. In detentie heeft hij geen inkomen ontvangen, waardoor zijn spaargeld op is geraakt. Inmiddels is een nieuwe woning voor verdachte en zijn partner gevonden en zullen zij deze eind mei 2026 betrekken. Daarnaast is hij gestart met een behandeling. Verdachte is tot op heden bang dat zijn vrouw iets overkomt nu zij nog steeds in de woning naast aangevers verblijft. Zij heeft overigens na 20 september 2026 meerdere aangiftes gedaan tegen [slachtoffer 1] vanwege onder meer bedreigingen.

Al deze omstandigheden, en gelet op het blanco strafblad van verdachte, maken dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte niet meer terug in detentie hoeft. De rechtbank zal, alles afwegend, aanzienlijk afwijken van hetgeen doorgaans voor een poging tot doodslag wordt opgelegd en zoals door de officier van justitie in dit geval ook is geëist.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 346 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering zijn geadviseerd, met een proeftijd van twee jaar en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft verbleven. De rechtbank zal daarbij niet, zoals door de officier van justitie is verzocht en de reclassering heeft geadviseerd, de dadelijke uitvoerbaarheid van deze bijzondere voorwaarden en de 38v-maatregel opleggen. Het verblijf in een safehouse en de verhuizing naar een nieuwe woning zorgen ervoor dat verdachte zich niet meer in de nabijheid van [slachtoffer 1] hoeft te bevinden. Deze omstandigheid, in combinatie met het feit dat bij verdachte sprake was van situationeel geweld en het gegeven dat er een locatieverbod wordt opgelegd met elektronische monitoring, biedt naar het oordeel van de rechtbank voldoende waarborg dat verdachte zich niet nogmaals schuldig zal maken aan dergelijk geweld. Ook de oplegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf is een forse stok achter de deur.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit, naast de gevangenisstraf een forse werkstraf aan verdachte moet worden opgelegd, te weten een werkstraf voor de duur van 240 uren.

7. De vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] , dochter van aangevers, vordert een schadevergoeding van

€ 20.000,- betreffende shockschade met betrekking tot de feiten 1 en 2.

De wettelijke grondslag voor vergoeding van shockschade is gelegen in artikel 6:106 lid

1 sub b BW, dat bepaalt dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen

vergoeding voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, indien de benadeelde op

andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Voor toekenning van shockschade is voldoende dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden. De aard van deze schade brengt mee dat deze schade in het algemeen slechts voor vergoeding in aanmerking komt indien (1) de betrokkene rechtstreeks wordt geconfronteerd met de omstandigheden waaronder het ongeval heeft plaatsgevonden, en (2) deze confrontatie bij de betrokkene een hevige schok teweeggebracht heeft, hetgeen zich met name kan voordoen indien sprake is van een nauwe (affectieve) band met degene die door het ongeval is gedood of gewond geraakt. Gezichtspunten die daarbij een rol spelen zijn de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer. Voor de toekenning van shockschade is vereist dat het geestelijk letsel in rechte kan worden vastgesteld.

De benadeelde partij heeft gesteld dat zij geestelijk letsel heeft opgelopen, namelijk een depressieve stoornis, nevendiagnose PTSS, dat is voortgevloeid uit een vijftal momenten waarmee zij geconfronteerd is met het handelen van verdachte jegens haar ouders. Hierdoor is een aanhoudende toestand van angst en onzekerheid ontstaan waardoor zij geestelijk letsel heeft opgelopen.

De rechtbank overweegt allereerst dat de door de benadeelde partij beschreven schade ook betrekking heeft op het letsel van moeder. Nu verdachte ten aanzien van dit feit wordt vrijgesproken, kan deze schade naar het oordeel van de rechtbank niet aan verdachte worden toegerekend en komt daardoor niet voor vergoeding in aanmerking

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij, de meerderjarige uitwonende dochter van aangevers, niet zelf aanwezig is geweest bij het geweldsincident. Zij is door [slachtoffer 1] , haar vader, telefonisch gealarmeerd en heeft 112 gebeld. Zij is hierna direct naar het ziekenhuis gereden en heeft daar haar vader gezien nadat hij al medisch was behandeld en zijn letsel aan zijn been was verbonden. Hoewel de rechtbank begrijpt dat deze gebeurtenis ingrijpend is geweest voor benadeelde, is er naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan het confrontatievereiste en is er daarmee dus geen sprake van shockschade.

Ook de overige momenten die door de benadeelde partij worden omschreven, betreffen naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheden waarvoor vergoeding van shockschade kan worden toegekend. Dat benadeelde in angst en onzekerheid verkeerde over hoe zij haar vader zou aantreffen in het ziekenhuis, waar zij eerder traumatische ervaringen heeft meegemaakt met betrekking tot haar moeder, en het aantreffen van bloed in de woning van haar ouders, zijn onvoldoende om daarmee het confrontatie-vereiste vast te stellen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat voldoende verband met het bewezenverklaarde handelen van verdachte ontbreekt, zodat geen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Poging tot doodslag

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 346 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd de hierna vermelde voorwaarden niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage biedt;

2. dat verdachte medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

3. dat verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Verdachte meldt zich bij Reclassering Nederland aan de Ringbaan West 275 te Tilburg.

4. dat verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door GGZ Breburg (forensische psychiatrie) of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De aanmelding is reeds gedaan en er is al een intakeafspraak gemaakt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is in ieder geval gericht op impulscontrole en mogelijke traumaklachten, waarbij aandacht is voor EMDR-therapie. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat betrokkene voorgeschreven medicatie zal gebruiken.

5. dat verdachte gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zoekt of heeft met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedag 2] 1957 en [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 3] 1948.

6. dat verdachte zich gedurende de proeftijd niet in de [straat] in [plaats] bevindt, zolang de reclassering dat nodig vindt.

De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden.

7. bepaalt dat verdachte zich onder elektronisch toezicht zal stellen ter nakoming van de hiervoor genoemde bijzondere voorwaarde voor de genoemde periode of zolang de reclassering dit nodig acht.

Verboden gebied:

[afbeelding geanonimiseerd]

- geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen;

Benadeelde partij

- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte, tot nu toe begroot op nihil;

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,

en mr. M.E.I. Beudeker en mr. C.R.R. Loeve, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.C. Bles, griffier,

en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 mei 2026.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I: De tenlastelegging

Tenlastelegging op basis van de toegewezen vordering wijzigingen feiten:1.hij op of omstreeks 20 september 2025 te [plaats] ,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal met een hakbijl slaande en/of stekende bewegingen heeft gemaakt tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(Art. 287, 302 en 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.)

2.hij op of omstreeks 20 september 2025 te [plaats] , ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijkeen ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meermalen, althans eenmaal met een hakbijl slaande en/of stekende bewegingen heeft gemaakt tegen het hoofd en/of andere delen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;(Art. 287, 302 en 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht.)

Subsidiair

hij op omstreeks 20 september 2025 te [plaats] , althans in Nederland, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door meermaals, althans eenmaal

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand