ECLI:NL:RBZWB:2026:4481

ECLI:NL:RBZWB:2026:4481

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-05-2026
Datum publicatie 22-05-2026
Zaaknummer 02-019730-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Op tegenspraak
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

De verdediging heeft (primair) verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging op grond van meerdere redenen. De rechtbank heeft deze verweren verworpen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens, munitie en patroonmagazijnen. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 135 dagen met aftrek van het voorarrest.

Uitspraak

Rechtbank ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

Parketnummer: 02-019730-20

Vonnis van de meervoudige kamer van 22 mei 2026

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1980

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres]

raadsvrouw mr. M. Ketting, advocaat te Amsterdam

1. Onderzoek op de terechtzitting

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 08 mei 2026, waarbij de officier van justitie mr. R. in het Veld en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte

Feit 1: vuurwapens, munitie en onderdelen van een vuurwapen voorhanden heeft gehad;Feit 2: 26 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.

3. De voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

De dagvaarding is geldig.

De bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is bevoegd.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie

De verdediging heeft (primair) verzocht om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging op grond van meerdere redenen. De rechtbank zal hierna per onderdeel ingaan op het door de verdediging aangevoerde.

Ne bis in idem

Door de verdediging is aangevoerd dat sprake is van een schending van het ne bis in idem beginsel. Artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) schrijft voor dat behoudens de gevallen waarin rechterlijke uitspraken voor herziening vatbaar zijn, niemand andermaal kan worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter onherroepelijk is beslist. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Niet kan worden vastgesteld dat verdachte reeds is veroordeeld door de rechtbank in België. Sterker nog de raadsvrouw van verdachte heeft op de zitting aangegeven dat verdachte nog altijd wacht op de uitspraak van de Belgische rechtbank. Ook is niet gebleken voor welk feit hij aldaar überhaupt wordt vervolgd. De verdediging heeft enkele stukken overgelegd uit Belgische strafzaak, maar meerdere onderdelen zwart gemaakt daarin, onder andere waar wordt benoemd waar verdachte van in verdenking is gesteld aldaar. Daar komt bij dat zelfs in het geval dat vast zou kunnen worden gesteld dat het in Nederland aangetroffen materiaal bevattende cocaïne afkomstig zou zijn van de in België aangetroffen partij drugs, zoals de raadsvrouw stelt, dit niet zonder meer in de weg staat aan een vervolging ten aanzien van die drugs in Nederland voor zover het een ander feit, andere datum en/of plaats betreft.

Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van schending van het ne bis in idem-beginsel.

Onrechtmatig binnentreden/ strafvorderlijk optreden

Door de verdediging is vervolgens aangevoerd dat niet kan worden aangenomen dat sprake was van een duidelijke, ondubbelzinnige en geïnformeerde toestemming van verdachte voor het binnentreden van de loods en dat een grond voor strafvorderlijk optreden ontbrak.

De rechtbank overweegt dat het bezoek aan de loods van verdachte heeft plaatsgevonden in het kader van een actieweek synthetische drugs. Dit is een actieweek waarin signalen afkomstig van politie, openbaar bestuur en/of Belastingdienst, integraal zijn uitgewerkt en veredeld. Naar aanleiding van de in het dossier genoemde MMA-melding en een tweetal controles is besloten dat onvoldoende aanleiding was voor een strafrechtelijke actie, maar wel voor een integrale controle van de loods van verdachte via de bestuursrechtelijke weg via het openbaar bestuur. Een dergelijke controle kan plaatsvinden op grond van artikel 5:15 Awb om te bezien of de loods wordt gebruikt overeenkomstig de legale bestemming. De toezichthouder mag zich daarbij laten vergezellen door anderen. Verdachte heeft vervolgens een verbalisant rondgeleid door de loods. Daarbij werd onder andere gezien dat een kast aanwezig was ingericht voor het drogen van hennep.

In een afgesloten ruimte, die op verzoek werd opengedaan door verdachte, werden goederen aangetroffen. Verdachte heeft ter zitting nadrukkelijk ontkend dat hij toestemming heeft gegeven om in de in die ruimte aangetroffen sporttassen te kijken. Uit een tweetal processen-verbaal van bevindingen komt echter naar voren dat hij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om in de sporttassen te kijken. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan die op ambtseed opgemaakte processen-verbaal te twijfelen en gaat er dan ook vanuit dat verdachte toestemming heeft gegeven om in de sporttassen te kijken.

Toen de in een sporttas een cilinder met daarin vermoedelijk cocaïne werd aangetroffen volgde de omslag en is er op verzoek van de officier van justitie een strafrechtelijke machtiging afgegeven door de rechter-commissaris voor een doorzoeking. Daarna zijn in een koffer de vuurwapens, onderdelen daarvan en munitie aangetroffen.

De stelling van de verdediging dat in geval van drugsgerelateerde meldingen of signalen (bij de gemeente) uitsluitend strafrechtelijk mag worden opgetreden, vindt geen steun in het recht. De gemeente heeft immers eigen bevoegdheden om te controleren of het gebruik van een (in dit geval) een loods in overeenstemming is met de regelgeving. Dat is niet anders bij drugsgerelateerde meldingen of signalen. Van bewust gebruik van bestuursrechtelijke bevoegdheden voor strafrechtelijke doelen is niet gebleken, waardoor sprake is van een rechtmatige doorzoeking.

Handelen in strijd met de Aanwijzing inbeslagneming en vernietiging van de wapens

Door de verdediging is ook aangevoerd dat de officier van justitie ruim vóór de eerste inhoudelijke behandeling van de strafzaak heeft besloten tot vernietiging van de wapens en munitie en de cilinder met cocaïne. Verdachte is daarmee de mogelijkheid ontnomen om de bevindingen omtrent de cilinder, wapens en munitie door een onafhankelijk deskundige te laten toetsen.

De rechtbank is van oordeel dat dit verweer van de verdediging met betrekking tot een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering onvoldoende is onderbouwd. Onvoldoende is toegelicht wat de ernst van de inbreuk is, wat het geschonden belang is en welk nadeel hier voor verdachte uit is voortgevloeid. De verdediging heeft zich bij het formuleren van het verweer enkel in algemene zin uitgelaten over voornoemde punten en ook over de gestelde schending van artikel 6 van het EVRM. De rechtbank passeert daarom dit verweer.

Achterhouden van cruciale informatie met betrekking tot de herkomst van de cocaïne

Verder is door de verdediging aangevoerd dat het niet anders kan zijn dan dat de aangetroffen cocaïne door de Belgische autoriteiten in de sporttas is geplaatst en het Openbaar Ministerie daarvan op de hoogte was. De rechtbank ziet – mede gelet op hetgeen ter zitting door de officier van justitie naar voren is gebracht – geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat er (cruciale) informatie is achtergehouden door het (Nederlandse) Openbaar Ministerie met betrekking tot de herkomst van de cocaïne.

Onzorgvuldige omgang met de in beslag genomen wapens en onduidelijkheid rond spoor 7007 en de chain of custody en onvoldoende traceerbaarheid van het wapenspoor

Door de verdediging is tot slot aangevoerd dat er geen link is tussen het DNA spoor en de vuurwapens/munitie. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende. Voor zover de verdediging al heeft bedoeld te bepleiten dat dit onderdeel zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, is de gestelde grond daarvoor de rechtbank op basis van het pleidooi door de raadsvrouw niet gebleken.

Conclusie

Op grond van het voorgaande overwegingen verwerpt de rechtbank de verweren van de verdediging dat er sprake is van vormverzuimen als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering en ziet zij derhalve geen aanleiding en reden om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren.

De vervolgingsbeslissing

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem tenlastegelegde feiten heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte tenlastegelegde feiten. Er dient bewijsuitsluiting te volgen en dan is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Daarnaast kan de wetenschap van de aanwezigheid van de goederen op grond van het dossier niet worden aangetoond en tevens blijkt niet dat de goederen zich binnen de machtssfeer van verdachte bevonden Er dient integrale vrijspraak te volgen.

Het oordeel van de rechtbank

De bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn in bijlage II aan dit vonnis gehecht.

De bijzondere overwegingen met betrekking tot het bewijs

Feiten 1 en 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Zij overweegt daartoe als volgt.

Uit de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in bijlage II volgt dat er in een loods gelegen aan het adres [straat] te [plaats] , wapens, kogelpatronen en meerdere patroonmagazijnen zijn aangetroffen in een koffer. Daarnaast is ook een hoeveelheid cocaïne aangetroffen in een sporttas. Deze sporttas was onderdeel van een partij van 87 dezelfde, vuile sporttassen. De spullen werden in een afgesloten ruimte aangetroffen waarop een bordje privé stond. Verdachte had de sleutel van deze ruimte en heeft de ruimte ook geopend. Verdachte heeft aangegeven de eigenaar te zijn van de loods waar de goederen zijn aangetroffen. Als uitgangspunt geldt dat een persoon die de eigenaar is van – in dit geval – een loods wetenschap heeft van de daar aanwezige goederen en dat deze goederen zich ook in zijn machtssfeer bevinden. Daarbij is niet doorslaggevend aan wie die goederen toebehoren. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als verdachte een aannemelijke verklaring heeft voor het tegendeel. Verdachte heeft verklaard dat meerdere personen de sleutel van de loods hadden en ook de toegang hadden tot deze afgesloten ruimte. Verdachte zou niet hebben geweten dat de goederen – zoals deze zijn aangetroffen – in de afgesloten ruimte lagen. Ter zitting heeft verdachte ten aanzien van vragen hierover zich beroepen op zijn zwijgrecht. Terwijl verdachte het recht heeft te zwijgen, vragen de aangetroffen

goederen om een uitleg. Temeer nu verdachte de eigenaar van de loods was en beschikte over de sleutel van de afgesloten (privé)ruimte. De enkele verklaring van verdachte dat anderen ook toegang hadden tot de loods is hiervoor onvoldoende.

Omdat een toereikende verklaring voor (het niet weten van) de aanwezigheid van voornoemde goederen in de loods van verdachte ontbreekt, is de rechtbank van oordeel dat het algemene uitgangspunt gevolgd dient te worden en dat verdachte dan wist dat de wapens, kogelpatronen, patroonmagazijnen en cocaïne in zijn loods lagen en dat deze zich in zijn machtssfeer bevonden. Nu niet kan worden vastgesteld hoeveel cocaïne er precies is aangetroffen komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van een hoeveelheid cocaïne.

De rechtbank merkt, in aanvulling op hetgeen hierboven onder 3.3 is overwogen, nog op dat de rechtbank geen redenen ziet om tot bewijsuitsluiting over te gaan, voor zover de verdediging bedoeld heeft daar (subsidiair) een beroep op te doen. Wat betreft het aangetroffen DNA spoor merkt de rechtbank op dat zij dit onderdeel niet meeneemt in de bewijsmiddelen, zodat dit geen nadere bespreking behoeft.

Voorwaardelijk verzoek

De verdediging heeft subsidiair verzocht – indien de cocaïne aan verdachte wordt toegerekend – verzocht de stukken vanuit België (ten aanzien van de observatie) toe te voegen aan het Nederlandse dossier. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet is onderbouwd waarom dit verzoek van belang is voor de beantwoording voor de vragen van 348 en 350 Wetboek van Strafvordering. De rechtbank wijst het verzoek dan ook af.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1op 22 januari 2020 te [plaats] , gemeente Moerdijk wapens van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weteneen pistool, van het merk Glock, type 19, kaliber 9 mm en een pistool, van het merk FN, kaliber .22, en munitie van categorie III, te weten- 37 patronen van het kaliber 9 mm en - 20 patronen van het kaliber .22, merk CCI en - 800 patronen

van het kaliber 9 mm, merk CBC en onderdelen van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten meerdere patroonmagazijnen, zijnde een hulpstuk en onderdeel dat van wezenlijke aard is en specifiek bestemd voor een pistool van het merk Glock, kaliber 9 mm en kaliber .22 Lr en een loop, kaliber .22voorhanden heeft gehad.

2op 22 januari 2020 te [plaats] , gemeente Moerdijk opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst .

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van

14 maanden met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft meer subsidiair bepleit strafvermindering toe te passen als de rechtbank de officier van justitie ontvankelijk acht in de vervolging en niet overgaat tot bewijsuitsluiting.

Het oordeel van de rechtbank

De aard en ernst van de feiten

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens, munitie en patroonmagazijnen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee en veroorzaakt gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Doorgaans worden dit soort gevaarlijke wapens, die in het bezit komen van bepaalde personen, ingezet bij criminele activiteiten, waarbij de kans op slachtoffers groot is. Dergelijke wapens zijn ook uitermate geschikt ter afdreiging van personen en kan ook in die omstandigheden een enorme schrik en angst teweegbrengen. Daarnaast heeft verdachte een kleine hoeveelheid cocaïne in zijn bezit gehad. De rechtbank rekent verdachte deze feiten aan.

Persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad van verdachte van 3 april 2026 komt naar voren dat hij eerder met justitie in aanraking is gekomen, maar niet voor soortgelijke feiten.

Strafvermindering op grond van artikel 359a Sv?

De verdediging heeft meer subsidiair bepleit dat de rechtbank over dient te gaan tot strafvermindering op grond van artikel 359a Sv vanwege vormverzuimen. Onder 3.3 heeft de rechtbank al gemotiveerd geoordeeld dat er geen sprake is van vormverzuimen.

Redelijke termijn De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6 van het EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht, waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Het uitgangspunt is dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 22 januari 2020 voor het eerst als verdachte is verhoord en in verzekering is gesteld. Hij is bij dit verhoor gewezen op zijn rechten en geconfronteerd met de verdenking die op hem rust. De redelijke termijn heeft dus op die datum aanvang genomen. Er zijn volgens de rechtbank geen bijzondere omstandigheden, die ertoe leiden dat niet binnen twee jaar een einduitspraak is gevolgd. De berechting in onderhavige strafzaak heeft hierdoor onnodig vertraging opgelopen en had al een paar jaar eerder afgedaan kunnen worden. Op 22 januari 2022 was de redelijke termijn verstreken. Nu de rechtbank op 22 mei 2026 uitspraak doet is de redelijke termijn met meer dan 4 jaar overschreden. De rechtbank is van oordeel dat dit een grove overschrijding betreft die een matiging van 50% op de hierna te vermelden op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

De straf

De rechtbank stelt vast dat de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor het voorhanden hebben van een wapen van categorie III als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden noemen per vuurwapen. De rechtbank gaat er hierbij vanuit dat het wapen niet in een openbare ruimte is aangetroffen en zoekt dan ook aansluiting bij het oriëntatiepunt voor ‘in de woning’. Bovendien zijn de wapens aangetroffen in combinatie met een grote hoeveelheid munitie en patroonmagazijnen. Voor het aanwezig hebben van meer dan 100 patronen wordt in de oriëntatiepunten een taakstraf van 50 uur genoemd. Nu verdachte 800 patronen aanwezig heeft gehad en daarnaast ook nog patroonmagazijnen neemt de rechtbank een gevangenisstraf van 1 maand hiervoor als uitgangspunt. Dit zou betekenen dat zonder overschrijding van de redelijke termijn een gevangenisstraf van 9 maanden op zijn plaats is. Zoals hierboven gerelateerd is de rechtbank van oordeel dat de overschrijding een matiging van 50% tot gevolg moet hebben.

Alles afwegende acht de rechtbank dan ook een gevangenisstraf van 135 dagen (omgerekend 4,5 maand) met aftrek van het voorarrest passend en geboden.

7. Het beslag

De verbeurdverklaring

De hierna in de beslissing inbeslaggenomen voorwerpen worden verbeurd verklaard. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om naast de hoofdstraf verbeurdverklaring op te leggen. Gebleken is dat de voorwerpen aan verdachte toebehoren en dat het feit is begaan met behulp van de voorwerpen.

De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde inbeslaggenomen voorwerpen worden onttrokken aan het verkeer. De voorwerpen zijn hiervoor vatbaar en het wordt passend geacht om die voorwerpen te onttrekken aan het verkeer, omdat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet/het algemeen belang.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens

en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot een vuurwapen van

categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens

en munitie, terwijl het feit is begaan met betrekking tot munitie van

categorie III, meermalen gepleegd;

feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet

gegeven verbod;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 135 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- verklaart verbeurd de volgende voorwerpen:

* 1 STK Fust, G2148331;

* 1 STK Koffer, G2178346 (Omschrijving: Zwart);

- verklaart aan het verkeer onttrokken de volgende voorwerpen:

* 1 STK Patroonhouder, G2148299 (Omschrijving: Zwart, merk: Glock 9 mm);

* 1 STK Patroonhouder, G2148301 (Omschrijving: Zwart, merk: Glock 9 mm);

* 1 STK Pistool, G2148311 (Omschrijving: Zwart, merk: Glock 9 mm);

* 1 STK Pistool, G2148321 (Omschrijving: Zilveren kop, merk: 22 Kaliber);

* 1 STK Wapen, G2148330 (Omschrijving: Met wit doek omwikkeld);

* 1 STK Patroonhouder, G2178333 (Omschrijving: Rnowing);

* 10 STK Munitie, G2178337 (Omschrijving: Kaliber .22);

* 17 STK Munitie, G2178339 (Omschrijving: Kaliber 9 Mm);

* 600 STK Munitie, G2179158 (Omschrijving: 1 x zwart koffertje met daarin naar schatting 600-800 patron, Zwart, merk: Koffer);

Voorlopige hechtenis

- heft het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op.

Dit vonnis is gewezen door T.M. Brouwer, voorzitter en R. Combee en F.L. Donders, rechters, in tegenwoordigheid van K. van Rijs, griffier en is uitgesproken ter openbare zitting op 22 mei 2026.

Bijlage I: De tenlastelegging

1.hij op of omstreeks 22 januari 2020 te [plaats] , gemeente Moerdijk een of meer wapen(s) van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weteneen pistool, van het merk Glock, type 19, kaliber 9 mm en/ofeen pistool, van het merk FN, kaliber .22, en/ofmunitie van categorie III, te weten- 37, in elk geval een of meerdere, patro(o)n(en) van het kaliber 9 mm en/of- 20, in elk geval een of meerdere, patro(o)n(en) van het kaliber .22, merk CCI en/of- (ongeveer) 800, in elk geval een of meerdere patro(o)n(en) van het kaliber 9 mm, merk CBC en/ofeen of meerdere onderde(e)l(en) van een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3º, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een of meerdere patroonmagazijn(en), zijnde een hulpstuk en/of onderdeel dat van wezenlijke aard is en specifiek bestemd voor een pistool van het merk Glock, kaliber 9 mm en/of kaliber .22 Lr en/of een loop, kaliber .22voorhanden heeft gehad( art 26 lid 1 Wet wapens en munitie )

2.hij op of omstreeks 22 januari 2020 te [plaats] , gemeente Moerdijk opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 26 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;( art 10 lid 3 Opiumwet, art 2 ahf/ond C Opiumwet )

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand