RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/02/446632 / JE RK 26-555
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over de vervanging van de gecertificeerde instelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, hierna te noemen WSJJ.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 30 maart 2026;
de e-mailberichten van de vader van 3 april 2026 en 4 april 2026;
het e-mailbericht van de moeder van 5 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 9 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
een tweetal vertegenwoordigers van het Landelijk Expertise Team Jeugdbescherming (hierna: LET) namens de GI;
een vertegenwoordiger namens WSJJ.
De vader en de moeder zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de vader en de moeder wel juist zijn opgeroepen. Voorafgaand aan de zitting hebben zij bericht dat zij niet bij de zitting aanwezig kunnen zijn. Zij hebben hun standpunten schriftelijk ingediend.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld om zijn mening te geven over het verzoek. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .
Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd met ingang van 7 maart 2026 tot 7 september 2026.
Bij beschikking van 4 maart 2026 is de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 7 maart 2026 tot 7 maart 2027.
Op grond van deze machtiging verblijft [minderjarige 1] op een kleinschalige groep voor langdurige behandeling van [woongroep] .
3. Het verzoek
De GI verzoekt de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (WSJJ) en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
In het verzoekschrift is het verzoek en het standpunt van de GI toegelicht. Tijdens de zitting is namens de GI (in aanvulling daarop), samengevat, aangevoerd dat het LET de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing (hierna: de maatregelen) heeft uitgevoerd vanwege een veiligheidsrisico jegens de voormalige jeugdbeschermers van de GI. Van dit risico is niet langer sprake. Er is nu een goede samenwerking met beide ouders. De uitvoering van de maatregelen hoeft niet meer bij het LET te liggen, echter is het ook niet wenselijk dat deze terug door (een jeugdbeschermer van) de GI wordt overgenomen. De WSJJ kan de uitvoering van de maatregelen voor beide kinderen op zich nemen. [minderjarige 2] ontwikkelt zich goed. Gekeken moet worden wat er voor haar nodig is. Beide ouders kunnen instemmen met het inzetten van speltherapie. Bij [minderjarige 1] is sprake van kind eigen problematiek. Hij woont op een behandelgroep van [woongroep] . Hoewel de vader wisselend is in zijn standpunt over dit verblijf en daarin star kan zijn, hebben beide ouders hun toestemming gegeven voor dit verblijf. De vader investeert niet altijd in het contact met [minderjarige 2] . Er is inmiddels een ouderschapsplan opgesteld waarvan de uitvoering al geruime tijd goed verloopt en dat kan worden bekrachtigd dan wel vastgesteld.
Van de zijde van WSJJ is naar voren gebracht dat WSJJ zich bereid heeft verklaard de uitvoering van de maatregelen voor beide kinderen op zich te nemen. De maatregelen zullen echter worden uitgevoerd door twee verschillende locaties van WSJJ, omdat de kinderen ieder in een andere regio verblijven. In samenspraak met het LET kan het LET (deels) nog bij [minderjarige 2] betrokken blijven. Voor [minderjarige 1] is de uitvoering door een (vaste) jeugdbeschermer van WSJJ het meest passend.
In voormelde e-mailberichten hebben beide ouders afzonderlijk aangegeven dat zij akkoord zijn met de overdracht van de uitvoering van de maatregelen naar WSJJ. De moeder vindt het jammer dat de jeugdbeschermers van het LET niet meer betrokken zullen zijn maar zij begrijpt het wel.
5. De beoordeling
In artikel 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat samengevat dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, op verzoek kan vervangen door een andere gecertificeerde instelling.
Op basis van de stukken en de zitting is naar het oordeel van de kinderrechter vast komen te staan dat het in het belang van de kinderen is om de GI, die nu formeel belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, te vervangen door de gecertificeerde instelling WSJJ. Tijdens de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] is de uitvoering van de maatregelen overgedragen aan het LET vanwege ernstige veiligheidsrisico’s vanuit de vader. Gedurende de afgelopen periode hebben beide ouders positieve stappen gezet binnen de ondertoezichtstelling van beide kinderen en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] . De samenwerking tussen de ouders en het LET is goed. Van een veiligheidsrisico is op dit moment nagenoeg geen sprake meer. Echter, de vader loopt hoog op in de emotie zodra de GI ter sprake komt. Dat maakt dat de terugkeer van het gezin naar deze GI niet verantwoord is, terwijl betrokkenheid van een GI voor beide maatregelen nog noodzakelijk is. De GI heeft de zaak voorgelegd aan WSJJ ter beoordeling. Deze GI is passend gezien de problematiek van [minderjarige 1] . WSJJ heeft zich bereid verklaard de uitvoering van de maatregelen over beide kinderen over te nemen.
De bereidheid vanuit WSJJ heeft zich herhaald in de verklaringen, gevoegd bij het verzoekschrift, en tijdens de zitting. De ouders hebben ieder schriftelijk verklaard dat zij instemmen met de overdracht.
Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
vervangt de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant door de gecertificeerde instelling William Schrikker Jeugdbescherming & Jeugdreclassering.
Deze beslissing is gegeven door mr. De Jong, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van Dekkers als griffier, op 22 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.