2. De feiten
Zoals blijkt uit de stellingen en ingediende stukken staat tussen partijen het volgende vast:
- partijen hebben een relatie met elkaar gehad;
- tijdens deze relatie is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:
[minderjarige] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
- de man heeft [minderjarige] erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over haar;
- er is geen rechterlijke uitspraak van kracht op grond waarvan de man een bijdrage in de kosten van [minderjarige] moet voldoen.
3 Het verzoek
De vrouw verzoekt, samengevat, vaststelling van een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] van € 25,= per maand met ingang van 1 december 2025.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Vanwege de nationaliteit van partijen heeft de zaak internationaal privaatrechtelijke aspecten. De rechtbank heeft deze aspecten ambtshalve beoordeeld.
Omdat [minderjarige] in Nederland haar gewone verblijfplaats heeft, heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht om over het verzoek te oordelen. De rechtbank zal bij deze beoordeling Nederlands recht toepassen.
Vaststellen kinderalimentatie
De vrouw geeft aan dat zij een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet. Vanuit de gemeente is aan haar de verplichting opgelegd om aanspraak te maken op een door de man te betalen bijdrage in de kosten van [minderjarige] .
De man voert gemotiveerd verweer. Hij stelt dat hij geen draagkracht heeft om een bijdrage aan de vrouw te betalen. Zijn inkomen is gering en er is sprake van een aantal schulden.
Uit proceseconomisch oogpunt zal de rechtbank eerst de draagkracht van de man beoordelen. Met ‘draagkracht’ wordt bedoeld het aandeel van de man in de behoefte van [minderjarige] .
Uit de stukken blijkt dat de man een Wajong-uitkering ontvangt van afgerond € 1.721,= per maand. Tussen partijen is niet in geschil dat de man op basis van dit inkomen een minimale draagkracht heeft van € 25,= per maand.
De man stelt zich op het standpunt dat bij de beoordeling van zijn draagkracht ook rekening moet worden gehouden met schulden. De vrouw heeft zich op dit punt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, maar zij is van mening dat deze schulden niet eraan in de weg zouden moeten staan dat de man een minimale bijdrage in de kosten van [minderjarige] voldoet.
Voor de onderbouwing van de schulden heeft de man als productie 2 een afschrift ingediend van een brief van het Landelijk Incasso Centrum, gedateerd op 22 januari 2026. Uit deze brief blijkt dat de man een betalingsregeling heeft getroffen voor twee beschikkingen. Deze beschikkingen zien op teveel ontvangen kindgebonden budget over de jaren 2024 en 2025. Op grond van deze betalingsregeling betaalt de man maandelijks
€ 171,=. Daarnaast is als productie 3 een brief bijgevoegd van de Sociale Verzekeringsbank, gedateerd 13 oktober 2025. Uit deze brief blijkt dat de man teveel kinderbijslag heeft ontvangen en dat hij het teveel ontvangen bedrag moet terugbetalen. Voor deze terugbetaling heeft de man een betalingsregeling getroffen, waarbij hij maandelijks € 50,= betaalt.
De vrouw heeft het bestaan van de schulden en de betalingsregelingen niet betwist.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad moet bij het bepalen van de draagkracht rekening worden gehouden met alle schulden van de onderhoudsplichtige. Vast staat dat de man een schuld heeft aan de Belastingdienst en een schuld aan de Sociale Verzekeringsbank, dat deze schulden opeisbaar zijn en dat deze moeten worden afgelost. Verder is gesteld noch gebleken dat de schulden verwijtbaar zijn, dat de man de financiële ruimte heeft om de schulden in een keer te kunnen aflossen dan wel zijn draagkrachtvrije ruimte kan benutten om daaruit alle aflossingen te kunnen doen.
Gelet op het bovenstaande houdt de rechtbank bij de draagkracht van de man rekening met zijn aflossingen van € 221,= per maand. Uitgaande van deze aflossingen en het geringe inkomen van de man is de rechtbank van oordeel dat bij hem geen draagkracht aanwezig is om een bijdrage in de kosten van [minderjarige] te voldoen. Het verzoek van de vrouw wordt dan ook afgewezen.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek van de vrouw tot vaststelling van kinderalimentatie af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en, in tegenwoordigheid van mr. Hurkmans, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.