RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
beschikking
Team Familie- en Jeugdrecht
Middelburg
Zaaknummer: C/02/445425 / FA RK 26-1004
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking betreffende vervangende toestemming vakantie
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. M.V. de Nooijer te Middelburg,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.F. Cohen te Sittard.
De rechtbank merkt als informant aan:
STICHTING JEUGDBESCHEMRING WEST ZEELAND,
locatie Middelburg,
hierna: de GI.
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, de rechtbank over het verzoek geadviseerd.
1. Het procesverloop
Dit blijkt uit de volgende stukken:
het op 24 februari 2026 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
de op 2 maart 2026 ontvangen productie van mr. De Nooijer;
het op 10 april 2026 ontvangen F9-formulier van mr. Cohen.
Het verzoek is mondeling behandeld op 15 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en de man. Tevens was aanwezig een vertegenwoordiger namens de GI en een vertegenwoordiger namens de Raad.
De advocaat van de man is, met afmelding, niet aanwezig.
Voorafgaand aan voornoemde mondelinge behandeling is [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft hiervan gebruik gemaakt en heeft een kindgesprek met de rechter gehad.
2. De feiten
Partijen zijn op 9 oktober 2017 een geregistreerd partnerschap aangegaan. Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 juli 2022 is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap uitgesproken, welke beschikking op 20 juli 2022 is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.
Uit het geregistreerd partnerschap van partijen is het navolgende nog minderjarige kind geboren:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017, hierna te noemen: [minderjarige] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijf bij de vrouw.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens, de toestemming van de man te vervangen door de toestemming van de rechtbank en aldus vervangende toestemming te verlenen voor de vakantie van [minderjarige] met de vrouw in de periode van 17 tot en met 24 april 2026 naar Duitsland alsmede in de periode van 18 juli tot en met 25 juli 2026 naar Italië en in de periode van 25 juli tot en met 5 augustus 2026 naar Oostenrijk.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw voor zover dat ziet op de vervangende toestemming voor de zomervakantie.
4. De standpunten en het advies van de Raad
De vrouw verwijst naar haar verzoekschrift. Het is niet in het belang van [minderjarige] dat zij in onzekerheid over de vakanties verkeert. Voorheen heeft de man ook zijn toestemming verleend. De vakanties staan los van het traject met de kindbehartiger en de vrouw is ook bereid om tijdens de vakanties in het kader van dat traject afspraken te maken, zodat het contact met de kindbehartiger blijft. Ook staat zij ervoor open om met de man in gesprek te gaan om afspraken te maken. Nu de man tot op heden geen toestemming voor beide vakanties heeft verleend, verzoekt zij vervangende toestemming aan de rechtbank.
De man geeft aan dat hij altijd zijn toestemming voor de meivakantie heeft willen verlenen. Voor de zomervakantie is dat anders. De man maakt zich zorgen over [minderjarige] en haar (psychische) veiligheid bij de vrouw. Er heeft recent een NICHD-interview plaatsgevonden en de kinderrechter moet zich er nog over uitlaten of er ook een NIFP-onderzoek komt. Mogelijk is er sprake van coaching van [minderjarige] door de vrouw. Daar komt bij dat de zomervakanties van [minderjarige] en de kindbehartiger niet overlappen en dat er nog geen kaders en afspraken zijn over hoe het contact in de zomervakantie tussen hen zal zijn, evenals het contact tussen [minderjarige] en grootouders vaderszijde en eventueel ook met de man. De man vreest ervoor dat het traject dan langere tijd stilligt. De man wil de beslissing van de kinderrechter over het NIFP-onderzoek afwachten en eerst kaders en afspraken maken, voordat hij toestemming voor de zomervakantie geeft.
De Raad benoemt dat het niet verlenen van de toestemming door de man ook averechts kan werken en juist niet de situatie bewerkstelligt die de man graag zou willen zien. Nu [minderjarige] dagelijks door de vrouw wordt verzorgd en de GI geen acute zorgen over [minderjarige] bij de vrouw heeft, ziet de Raad niet in waarom [minderjarige] niet met de vrouw op vakantie kan gaan. Het afwachten van de beslissing van de kinderrechter over het NIFP-onderzoek vindt de Raad niet wenselijk, nu – als daartoe al wordt besloten – dit een geruime tijd in beslag zal nemen. Belangrijk is dat [minderjarige] onbelast van haar vakanties kan genieten.
De GI heeft geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw. Wel maakt de GI zich er zorgen over dat [minderjarige] klem tussen de ouders zit en dat de ouders elkaar wantrouwen en niet communiceren, maar volgens de GI zou dit er niet toe moeten leiden dat [minderjarige] niet op de vakanties kan gaan. Voor wat betreft de meivakantie geeft de GI aan dat de kindbehartiger zelf ook met vakantie is en voor de zomervakantie geldt dat de contacten met de kindbehartiger in die periode altijd iets minder zijn. Ook de kindbehartiger heeft aangegeven geen contra-indicaties voor de zomervakantie te zien. Zij zal zelf afspraken met beide ouders en [minderjarige] voor die periode moeten maken, dat kan de GI niet voor haar doen. De GI vindt het belangrijk dat de ouders, onder begeleiding en met de overige betrokkenen, in gesprek gaan om kaders en afspraken te maken. Eerder stond de man daar niet voor open.
5. De beoordeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij toestemming voor de meivakantie van [minderjarige] met de vrouw naar Duitsland in de periode 17 april 2026 tot en met 24 april 2026 verleent. Nu de man het toestemmingsformulier voor de meivakantie tijdens de zitting heeft ingevuld en ondertekend, heeft de vrouw geen belang meer bij dat deel van haar verzoek. De rechtbank zal dat deel van het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.
De rechtbank stelt verder vast dat het partijen niet is gelukt om ten aanzien van de zomervakantie tot een vergelijk te komen en zal dan ook in het belang van [minderjarige] op het verzoek van de vrouw beslissen. De rechtbank heeft begrip voor de zorgen van de man over [minderjarige] zoals hij tijdens de zitting heeft toegelicht, maar stelt tegelijkertijd vast dat de gewone verblijfplaats van [minderjarige] bij de vrouw is en dat de GI op dit moment geen zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de vrouw heeft. De GI maakt zich wel zorgen over dat [minderjarige] klem tussen de ouders zit en dat de ouders niet met elkaar communiceren, maar zowel de GI als de Raad hebben zich op het standpunt gesteld dat dit er niet toe zou moeten leiden dat [minderjarige] niet op zomervakantie met de vrouw kan gaan. Verder heeft de kindbehartiger in het e-mailbericht van 5 december 2025 aangegeven dat de zomervakantie en het traject bij de kindbehartiger los van elkaar moeten worden gezien. Juist ook nu op dit moment nog niet kan worden ingeschat hoe het contactherstel zal verlopen. Gelet hierop en de toelichting van de GI dat de contacten met de kindbehartiger in de zomervakantie altijd iets minder zijn, is de rechtbank met de GI en de Raad van oordeel dat beide zaken los van elkaar moeten worden bekeken en dat er geen contra-indicaties zijn. Het traject bij de kindbehartiger mag er niet aan in de weg staan dat [minderjarige] onbelast met haar moeder in de zomer op vakantie kan gaan. Ook [minderjarige] zelf heeft tijdens het gesprek met de rechter aangegeven dat zij graag met haar moeder op vakantie wil gaan. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij met de vrouw af kan reizen naar Italië in de periode van 18 juli 2026 tot en met 25 juli 2026 en naar Oostenrijk in de periode van 25 juli 2026 tot en met 5 augustus 2026 en daar gedurende die periodes kan verblijven. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de zomervakantie dan ook toewijzen. Belangrijk in dit kader is dat tijdens de zitting met elkaar is besproken dat het noodzakelijk is dat er op korte termijn een fysiek gesprek tussen partijen, de kindbehartiger, (de vaste jeugdbeschermer van) de GI en eventueel een onpartijdige mediator zal gaan plaatsvinden over de kaders en communicatie, ook voor tijdens de zomervakantie. Gelet op de toezeggingen van beide partijen gaat de rechtbank er vanuit dat beiden zich hiervoor zullen inspannen en het gesprek met elkaar zullen aangaan.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de opvoeding en ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
De proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank:
verleent aan de vrouw – ter vervanging van de ontbrekende toestemming van de man – toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2017 naar Italië te reizen in de periode van 18 juli 2026 tot en met 25 juli 2026 en naar Oostenrijk te reizen in de periode van 25 juli 2026 tot en met 5 augustus 2026 en daar gedurende die periodes te verblijven;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 in aanwezigheid van mr. Vork, griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.