RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/447461 / JE RK 26-703
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
gevestigd te Middelburg,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 22 april 2026.
2. De feiten
De vader heeft [minderjarige] erkend. De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 14 maart 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 14 maart 2024 en tot 14 maart 2025. De ondertoezichtstelling is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 februari 2026 voor de periode van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027.
Bij beschikking van 12 december 2025 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 12 december 2025 en tot 26 december 2025. Deze machtiging is bij beschikking van 24 december 2026 verlengd met ingang van 26 december 2025 en tot 1 februari 2026.
Bij beschikking van 16 januari 2026 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening verleend met ingang van 16 januari 2026 en tot 30 januari 2026. Deze machtiging is hierna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 24 februari 2026 voor de periode van 14 maart 2026 en tot 14 maart 2027.
Op basis van voornoemde machtiging verblijft [minderjarige] in een gezinshuis.
3. Het verzoek
De GI verzoekt:
- op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek (BW) een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen met een brede machtiging, namelijk tot einde van de ondertoezichtstelling;
- de beschikking onverwijld af te geven zonder voorafgaand verhoor van belanghebbenden;
- de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [minderjarige] verblijft sinds januari 2026 in een gezinshuis, maar zij kan daar niet langer verblijven. De plaatsing in het gezinshuis is namelijk niet passend gebleken bij de zorg- en begeleidingsbehoeften van [minderjarige] . [minderjarige] heeft regelmatig conflicten met andere kinderen in het gezinshuis en in de omgeving en zij ervaart moeite met het accepteren van het gezag van de gezinshuisouders. Hierdoor zijn de spanningen in het gezinshuis in de afgelopen weken steeds verder toegenomen. Dit heeft ertoe geleid dat de gezinshuisouders hebben aangegeven de plaatsing van [minderjarige] in het gezinshuis niet te kunnen continueren. Dit maakt dat voor [minderjarige] per direct een andere verblijfplek noodzakelijk is. Ondanks verschillende aanmeldingen bij mogelijke vervolgplekken, is er op dit moment geen passende plek beschikbaar waar [minderjarige] terecht kan. Om die reden zal [minderjarige] tijdelijk worden geplaatst op de [crisisgroep] van [accommodatie] . Vanuit daar zal zo spoedig mogelijk worden toegewerkt naar een passende en duurzame plek voor [minderjarige] .
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst. [minderjarige] kan niet langer in het gezinshuis verblijven en een brede machtiging tot uithuisplaatsing is noodzakelijk om de plaatsing bij [crisisgroep] en een passende vervolgplek te formaliseren.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [minderjarige] . Nu de plaatsing in het gezinshuis niet kan worden voortgezet en [minderjarige] niet kan terugkeren naar de thuissituatie van één van de ouders vanwege de nog steeds aanwezige zorgen over de opvoedsituatie van beide ouders, dient zij met spoed elders te worden geplaatst. Daarom verleent de kinderrechter een brede machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van twee weken.
Een verdere beslissing op het verzoek zal de kinderrechter pas nemen nadat het verzoek mondeling is behandeld. Deze mondelinge behandeling zal plaatsvinden op [datum] 2026 om [uur]. De kinderrechter vindt het belangrijk dat er op dat moment met de moeder, de vader en de GI zal worden gesproken. Ook zal de kinderrechter [minderjarige] daaraan voorafgaand in de gelegenheid stellen haar mening te geven over het resterende deel van het verzoek.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] met ingang van 22 april 2026 en tot 6 mei 2026;
verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. Duinhof op [datum] 2026 om [uur] in het gerechtsgebouw van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, aan Kousteensedijk 2 in Middelburg;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor de zitting;
bepaalt dat [minderjarige] per aparte brief wordt opgeroepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. Duinhof, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026, in aanwezigheid van mr. Van der Meer als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.