ECLI:NL:RBZWB:2026:4495

ECLI:NL:RBZWB:2026:4495

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-05-2026
Zaaknummer C/02/430387 FA RK 25-20 en C/02/436509 FA RK 25-3023
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Zorgregeling, KAL, PAL en verdeling.

Uitspraak

2. De feiten

Op grond van de stellingen en overgelegde stukken staat tussen partijen het volgende vast:

- zij zijn op [datum] 2019 in de gemeente Loon op Zand met elkaar gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen;

- uit hun huwelijk is het volgende, nu nog minderjarige kind geboren:

[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019;

- zij hebben geen overeenstemming kunnen bereiken over een ouderschapsplan;

- zij hebben de Nederlandse nationaliteit;

- hun huwelijk is duurzaam ontwricht;

- de vrouw heeft nog twee dochters uit een eerdere relatie:

[minderjarige 2] (geboren op [geboortedag 2] 2013) en [minderjarige 3] (geboren op [geboortedag 3] 2015).

3. De verzoeken

De man verzoekt nu, samengevat,

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (co-ouderschapsregeling en een vakantie- en feestdagenregeling);

- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen.

De man heeft op zitting de volgende verzoeken ingetrokken:

- bepaling dat ieder van partijen € 100,= per maand op een kindrekening stort ter zake de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] ;

- opneming van de door partijen alsnog overeengekomen regelingen in de beschikking.

De vrouw verzoekt nu, samengevat,

- echtscheiding;

- bepaling dat de minderjarige haar hoofdverblijf zal hebben bij haar;

- vaststelling van een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (co-ouderschapsregeling en een vakantie- en feestdagenregeling);

- vaststelling van een door de man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige van € 396,= per maand;

- vaststelling van een door de man aan haar te betalen onderhoudsbijdrage van € 966,= per maand;

- gelasten van de wijze van verdeling van de gemeenschappelijke goederen;

- te bepalen dat het vergoedingsrecht van de vrouw € 52.200,= bedraagt en dat de man aan de vrouw in totaal € 26.100,= moet voldoen.

De vrouw heeft op zitting de volgende verzoeken ingetrokken:

- te bepalen dat de minderjarige op haar adres staat ingeschreven en dat aan de vrouw het recht toekomt om de kinderbijslag en het kindgebonden budget te innen;

- te verklaren voor recht dat partijen de inboedelgoederen in onderling overleg hebben verdeeld;

- te bepalen dan wel te verklaren voor recht dat partijen over en weer afstand doen van de door hen opgebouwde pensioenrechten en het (bijzonder) nabestaandenpensioen.

4. De beoordeling

De rechtbank acht de man en de vrouw ontvankelijk in zijn en haar echtscheidingsverzoek. De door hen aangevoerde omstandigheden zijn van dien aard dat van de man en de vrouw redelijkerwijs niet kan worden verlangd dat een door beide partijen opgesteld, volledig, ouderschapsplan wordt overgelegd.

De verzoeken tot

- echtscheiding;

- bepaling van het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vrouw;

liggen als op de wet gegrond en niet weersproken voor toewijzing gereed, waarbij met

betrekking tot het hoofdverblijf niet is gebleken dat het belang van de minderjarige zich

daartegen verzet.

Regeling zorg- en opvoedingstaken

Partijen zijn het eens over een co-ouderschapsregeling, waarbij [minderjarige 1] in de ene week, als [minderjarige 2] en [minderjarige 3] ook bij de vrouw verblijven, bij de vrouw verblijft en de andere week bij de man, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag via school.

Partijen zijn het ook eens over de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen:

- de reguliere zorgregeling/co-ouderschapsregeling loopt door tijdens de voorjaars-/carnavalsvakantie, de meivakantie, de herfstvakantie en de kerstvakantie;

- de zomervakantie wordt in onderling overleg bij helfte verdeeld;

- de zorgregeling loopt in beginsel door tijdens feestdagen (bijvoorbeeld Kerst, Oud & Nieuw, Pasen, Pinksteren, Koningsdag, etc.). Indien een ouder graag extra contact wenst met [minderjarige 1] tijdens een feestdag, dan zal deze ouder tijdig contact opnemen met de andere ouder om dit te bespreken.

- verjaardag van [minderjarige 1] : de ouder waar [minderjarige 1] op haar verjaardag verblijft, maakt het voor de andere ouder mogelijk om haar te feliciteren.

De vrouw verzoekt hierbij in de beschikking op te nemen dat als de verjaardag van [minderjarige 1] in de kerstvakantie valt, een ouder wel de mogelijkheid moet hebben om met [minderjarige 1] op vakantie te gaan. Dit zal dan betekenen dat de andere ouder [minderjarige 1] niet persoonlijk kan feliciteren, maar bijvoorbeeld via de telefoon of videobellen. De vrouw gaat er overigens wel van uit dat de verjaardag van [minderjarige 1] (16 december) niet snel in de kerstvakantie zal vallen.

De rechtbank zal voornoemde regeling in deze beschikking opnemen, omdat partijen hierover overeenstemming hebben.

Alimentatie

Bij het bepalen van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage en de financiële draagkracht om die te voldoen hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.

Kinderalimentatie

Partijen zijn het erover eens dat de ingangsdatum van de kinderalimentatie de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand is.

Behoefte

Tussen partijen staat vast dat de behoefte van de minderjarige [minderjarige 1] in 2023 € 730,= per maand en nu, rekening houdend met de wettelijke indexeringen, € 864,= per maand bedraagt.

Het aandeel van partijen in de behoefte van de minderjarige becijfert de rechtbank aan de hand van ieders huidig netto besteedbaar inkomen (NBI), waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.

De man stelt primair dat hij geen kinderalimentatie aan de vrouw is verschuldigd. De zorgtaken voor [minderjarige 1] zijn gelijk verdeeld tussen partijen. De vrouw kan ook een nagenoeg gelijk inkomen als de man genereren, als zij 28 uur per week werkt. Zij heeft er zelf voor gekozen om 24 uur per week te gaan werken. Subsidiair verwijst de man naar de door hem op zitting overgelegde draagkrachtberekeningen.

Met de vrouw stelt de rechtbank vast dat de (financiële) situatie van partijen niet gelijk is. Het hoofdverblijf van [minderjarige 1] is bij de vrouw, zij moet de verblijfsoverstijgende kosten van [minderjarige 1] dragen en zij is tevens onderhoudsplichtig voor haar twee andere dochters, voor wie zij ook de helft van de tijd de zorg heeft. De rechtbank volgt het primaire standpunt van de man dan ook niet en zal hierna de draagkracht van partijen bespreken.

Draagkracht vrouw

Voor de vaststelling van het NBI van de vrouw gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

De vrouw is met ingang van 1 november 2025 minder gaan werken; zij werkte voorheen 28 uur per week en nu 24 uur per week. De man neemt het standpunt in dat de vrouw 28 uur per week moet kunnen werken; hij werkt zelf 36 uur per week en heeft ook de helft van de tijd de zorg voor [minderjarige 1] . De vrouw heeft op zitting desgevraagd aangegeven dat een werkweek van 28 uur haar te veel werd, in combinatie met de zorg voor drie kinderen.

De rechtbank volgt het standpunt van de man. De rechtbank vindt het begrijpelijk dat de vrouw behoefte heeft aan momenten van rust en tijd voor zichzelf zoals zij heeft aangegeven, maar is van oordeel dat hier bij een werkweek van 28 uur ook nog ruimte voor is. Van de vrouw kan dan ook worden verwacht dat zij 28 uur per week werkt, zodat hiervan kan worden uitgegaan.

De rechtbank acht het dan ook redelijk om voor de draagkracht van de vrouw aan te sluiten bij de door de man ter zitting overgelegde draagkrachtberekening van de vrouw. Hierin is uitgegaan van de cumulatieven op haar loonstrook van november 2025, geëxtrapoleerd naar een jaarloon, zijnde € 36.016,=, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag.

De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

Daarnaast zal de rechtbank, anders dan de man in zijn draagkrachtberekening heeft gedaan,

uitgaan van een kindgebonden budget voor drie kinderen, dat bij voormeld inkomen € 11.148,= op jaarbasis bedraagt, omdat de vrouw onderhoudsplichtig is voor drie kinderen, [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 1] . Aan de hand van deze uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige NBI van de vrouw op € 3.941,= per maand.

De draagkracht van de vrouw is dan volgens de formule € 976,= per maand.

Draagkracht man

Voor de vaststelling van het NBI van de man gaat de rechtbank uit van de volgende niet dan wel onvoldoende weersproken gegevens.

Partijen zijn het erover eens gebleken dat wordt uitgegaan van het inkomen van de man uit loondienst. Overigens, voor zover de vrouw haar standpunt zou hebben gehandhaafd dat de man zijn onderneming niet had mogen staken, volgt de rechtbank het standpunt van de man (zoals weergegeven in zijn verweerschrift) dat vanwege de wet schijnzelfstandigheid de man niet als zzp’er kon blijven werken voor één opdrachtgever. De man werkt nu 36 uur per week. Van hem kan niet worden verlangd dat hij meer uren gaat werken.

De rechtbank volgt de door de man ter zitting overgelegde draagkrachtberekening.

De man heeft toegelicht dat hij is uitgegaan van de cumulatieven over de periode 12 mei 2025 tot en met 31 december 2025 op de loonstroken 12-2025, geëxtrapoleerd naar een jaarloon, in dienstverband 1 en dienstverband 3, zijnde € 46.367,= bruto per jaar, te vermeerderen met de gebruikelijke vakantietoeslag. Ter zitting is gebleken dat dienstverband 2 een administratieve correctie was, zoals ook door de vrouw is bevestigd.

Er is rekening gehouden met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Aan de hand van deze uitgangspunten heeft de man zijn huidige NBI becijferd op € 3.265,= per maand.

De draagkracht van de man is dan volgens de formule € 644,= per maand.

Verdeling draagkracht vrouw

De vrouw is onderhoudsplichtig voor drie kinderen. Zoals hiervoor opgenomen, bedraagt de behoefte van [minderjarige 1] € 864,= per maand. De vrouw heeft in haar berekening (productie 21) een behoefte opgenomen voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] van € 826,= per maand per kind. Hoewel onduidelijk is hoe deze behoefte is berekend, zal de rechtbank hiervan uitgaan, mede nu deze behoefte door de man niet is betwist.

De vrouw ontvangt geen kinderalimentatie van de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Onduidelijk is gebleven waarom niet. De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt dat de vrouw daarom haar volledige draagkracht voor alleen [minderjarige 1] moet aanwenden. Evenmin volgt de rechtbank het standpunt van de vrouw dat haar draagkracht moet worden verdeeld naar rato van de volledige behoefte. De rechtbank zal ervan uitgaan dat de vader van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de helft zou kunnen bijdragen in hun behoefte en de vrouw voor de andere helft. Daarom stelt de rechtbank de behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op € 413,= per maand per kind (de helft van € 826,=). Vervolgens zal de rechtbank de draagkracht van de vrouw verdelen over de drie kinderen naar rato van die behoefte. De draagkracht van de vrouw voor [minderjarige 1] is dan € 499,= per maand (draagkracht vrouw van € 976 gedeeld door de totale behoefte van € 1.690 maal € 864).

Draagkrachtvergelijking

De verdeling van de kosten van [minderjarige 1] over partijen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van [minderjarige 1] , oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 644 / € 1.143 x € 864 = € 487,= per maand,

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 499 / € 1.143 x € 864 = € 377,= per maand.

Zorgkorting

Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 35%. Omdat de behoefte van [minderjarige 1] € 864,= per maand bedraagt, is de zorgkorting € 302,= per maand.

Het aandeel van de man wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw kan betalen € 185,= per maand.

De rechtbank zal deze bijdrage vaststellen.

Partneralimentatie

Behoefte

Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw is het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen.

Tussen partijen staat vast dat wordt uitgegaan van een NBI van de man van € 5.111,= per maand en een NBI van de vrouw van € 2.432,= per maand in 2023.

Het NBGI van partijen komt dan op € 7.543,= per maand.

Rekening houdend met de kosten van de minderjarigen van in totaal € 1.460,= per maand, conform de berekening van de vrouw (uitgaande van twee kinderen in het gezin, omdat [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de helft van de tijd bij partijen waren), bedraagt het aandeel van de vrouw in genoemd netto gezinsinkomen de helft van het resterende bedrag van € 6.083,=, zijnde € 3.041,50 per maand. Omdat het voeren van twee gescheiden huishoudens duurder is dan het leven in gezinsverband, wordt bij dit aandeel een percentage van 20 opgeteld, zodat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw uitkomt op € 3.650,= netto per maand. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt die behoefte nu € 4.318,= netto per maand.

Om te bepalen of, en zo ja in welke mate, de vrouw behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man moet op deze huwelijksgerelateerde behoefte in mindering worden gebracht haar eigen netto inkomen.

De man heeft gesteld dat de vrouw, in ieder geval voor een groot deel, in haar huwelijksgerelateerde behoefte kan voorzien met eigen inkomen en verdiencapaciteit; zij moet, net als hij, in staat worden geacht om 36 uur per week te werken.

De rechtbank volgt de man niet in zijn standpunt en gaat uit van de onder rechtsoverweging 4.13 vermelde gegevens, met dien verstande dat geen rekening wordt gehouden met het kindgebonden budget. Het NBI van de vrouw bedraagt dan € 3.009,= per maand. De behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage bedraagt, gelet op haar eigen NBI, aldus € 1.309,= netto per maand.

Voor de financiële draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn eerder vermelde NBI van € 3.265,= per maand. De rechtbank houdt verder rekening met de hiervoor becijferde kinderbijdrage, inclusief zorgkosten, van in totaal € 487,= per maand.

Op grond van voormelde financiële omstandigheden en rekening houdend met alle fiscale gevolgen acht de rechtbank bij de man de draagkracht aanwezig om, naast voormelde kosten van de minderjarige, € 104,= per maand te voldoen ten behoeve van de vrouw. Daarbij wordt het fiscale voordeel van de betaling van de bijdrage aan de vrouw geheel aan hem toegekend. Dat brengt mee dat het verzoek van de vrouw in zoverre zal worden toegewezen.

Een gescand exemplaar van de door de rechtbank gemaakte berekeningen is als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maakt daarvan deel uit.

Verdeling

Partijen zijn gehuwd in beperkte gemeenschap van goederen. Bij de verdeling van deze gemeenschap moet als uitgangspunt worden aangenomen dat partijen in gelijke mate delen in de goederen van de gemeenschap, terwijl ieder de schulden van de gemeenschap voor de helft moet dragen.

Peildatum

De gemeenschap van goederen is op grond van artikel 1:99 lid 1 aanhef en sub b BW ontbonden op de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend bij de rechtbank, te weten 3 januari 2025. Die datum is ook bepalend voor de omvang en samenstelling van de gemeenschap.

De peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de gemeenschap is in beginsel de datum waarop de verdeling plaatsvindt, tenzij partijen anders overeenkomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aangehouden. Van deze peildata zal ook in het onderstaande worden uitgegaan, tenzij daarvan ambtshalve of op verzoek van partijen uitdrukkelijk wordt afgeweken.

De gemeenschap bestond op de peildatum van 3 januari 2025, volgens opgave van partijen zelf, uit de volgende bestanddelen (activa en passiva):

- echtelijke woning aan de [adres] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening bij de Rabobank;

- saldi op bankrekeningen;

- auto’s, Kia Picanto en (leasecontract) Tesla;

- inboedel;

- eenmanszaak;

- IB-aanslag/-teruggaaf;

- schulden.

Tussen partijen is niet in geschil dat buiten de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen het saldo op de bankrekeningen van dochter [minderjarige 1] valt.

Echtelijke woning en hypothecaire geldlening

De echtelijke woning is inmiddels verkocht en geleverd aan een derde. Hierbij heeft tussen partijen een financiële afwikkeling plaatsgevonden, zodat de rechtbank hierop niet meer hoeft te beslissen. Op de aangegane schuld voor de zonnepanelen, die met de woning zijn mee verkocht, wordt hierna ingegaan.

Saldi op bankrekeningen

Ter zitting is gebleken dat de saldi op de bankrekeningen al tussen partijen zijn verdeeld. Partijen zijn het erover eens dat ieder de rekeningen houdt die op zijn/haar naam staan. Ook hierover is dan geen beslissing van de rechtbank meer nodig.

Auto

Partijen zijn het erover eens dat de Kia Picanto aan de vrouw wordt toebedeeld, zonder nadere verrekening. Hierop hoeft de rechtbank daarom niet meer te beslissen.

Schulden

De rechtbank stelt vast dat de Tesla geen onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen. Zo lang het leasecontract niet is beëindigd, is de Tesla geen eigendom van (een van) partijen. De man heeft het leasecontract beëindigd, waarbij hij de Tesla heeft terug gegeven. De Tesla is dus nooit eigendom geworden van partijen, maar er resteert een schuld, waarbij partijen discussie hebben over hoe de draagplicht tussen partijen moet worden verdeeld. De rechtbank oordeelt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld. De hoogte van deze schuld is onduidelijk gebleven, zodat de rechtbank niet kan vaststellen welk bedrag de vrouw nog schuldig is aan de man.

Dit geldt ook voor de schuld die partijen zijn aangegaan voor de aanschaf van zonnepanelen op de echtelijke woning. Hierbij is niet van belang wie van partijen heeft getekend voor die schuld. Het betreft een huwelijkse schuld waarvoor beide partijen bij helfte draagplichtig zijn. De rechtbank kan niet vaststellen wat de hoogte van de schuld is en aldus tot welk bedrag de vrouw gehouden is hieraan bij te dragen.

Inboedel

De inboedel is al tussen partijen verdeeld, zodat geen beslissing van de rechtbank meer nodig is.

Eenmanszaak

Partijen zijn het niet eens over de verdeling van (het vermogen in) de eenmanszaak “ [eenmanszaak] ”. De man heeft zijn bedrijf per 1 juli 2025 gestaakt en de onderneming is per 3 juli 2025 uitgeschreven uit het handelsregister. Uit de jaarrekening blijkt dat het kapitaal per 31 december 2024 € 12.582,= bedroeg. De man heeft ter zitting gesteld dat dit een vordering op de opdrachtgever betreft en dus gewoon zijn loon is, zodat dit niet verdeeld moet worden en in de consumptieve sfeer is besteed. Het eigen vermogen van de eenmanszaak is een rekenkundige eenheid; de man ís zijn eenmanszaak, er zit verder niets in. Er valt met betrekking tot de eenmanszaak volgens de man niets meer te verdelen.

De vrouw heeft gesteld dat genoemd kapitaal een vermogensbestanddeel is, dat verdeeld moet worden. Zij heeft van haar salaris gespaard en heeft het saldo op haar spaarrekening ook met de man gedeeld.

De rechtbank overweegt dat een eenmanszaak geen afgescheiden vermogen heeft. Een vordering in de eenmanszaak valt ook in de huwelijksgoederengemeenschap van partijen.

De rechtbank zal daarom bepalen dat de man de helft van het bedrag van € 12.582,=, zijnde € 6.291,= aan de vrouw moet voldoen.

IB-teruggaaf/-aanslag

Met betrekking tot de IB-teruggaaf/-aanslag over 2024 overweegt de rechtbank dat deze ziet op de periode voor de peildatum van 3 januari 2025. Partijen moeten daarom ieder de helft van de aanslag betalen dan wel ontvangen ieder de helft van de teruggaaf.

De vrouw heeft nog gesteld dat zij vanaf medio 2024 diverse kosten van de huishouding heeft voldaan, terwijl de man geen bijdrage heeft geleverd in de kosten van haar en van [minderjarige 1] . De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor een andere verdeling van de draagplicht voor de IB. Hierbij overweegt de rechtbank dat de vrouw een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen had kunnen/moeten doen in verband met de kosten van levensonderhoud van haar en [minderjarige 1] .

Vergoedingsrecht

Hoewel zij bij brief van 18 december 2025 heeft opgemerkt dat bij de levering van de echtelijke woning de kwestie van de schenkingen is afgewikkeld, heeft de vrouw ter zitting haar verzoek met betrekking tot het vergoedingsrecht in verband met door haar ontvangen schenkingen gehandhaafd. De rechtbank stelt vast dat onduidelijk is gebleven welk bedrag de man aan de vrouw heeft betaald bij de overdracht van de woning en welk bedrag dan nog zou kunnen resteren, zodat de rechtbank hierop geen beslissing kan nemen. Dit verzoek van de vrouw wordt daarom afgewezen.

Proceskosten

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, op [datum] 2019 in de gemeente Loon op Zand met elkaar gehuwd;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de minderjarige [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2019, haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat genoemde minderjarige in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijft, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op maandag via school, en dat de vakanties en feestdagen worden verdeeld zoals opgenomen in rechtsoverweging 4.4, nader in onderling overleg door partijen te regelen;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man met ingang van de dag dat de beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van genoemde minderjarige aan de vrouw, voor de toekomst bij vooruitbetaling, moet voldoen een bedrag van € 185,= (honderdvijfentachtig euro) per maand;

bepaalt, uitvoerbaar bij voorraad, dat de man vanaf de dag dat deze beschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw voor levensonderhoud bij vooruitbetaling moet voldoen een bedrag van € 104,= (honderdvier euro) per maand;

gelast, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschappelijke goederen en de draagplicht van de gezamenlijke schulden van partijen als volgt:

- bepaalt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld met betrekking tot het leasecontract voor de Tesla;

- bepaalt dat beide partijen voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld met betrekking tot de zonnepanelen van de echtelijke woning;

- bepaalt dat de man in het kader van de verdeling van het kapitaal van de eenmanszaak “ [eenmanszaak] ” de helft van € 12.582,=, zijnde € 6.291,= aan de vrouw moet voldoen;

- bepaalt dat de IB-aanslag/-teruggaaf over 2024 bij helfte door partijen als eigen schuld wordt gedragen respectievelijk bij helfte wordt gedeeld;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. Meyboom, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. Meyboom

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand