RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/445841 / JE RK 26-399 en C/02/445750 / JE RK 26-383
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling
WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2010 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedag 3] 2012 in [geboorteplaats 3] ,
hierna te noemen [minderjarige 3] ,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 4] 2014 in [geboorteplaats 2] ,
hierna te noemen [minderjarige 4] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
twee afzonderlijke verzoekschriften met bijlagen, beiden ontvangen op 4 maart 2026;
het op 20 april 2026 van de moeder ontvangen e-mailbericht.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- twee vertegenwoordigsters van de GI.
De kinderrechter heeft de kinderen naar hun mening gevraagd. Zij hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat zij aan hem hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.
Zij verblijven op grond van de onder 2.3. genoemde machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten een woongroep van [jeugdhulp] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 23 april 2025, voor zover thans van belang, de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengd van 30 april 2025 tot 30 april 2026. Daarbij is ook voor dezelfde periode verlengd de machtiging om hen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
3. De verzoeken
De GI verzoekt in de zaak met het kenmerk C/02/445841 / JE RK 26-399 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van drie maanden.
De GI verzoekt in de zaak met het kenmerk C/02/445750 / JE RK 26-383 ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] beide op hun betrekking hebbende beschermingsmaatregelen te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt alle beslissingen uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
Ter onderbouwing van de verzoeken is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend, samengevat, het navolgende aangevoerd. De ouders wonen al geruime tijd gescheiden van elkaar. De moeder woont samen met de oudere zus van de kinderen in een eengezinswoning. De moeder heeft een partner ( [persoon] ), die daar ook vaak is. Zij heeft veel onveiligheid gekend wegens huiselijk geweld. Zij is daardoor overvraagd geraakt. Tevens heeft zij een stresspsychose en een TIA gehad en is zij middelen gaan gebruiken. De moeder heeft aangegeven dat zij haar GGZ behandeling positief heeft afgerond en dat het inmiddels beter met haar gaat. De vader staat al langere tijd niet in contact met de GI. [minderjarige 1] wenst op dit moment geen contact te hebben met de vader, dit geldt ook voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . [minderjarige 4] zou wel willen kijken hoe hij weer contact met de vader zou kunnen hebben.
[minderjarige 1] is een zorgzame en sociale jongen die graag anderen helpt en behoefte heeft aan een duidelijke plek binnen een groep. Hij laat binnen zijn tempo persoonlijke groei zien sinds de plaatsing in de woongroep. Hij kan goed verwoorden wat hij denkt en voelt. Dit neemt niet weg dat hij door zijn ASS en ADHD moeite heeft met overzicht, impulscontrole en emotieregulatie. Hij raakt snel afgeleid of overprikkeld en kan zich laten meeslepen in spanningen of ruzies. In de ochtend is hij meestal zelfstandig, maar in de middag en avond heeft hij meer begeleiding nodig. Ook blijken vrije momenten lastig, omdat gezien wordt dat [minderjarige 1] zonder sturing grenzen opzoekt, hij gevoelig is voor groepsdruk en hij soms onveilige of ondoordachte keuzes maakt. Ook heeft hij ondersteuning nodig bij zijn persoonlijke verzorging, taakuitvoering, het naleven van afspraken en het reguleren van zijn mediagebruik. Hij functioneert daarom het best bij duidelijke regels, structuur en voorspelbare routines. Met individuele begeleiding en passende ondersteuning kan hij beter omgaan met zijn impulsen, emoties en sociale situaties en groeien in zelfstandigheid, zelfvertrouwen en het benutten van zijn talenten. Bij hem, evenals bij [minderjarige 2] , is sprake van parentificatie. [minderjarige 1] heeft structureel opvoed- en zorgtaken op zich genomen ten aanzien van zijn jongere broertjes en in ondersteuning van de moeder. Dit belemmert zijn eigen ontwikkelingsproces richting autonomie, scholing en zelfstandigheid. Naar verwachting zal, zolang de moeder onvoldoende in staat is om haar ouderpositie stevig en consequent in te nemen, dit patroon blijven bestaan. De ontwikkelingsbedreiging is daarmee niet incidenteel, maar systemisch en langdurig.
[minderjarige 2] is een sociaal vaardige jongen, gericht op contact en verbinding. Hij toont
respectvol gedrag naar volwassenen en is goed aanspreekbaar wanneer hij zich gezien voelt.
Binnen een gestructureerde omgeving kan hij taakgericht werken, komt hij afspraken na en laat hij motivatie en leerbaarheid zien. Humor, relativeringsvermogen en succeservaringen dragen bij aan zijn zelfvertrouwen en inzet. Tegelijkertijd is [minderjarige 2] gevoelig voor groepsdruk en externe bevestiging, waardoor hij soms impulsief reageert en moeite heeft om grenzen te bewaken. Verder is er sprake geweest van experimenteel nicotinegebruik (vapen). Hij heeft ondersteuning nodig bij het vasthouden van routines, planning en het toepassen van vaardigheden buiten een vertrouwde structuur. Hij heeft baat bij een voorspelbare omgeving met nabijheid van volwassenen, waarin gewerkt wordt aan zelfregulatie, emotieregulatie en het versterken van zijn zelfstandigheid. Hij heeft, evenals [minderjarige 1] , structureel opvoed- en zorgtaken op zich genomen ten aanzien van zijn jongere broertjes en in ondersteuning van de moeder, wat belemmerend is voor zijn ontwikkelingsproces richting autonomie, scholing en zelfstandigheid.
[minderjarige 2] volgt regulier VMBO-onderwijs en is betrokken, maar heeft extra structuur nodig ten aanzien van concentratie en schooltaken. Sport, buiten zijn en sociale activiteiten helpen hem bij het reguleren van spanning. Hij is lichamelijk gezond; mentaal zijn er ADHD-kenmerken en lichte emotionele ontregeling bij stress, waarbij de focus ligt op het vergroten van zelfinzicht en emotionele balans.
[minderjarige 3] is een sociale, vriendelijke en behulpzame jongen. Hij toont empathie,
heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel en functioneert goed binnen een vaste structuur. Hij
is gemotiveerd om te leren, accepteert grenzen en gebruikt sport als uitlaatklep. Hij beschikt over voldoende cognitieve vaardigheden en inzicht om zijn gedrag te begrijpen en bij te sturen, maar heeft ook blijvend behoefte aan structuur en nabijheid. Daarnaast is hij gevoelig voor groepsdruk en externe waardering. In sociale situaties kan hij impulsief reageren en bevestiging zoeken. Daarnaast heeft hij soms ondersteuning nodig ten aanzien van planning en hygiëne. Thuis bij de moeder wordt gezien dat hij zich terug trekt en een overlevingsmechanisme ontwikkelt, waarbij hij onder de radar functioneert.
[minderjarige 3] volgt regulier onderwijs en laat groei zien in concentratie en taakgerichtheid. Hij blijft gebaat bij voorspelbaarheid, duidelijke begeleiding en ondersteuning bij veranderingen. Sport en creatieve activiteiten helpen hem bij het reguleren van spanning en het versterken van zijn zelfvertrouwen.
[minderjarige 4] is een rustige en vriendelijke jongen. Er is bij hem sprake van ASS,
ADHD en een licht verstandelijke beperking. Hij is een gevoelig kind dat met passende
structuur, nabijheid en begeleiding, duidelijkheid en voorspelbaarheid leerbaar is en zich verder kan ontwikkelen. Hij heeft veel behoefte aan beweging en geniet van buitenspelen en voetbal. In contact met anderen is hij goed aanspreekbaar en zoekt hij vooral contact met vertrouwde volwassenen en leeftijdsgenoten. Hij is ook gevoelig voor prikkels, onduidelijke communicatie en pestervaringen, wat kan zorgen voor frustratie, verdriet of terugtrekking. Hij laat bij de moeder thuis externaliserend gedrag zien, dat in andere contexten nauwelijks wordt herkend. Dit duidt op een systeem gebonden patroon waarin hij een specifieke rol vervult (de katalysator van spanning). Hij heeft ondersteuning nodig bij het aangeven van grenzen, emotieregulatie en het omgaan met sociale situaties.
[minderjarige 4] gaat naar het speciaal basisonderwijs, hij ervaart school over het algemeen als leuk. Hij heeft baat bij rust, duidelijke instructies en begeleiding bij sociale interacties. Daarnaast is blijvende ondersteuning nodig gebleken bij het vasthouden van dagelijkse routines, zoals persoonlijke verzorging. Hij staat ingeschreven op een SVO school die gekoppeld is aan zijn huidige basisschool.
De GI stelt vast dat de moeder zich een liefdevolle ouder toont, die zich oprecht inzet om zo goed mogelijk voor haar kinderen te zorgen en bij wie zij zich geliefd en welkom voelen. Echter is ook gebleken dat zij op dit moment onvoldoende in staat is om aan de kinderen de structuur, duidelijkheid en grenzen te bieden die zij juist hard nodig hebben voor hun ontwikkeling. De GI benoemt in dat verband dat gezien wordt dat de kinderen de wekelijkse logeerpartijen bij de moeder als plezierig ervaren, maar ook is gebleken dat zij nadien verstoord gedrag vertonen. Daaruit wordt duidelijk dat, doordat de grenzen in de zorg- en opvoedsituatie van de moeder zijn vervaagd, dit een toename van negatief gedrag bij de kinderen tot gevolg heeft. In dat opzicht worden niet de intenties van de moeder maar haar beperkte opvoedvaardigheden op het gebied van positionering, individuele afstemming en leiderschap binnen het gezinssysteem als de kern van de problematiek gezien. Er blijkt sprake van een langdurig patroon waarin het collectieve belang van het gezin boven de individuele ontwikkelingsbehoeften van de kinderen wordt gesteld.
De GI heeft in het afgelopen jaar van de ondertoezichtstelling onderzocht, onder meer aan de hand van een gezinsopname onderzoek, of de kinderen op een veilige en stabiele manier weer thuis kunnen wonen. Daaruit is gebleken dat een gelijktijdige terugkeer van alle kinderen naar huis een aanzienlijk risico op herhaling van onveilige patronen met zich mee brengt. De GI verwijst in dat verband naar het ‘Trajectplan gezinsopname’ van [hulpverlening] , waarin is opgemerkt dat de kinderen allemaal hele leuke kinderen zijn die een moeder hebben die erg van hen houdt en voor hen gaat. Als gezin zijn zij sterk bij elkaar betrokken en de moeder is bij de kinderen betrokken. Daar staat tegenover dat de kinderen erg veel hebben meegemaakt en zij een verleden met elkaar en met de moeder hebben, wat hen ook bindt en waardoor zij een collectief hebben gevormd. Bovendien vertonen de persoonlijke en de emotionele ontwikkeling van de kinderen afzonderlijk hiaten. Het ontbreekt de moeder op dit moment nog aan het inzicht en de vaardigheden voor een meer individuele benadering van de kinderen. Het is in het belang van de vier kinderen, zo blijkt ook uit het Trajectplan gezinsopname, dat de moeder daaraan werkt, nu ieder van de kinderen qua zorg- en opvoedcapaciteiten iets anders van haar vraagt. De moeder dient daarom opvoedingsondersteuning te krijgen, die haar leert om haar gezinsleden niet als collectief te zien, maar als individuen, die per persoon anders zijn en afzonderlijk aandacht nodig hebben. Indien wordt besloten om de kinderen bij de moeder te laten wonen zal er eerst meer rust in het gezin moeten zijn. Ook dienen de kinderen meer stabiel te zijn en te hebben geleerd zich met hun eigen leven en groei bezig te houden. Zij mogen niet langer bezig zijn met elkaars opvoeding, dit geldt met name voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook dient de moeder de patronen die er onderling spelen tussen haar kinderen nog beter te leren herkennen. Zij zal dan beter in staat zijn om daadwerkelijk haar positie als moeder in te nemen en de regie te pakken en te behouden, in plaats van alleen maar de leuke, gezellige moeder te zijn.
Er is al langere tijd geen sprake van contact tussen de vader en de kinderen. Gebleken is dat bij het merendeel van de kinderen daarbij hun loyaliteit naar de moeder een belangrijke rol speelt en daarnaast een gebrek aan vertrouwen in de vader, nu door hem eerder contactafspraken niet (stipt) werden nageleefd. Ook ziet de GI dat de vader vaak teruggrijpt op zaken uit het verleden en dat hij zijn aandeel in het ontbreken van contact tussen hem en de kinderen niet erkent, maar de schuld daarvoor bij de moeder en bij de GI legt. Meer specifiek voor [minderjarige 4] geldt dat hij wel open staat voor contactherstel, maar hij ook laat blijken dat hij beperkte herinneringen heeft aan zijn vader en hij daarom wil dat het contact geleidelijk wordt opgebouwd. Sinds een tweetal weken is er weer contact tussen de vader en de jeugdbeschermers van de GI. Door de jeugdbeschermers zal met hem en met de kinderen gezamenlijk worden gekeken naar mogelijkheden om het contact opnieuw vorm te geven.
De GI concludeert dat voor de kinderen het voortduren van beide maatregelen op dit moment nog steeds noodzakelijk is. Wel laat dit onverlet dat de GI aan de hand van het door [hulpverlening] uitgebrachte advies wenst te onderzoeken op welke wijze een stapsgewijze thuisplaatsing van de kinderen veilig en verantwoord kan plaats vinden. Het is daarvoor noodzakelijk dat de moeder aantoont dat zij in staat is om:
haar positie als opvoedkundig leider duurzaam in te nemen,
individueel te differentiëren in haar opvoedstijl,
patronen tussen de kinderen te herkennen en actief te doorbreken,
de parentificatie van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te stoppen.
Meer voor [minderjarige 1] specifiek geldt dat een gefaseerde terugplaatsing binnen de periode van drie maanden mogelijk c.q. haalbaar wordt geacht, mits dit zorgvuldig en gecontroleerd gebeurt. De GI houdt er daarbij rekening mee dat [minderjarige 1] thuis perspectief heeft op school en ontwikkeling, zij het uitsluitend indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- er is sprake van een duidelijk opbouwschema;
- intensieve ambulante hulpverlening gericht op het versterken van moeders
opvoedpositie beschikbaar is,
- er wordt gewerkt aan het stoppen van zijn opvoed- en vaderrol (geen parentificatie
meer);
- er wordt gewerkt aan zijn eigen toekomstontwikkeling.
5. De standpunten van de kinderen
Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] , samengevat, naar voren gebracht dat hij een goed contact heeft met de jeugdbeschermers. Hij weet dat hij bij hen met zijn vragen terecht kan. Momenteel gaat hij nog niet naar school. Wel zal hij binnenkort terugkeren naar zijn oude school. Het is de bedoeling dat hij telkens op woensdag naar school gaat en dat hij daarnaast gaat werken, bijvoorbeeld in een supermarkt of in de logistiek, waar ook een vriend van hem werkzaam is. Hij heeft begrepen dat verzocht is de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van drie maanden. Hij verwacht wel dat hij begin of medio mei 2026 al zal terugkeren naar huis, maar mogelijk iets eerder of later. Dit hangt er met name vanaf of hij zaken zoals school en werk tijdig heeft weten te regelen. Hij kijkt ernaar uit om weer bij zijn moeder te wonen. Hij kan zich vinden in een verlenging van de maatregelen, zoals verzocht.
[minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] hebben tijdens het kindgesprek, samengevat, naar voren gebracht dat zij begrijpen dat een verlenging van beide maatregelen op dit moment in hun belang nog nodig is. Zij willen evenals [minderjarige 1] wel graag snel terugkeren naar huis, het liefst tijdens de aankomende zomervakantie. Het liefst zien zij dat zij en [minderjarige 1] tegelijk weer thuis mogen gaan wonen. Zij kunnen dan met het nieuwe schooljaar starten, terwijl zij al bij hun moeder wonen.
6. De standpunten ouders
De moeder heeft door middel van een e-mailbericht en mondeling aanvullend, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Zij is wegens een combinatie van factoren en omstandigheden in een stresspsychose beland. Daardoor heeft zij tijdelijk een uitvlucht gezocht in de vorm van middelengebruik. Daarop volgde er een klinische GGZ opname. Tijdens die opname is zij gestopt met middelengebruik. Ook kon zij na verloop van tijd haar behandeling thuis in ambulante vorm afronden. Inmiddels is zij volledig hersteld. Haar behandelaar heeft aangegeven dat zij niet hoeft te vrezen voor een terugval. In de periode kort vóór en tijdens de scheiding van haar en de vader is er uitgebreid systeemonderzoek verricht door All for Care. Daaruit is gebleken dat zij als moeder in staat is om al haar kinderen individueel te begeleiden richting volwassenheid. Verder wenst zij te benadrukken dat zij in haar gezin, indien nodig, de leiding neemt, maar dat zij ook vindt dat zij als leider op ontspannen en positieve manier met haar ‘roedel’ moet (kunnen) meebewegen. Als zij haar kinderen iets vraagt of taakjes geeft voeren zij die uit zónder tegenspraak en soms ook uit zichzelf. Ook zijn zaken/herinneringen uit het verleden zowel positief als negatief gezamenlijk en waar nodig één op één bespreekbaar.
Zij is blij met de twee nieuwe jeugdbeschermers van de GI door wie zaken daadwerkelijk worden aangepakt, in plaats van uitgesteld, en waarbij de samenwerking wordt gezocht. Ook is zij dankbaar dat er gewerkt wordt aan een terugplaatsing van de kinderen. Wel zou zij liever zien dat de vier kinderen tegelijk terugkeren naar huis in de zomervakantie 2026. Zij kunnen dan vanuit huis een rustige overstap maken naar hun nieuwe schooljaar. Verder vindt zij dat de vader in het leven van de kinderen een rol moet kunnen spelen, indien de kinderen dit willen. Zij heeft eerder al pogingen ondernomen om te komen tot herstel van het contact. Er heeft echter in het verleden het nodige gespeeld, wat ervoor heeft gezorgd dat niet alle kinderen zich daarvoor open stellen. De kinderen krijgen van haar ook in de toekomst alle vrijheid en ruimte om contact met de vader te hebben.
De vader heeft ter zitting, samengevat, het volgende opgemerkt. Hij heeft inmiddels gedurende ruim twee jaar geen contact met de kinderen gehad. Hij heeft de indruk dat de oorzaak daarvan geheel of gedeeltelijk is gelegen in een eerder conflict tussen hem en de partner van de moeder en daarnaast de andere opvattingen, die hij heeft over de door de moeder en haar partner gehanteerde opvoedkundige regels. Overigens betekent dit niet dat hij bij de pakken neerzit, immers moet hij ook verder met zijn eigen leven. Wel zou hij graag zien dat het contact tussen hem en de kinderen wordt hersteld, maar dan niet als vriend van de kinderen maar in zijn rol als ouder. Verder wijst hij erop dat er sprake is van weinig contact c.q. samenwerking tussen hem en de jeugdbeschermers en dat dit niet aan hem te wijten is. Sinds kort heeft hij wel een goed contact met de nieuwe jeugdbeschermers.
7. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen wordt voldaan. Daarnaast is hij van oordeel dat een verlenging van hun machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. Hij legt hieronder uit waarom.
Bij de onder 2.3. genoemde beschikking van 23 april 2025 is overwogen dat, ondanks de sprong die de kinderen in hun ontwikkeling hadden gemaakt, de enorme groei die de moeder had doorgemaakt en het werken van de vader aan zichzelf, er nog steeds forse zorgen waren rondom de kinderen. Die zorgen zagen op hun complexe problematiek en specifieke opvoedbehoeften, de beperkingen van de moeder op het gebied van zelfredzaamheid en het stellen van opvoedkundige grenzen, het ontbreken van communicatie tussen de ouders en de moeizame samenwerking tussen de vader en de GI.
In de daaropvolgende periode heeft de GI onderzocht, onder meer aan de hand van een gezinsopname en onderzoek door [hulpverlening] , of de kinderen op een veilige en stabiele manier terug thuis kunnen gaan wonen. Uit de schriftelijke bevindingen van [hulpverlening] blijkt dat alle kinderen een positieve ontwikkeling doormaken en dat zij een goed contact hebben met andere kinderen op school en in de woongroep. De moeder geeft blijk van grote betrokkenheid naar en liefde voor de kinderen, die zich welkom voelen bij haar en zij zet zich serieus in om weer zo goed mogelijk voor hen te kunnen zorgen. Daar staat tegenover dat de kinderen wegens een gebrek aan voldoende structuur, duidelijkheid en begrenzing in toenemende mate negatief gedrag vertonen na contactmomenten bij de moeder. De kinderen hebben afzonderlijk door wat zij in het verleden hebben meegemaakt schade opgelopen voor wat betreft hun persoonlijke en emotionele ontwikkeling. Dit vraagt om een andere, meer individuele benadering en aanpak van de kinderen door de moeder. Hoewel de moeder intussen een belangrijke groei heeft doorgemaakt ontbreekt het haar op dit moment nog aan voldoende inzicht en capaciteiten op dat vlak. Zij heeft daarom opvoedonder-steuning nodig, bedoeld om onderlinge patronen tussen de kinderen te (leren) herkennen en vanuit haar rol/positie als ouder en opvoeder c.q. verzorger de regie te kunnen pakken en te behouden, dit ook opdat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet meer met de zorg voor en opvoeding van hun broertjes belast zullen zijn.
Alle hiervóór beschreven factoren en omstandigheden bij elkaar maken dat het op dit moment niet in het belang van de kinderen is om hen gelijktijdig thuis te plaatsen. Wel zal naar verwachting met de inzet van ambulante (opvoed)ondersteuning voor de moeder en individuele begeleiding en ondersteuning voor [minderjarige 1] gewerkt kunnen worden aan een terugkeer van [minderjarige 1] binnen een periode van drie maanden bij de moeder, onder meer ervan uitgaande dat zodra hij bij de moeder is geplaatst, hij ook weer (gedeeltelijk) naar school zal gaan. Verder hanteert de GI op dit moment ten aanzien van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] als uitgangspunt dat, in navolging van [minderjarige 1] , er gedurende de periode waarvoor de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zullen worden verlengd aan een stapsgewijze terugplaatsing van hen naar de moeder zal worden gewerkt. Naar het zich nu laat aanzien valt niet te verwachten dat deze drie kinderen tegelijk kunnen worden terug geplaatst. Het is aan de GI om te bepalen in welke volgorde, op welke wijze en in welk tempo die terugplaatsing verantwoord kan worden uitgevoerd en welke ambulante (individuele) hulpverlening voor de moeder en de drie kinderen daarvoor nodig is. Het is daarnaast in het belang van alle kinderen dat er aan contactherstel, waar mogelijk, tussen hen en de vader, die mede gezag dragende ouder is, gewerkt (blijft) worden. Ten slotte zijn ook de communicatie tussen de ouders en (verder) herstel van de samenwerking tussen de vader en de jeugdbeschermers aandachtspunten waaraan in het kader van de beschermingsmaatregelen gewerkt dient te (blijven) worden.
Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van de kinderen verlengen voor de verzochte duur van een jaar. Verder zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder worden verlengd voor de duur van drie maanden en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] voor de duur van een jaar, ook hier conform de verzochte periode.
De beslissingen worden van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter zal de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
In de zaak met het kenmerk C/02/445841 / JE RK 26-399
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 april 2026 tot 30 juli 2026;
verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
In de zaak met het kenmerk C/02/445750 / JE RK 26-383
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] met ingang van
30 april 2026 tot 30 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 30 april 2026 tot 30 april 2027;
verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2206.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.