ECLI:NL:RBZWB:2026:4497

ECLI:NL:RBZWB:2026:4497

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 22-04-2026
Datum publicatie 23-05-2026
Zaaknummer C/02/446861 / JE RK 26-602
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Toewijzing verzoek tot ondertoezichtstelling. betreft twee kinderen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummer: C/02/446861 / JE RK 26-602

Datum uitspraak: 22 april 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling

in de zaak van

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING

regio Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag] 2015 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling

WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 3 april 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij

waren aanwezig:

- de moeder;

- een vertegenwoordigster van de Raad;

- een vertegenwoordigster van de GI.

Bijzondere toegang tot de behandeling ter zitting is verleend aan mevrouw [persoon] , vriendin/ondersteuner van de moeder.

De vader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , hierna gezamenlijk aangeduid met de

kinderen, in de gelegenheid gesteld om hun mening over het verzoek kenbaar te maken. Zij hebben daarvan geen gebruik gemaakt.

2. Defeiten

De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

De kinderen wonen bij hun ouders.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt de kinderen onder toezicht van de GI te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de Raad

Ter onderbouwing van het verzoek is door de Raad schriftelijk en mondeling aanvullend, samengevat, het navolgende aangevoerd. De ouders wonen samen met de kinderen. De moeder heeft uit een eerdere relatie twee volwassen uitwonende dochters. De ouders hebben een pakketpostbedrijf, een van de drukste in de regio, waar zij werkzaam zijn. De ouders zijn van hun bedrijf financieel afhankelijk, daarnaast geeft dit hen een gevoel van eigenwaarde. Er is weinig ondersteunend netwerk betrokken bij het gezin. Wel ervaren de ouders steun van de in een vrijwillig kader geboden hulpverlening, met uitzondering van het Centrum voor Jeugd en Gezin (hierna: CJG).

Er zijn zorgen rondom [minderjarige 2] , met name omdat hij niet naar school gaat en hij geen (andere) dagstructuur heeft, dit ondanks dat hij gedurende een jaar naar een [begeleiding] voorziening ( [hulpverlening 1] ) is geweest. Ook krijgt hij geen lesstof aangeboden, terwijl hij aangeeft dat hij daar weer aan toe is. [minderjarige 2] bepaalt veelal zelf wat hij op een dag doet en hoe lang hij dit doet, zoals gamen. De ouders proberen hem daarin soms te stoppen, maar [minderjarige 2] reageert daar niet op. Wel kan hij extra schermtijd op zijn telefoon verdienen door bijvoorbeeld een klusje te doen. [minderjarige 2] kan erg fel reageren op vragen of opmerkingen van anderen of wanneer hij het ergens niet mee eens is. Hij kan dan gaan schelden, schoppen, slaan of bijten. [minderjarige 2] heeft positieve aandacht én duidelijke en consequente grenzen nodig, opdat hij voorspelbaarheid en duidelijkheid geboden krijgt. Hij gaat sinds ruim anderhalf jaar naar een zorgboerderij van [jeugdzorginstelling] gedurende vier dagdelen. Hoewel dit bij vlagen goed verloopt ziet [jeugdzorginstelling] zeker de laatste weken ook zijn negatieve gedrag toenemen. Dit heeft ertoe geleid dat [minderjarige 2] een aantal dagen naar huis is gestuurd, of niet mocht komen. [jeugdzorginstelling] geeft aan dat [minderjarige 2] meer nodig heeft. Gedacht wordt aan intensieve dagbehandeling, bijvoorbeeld op [accommodatie] , waarbij wordt onderzocht

waar het gedrag van [minderjarige 2] vandaan komt/hoe dit verklaard kan worden.

Met betrekking tot [minderjarige 1] zijn er ook zorgen. Zij is vaak ofwel te laat op school of zij komt precies op het aanvangstijdstip binnen, wanneer de klas al klaar zit. Zij heeft dan wel voldoende eten en drinken bij zich, maar zij draagt geen fijne lichaamsgeur met zich mee. [minderjarige 1] loopt momenteel op krukken wegens een mogelijke breuk in haar voet/enkel. Zij mag op school daarom met de lift. De school merkt dat, wanneer de moeder het thuis niet georganiseerd krijgt, zij haar emoties op [minderjarige 1] projecteert en zij die onrust/emoties naar school meeneemt. Ook komt zij in het contact niet altijd energiek maar juist zwaarmoedig over. Verder zijn haar werktempo en concentratie laag. De school heeft tevens aangegeven dat er mogelijk iets heeft gespeeld tussen een voormalige oppas en [minderjarige 1] . De ouders hebben daarover aangegeven dat zij uit een gesprek dat de oppas met Veilig Thuis heeft gehad hebben opgemaakt dat deze oppas [minderjarige 1] heeft gekust en dat zij verplicht moesten knuffelen. Zij weten niet wat er zich exact in het hoofd van [minderjarige 1] afspeelt en wat zij daadwerkelijk heeft meegemaakt. De betreffende persoon is een keer langs school gereden. Gebleken is dat [minderjarige 1] in paniek raakte toen zij deze persoon zag. Daarom is de afspraak gemaakt dat de hekken van de school dicht gaan. De ouders vermoeden dat [minderjarige 1] nog altijd last heeft van de situatie rondom de oppas. De school zou het [minderjarige 1] gunnen dat zij leert dat haar emoties er mogen zijn, welke emoties er zijn en hoe zij daarmee om dient te gaan en zij deze een plekje kan geven. De school heeft de indruk dat de moeder daarvoor momenteel onvoldoende ruimte heeft en daarom specialistische hulp nodig is. Ook denkt de school dat het helpend is dat er meer zicht komt op de gezinsdynamiek, waardoor er meer rust, reinheid en regelmaat kan ontstaan.

Sinds 2017 is er hulpverlening betrokken voor de kinderen. Vanaf 2021 wordt er intensieve hulpverlening in de thuissituatie geboden door SDW. Daarvóór is intensieve ambulante begeleiding geboden door [hulpverlening 2] , respectievelijk [ggz-instelling 1] . Ook is de samenwerking gezocht met WMO en daarna met [ggz-instelling 2] . De betrokken hulpverlening stelt vast dat het de ouders onvoldoende lukt om in het kader van ‘goed genoeg ouderschap’ de kinderen voldoende structuur en veiligheid te bieden of om voldoende bij hun behoeften aan te sluiten. De kinderen gaan steeds mee naar het bedrijfspand van de ouders, waar zij een eigen ruimte hebben. De kinderen lijken daar veelal met hun beeldschermen bezig, terwijl er op die momenten onvoldoende aandacht is voor hen vanuit de ouders. Het lukt de ouders niet, ondanks de eerder en nog steeds ingezette hulpverlening, om verandering in de situatie te brengen. Dit blijkt ook uit meerdere meldingen bij Veilig Thuis gedurende de periode van 2016 tot en met 2025.

[hulpverlening 3] signaleert dat het gedrag van [minderjarige 2] bij momenten zo oploopt, dat het gezin in de overlevingsstand staat. Daarbij komt dat de vader grotendeels door de drukke werkzaamheden in het pakketpostbedrijf in beslag wordt genomen en de moeder er daardoor vaak alleen voor staat. Ook is gebleken dat de ouders zich terugtrekken zodra de hulpverlening te sturend wordt. Met de ouders is ook de mogelijkheid van een gezins-opname besproken, echter konden zij daar niet achter staan, omdat het dagelijks leven, waaronder hun werkzaamheden voor het eigen bedrijf ook gewoon door moest gaan. Tevens is geprobeerd een buddypleeggezin voor het gezin te vinden waar de kinderen heen zouden kunnen om de ouders structureel te ontlasten in de weekenden. Ook dit is niet gelukt omdat de ouders daar (uiteindelijk) niet achter konden staan en omdat afspraken aan de kant van de ouders en van het buddypleeggezin niet van de grond kwamen. Daarnaast is gekeken naar het project steunouders in [woonplaats] als mogelijke optie, echter bleken de ouders daar (alsnog) niet voor open te staan. Gezien wordt dat de moeder zelf graag de regie wil behouden, terwijl de vader voornamelijk druk is met de werkzaamheden van het pakketpostbedrijf en hij daardoor vaak niet bereikbaar of beschikbaar is voor gesprekken. Ook speelt mogelijk een rol dat de twee nu uitwonende kinderen van de moeder vroeger uit huis geplaatst zijn geweest en bij de moeder de angst leeft dat dit ook voor [minderjarige 2] zal gaan gelden.

De Raad acht een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar in het belang van de kinderen een passende termijn. Dit omdat er al langere tijd sprake is van onrust

en spanningen en de problematiekcomplexiteit. Het zal tijd kosten om hier een structurele verandering in aan te brengen, onder meer omdat er nog een aanmelding moet plaatsvinden voor [minderjarige 2] voor diagnostiek, gevolgd door de daadwerkelijke uitvoering van het/de onderzoek(en)/behandeling, de vertaling van dit alles naar het gezinssysteem, de borging ervan en eventuele nazorg. Daarnaast dient er onderzoek plaats te vinden naar de ontwikkeling van [minderjarige 1] , die het nodige mee lijkt mee te krijgen van [minderjarige 2] ’s problematiek. Ook dit vraagt tijd en inzet van de hulpverlening. Daarbij gelden er voor de beoogde hulpverlening wachtlijsten en maakt dit dat er daarover vanuit het gedwongen kader monitoring dient te zijn. Bovendien is de kans aanwezig dat door de ouders en/of de kinderen de medewerking aan de hulpverlening tussentijds wordt beëindigd of daar niet tijdig bij wordt aangehaakt. Ook zal het naar verwachting langere tijd vergen, voordat een eerste positief resultaat zichtbaar wordt.

Van belang is dat wordt onderzocht wat de ouders en wat beide kinderen aan (individuele) hulp en ondersteuning nodig hebben en dat de GI samen met de ouders een gedegen plan opstelt met daarin duidelijke kaders en regels. Daartoe dient in het kader van de ondertoezichtstelling volgens de Raad te worden gewerkt aan de navolgende doelstellingen:

- er is middels brede diagnostiek, zicht op [minderjarige 2] ’s gehele

persoonlijkheidsontwikkeling; te denken valt aan het onderzoeken van

gehechtheids- en gewetensontwikkeling, mogelijk onverwerkt trauma, alsmede

mogelijke kindeigenproblematiek en sociale vaardigheden; ook kan gedacht

worden aan een uitgebreide verklarende analyse, waarin de voorgeschiedenis

van [minderjarige 2] (vanaf conceptie tot heden) goed geanalyseerd wordt;

- bekend is of er sprake is van een diagnose/trauma’s uit het verleden

bij [minderjarige 1] ; zij krijgt hiervoor hulpverlening waar dit nodig wordt geacht;

- onderzocht is of de ouders en (een van) de kinderen gebaat (is) zijn bij de inzet

van een (buddy)pleeggezin, zodat de ouders (bijvoorbeeld in de weekenden)

ontzorgd worden in de zorg voor de kinderen.

5. Het standpunt van de moeder

De moeder heeft naar voren gebracht dat zij en de vader inderdaad een goed lopend pakketpostbedrijf hebben en dat zij daardoor veel aan het werk zijn. Dit betekent echter niet dat er geen aandacht en zorg is voor de kinderen. Zo is er voor hen in de loods van het bedrijf voor hen een eigen plekje ingericht. Wel brengt de situatie met zich dat zij daar soms langere tijd zijn. Al geruime tijd geleden heeft zij aandacht gevraagd bij hulpverlenende instanties voor [minderjarige 2] ’s ontwikkeling. Hij gaat nu niet naar school. Hij brengt zijn tijd voornamelijk door met televisie kijken en met gamen. Hij gaat nog wel, zij het minder vaak, naar de zorgboerderij van [jeugdzorginstelling] . Zij ziet dat [minderjarige 2] kampt met een ontwikkelings- en leerachterstand, waaronder op het vlak van lezen en schrijven. Zo kan hij nauwelijks schrijven. Ook maakt zij zich zorgen over dromen die hij regelmatig heeft en waarover hij vertelt over zijn overleden opa en oma. Waar het [minderjarige 1] betreft zien haar zorgen in de eerste plaats op angst- en paniekreacties die zij in relatie tot de voormalige oppas laat zien. Naar deze persoon is indertijd geen politieonderzoek gedaan. Wel is haar gebleken dat hij nog steeds actief is. Een bijkomende zorg die zij ziet is dat [minderjarige 1] problemen heeft met haar enkel. Onduidelijk blijft wat daaraan exact onderliggend is, temeer nu [minderjarige 1] laat blijken dat zij daar nog steeds last van heeft, terwijl er volgens haar behandelend arts alleen van restpijn sprake kan zijn. Waar het de hygiëne en uiterlijke verzorging van [minderjarige 1] betreft herkent de moeder zich niet in wat daarover in de raadsrapportage is opgenomen. Ten slotte is door de moeder opgemerkt dat, hoewel de gedachte aan verplichte hulpverlening voor haar niet fijn voelt, zij met de vader daar in het belang van de kinderen wel achter kan staan als de verzochte beschermingsmaatregel voor hen helpend is.

6. Het standpunt van de GI

Namens de GI is opgemerkt dat zij zich kan vinden in de inhoud van de onderzoeks-rapportage van de Raad en dat zij het in het belang van de kinderen acht dat er een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken voor de duur van een jaar, als verzocht. In het geval dat door de kinderrechter overeenkomstig wordt beslist verklaart de GI zich bereid om de uitvoering van de ondertoezichtstelling op zich te nemen. Naar verwachting zal er niet per direct maar wel binnen afzienbare tijd voor de uitvoering van de maatregel een jeugdbeschermer beschikbaar zijn. Er zal daarom voorlopig een contactpersoon aan de zaak worden gekoppeld, tot wie de ouders zich met hun vragen kunnen wenden tot het moment waarop de vaste jeugdbeschermer zal starten.

7. De beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een

ondertoezichtstelling is voldaan. Hij legt hieronder uit waarom.

De kinderen groeien in de zorg- en opvoedsituatie bij de ouders op met veel onrust, stress en spanningen wegens de werkzaamheden van beide ouders bij een van de drukste pakketpostbedrijven in de regio. Ondanks dat de ouders liefdevol betrokken zijn en het beste willen voor hun kinderen slagen zij er niet in om voor hen voldoende (emotioneel) beschikbaar te zijn en weten zij niet, of althans onvoldoende, aan te sluiten bij hun behoeften aan onder meer structuur en veiligheid. Er worden bij beide kinderen gedrags- en ontwikkelingsproblemen gesignaleerd, vooral bij [minderjarige 2] . Ook dit vraagt qua zorg- en opvoedaanpak van de ouders meer dan zij momenteel kunnen bieden.

Bij [minderjarige 1] wordt gezien dat zij moeite heeft met op tijd op school verschijnen en met haar concentratie en werktempo. Ook heeft de school gesignaleerd dat zij op hygiënisch vlak vaak een onverzorgde indruk maakt en zij soms onrustige emoties laat zien. Zij kampt tevens met angsten en paniekreacties naar aanleiding van ervaringen in het verleden met een voormalige oppas, die na grensoverschrijdend gedrag richting haar een keer langs haar school is gereden. Daarnaast zijn er zorgen over problemen die [minderjarige 1] heeft met haar enkel, met name nu door haar behandelend arts niet wordt uitgesloten dat aan haar klachten een psychische oorzaak (deels) onderliggend is.

Wat [minderjarige 2] betreft geldt dat hij niet naar school gaat en hij geen vaste dagstructuur heeft. Gebleken is dat hij ten minste een ontwikkelings- c.q. leerachterstand heeft ten aanzien van lezen en schrijven. Hij bepaalt zelf hoe hij zijn tijd doorbrengt. Dit gebeurt vooral met televisie kijken en gamen. Ook kan hij zowel verbaal als fysiek fel en agressief reageren op opmerkingen van anderen, wanneer hij het daar niet mee eens is. Het lukt de ouders niet om hem in zijn gedrag voldoende te begrenzen. Er is hulp en ondersteuning ingezet vanuit [begeleiding] en [jeugdzorginstelling] , maar die is (tot nu toe) onvoldoende effectief gebleken.

Sinds 2017 zijn er meerdere hulpverlenende instanties bij de kinderen en de ouders betrokken (geweest), zoals SDW, [hulpverlening 2] , [ggz-instelling 1] , [ggz-instelling 2] en [hulpverlening 3] . Al deze hulpverlening heeft niet het beoogde effect gehad, naar wordt aangenomen deels wegens onvoldoende bereik- en beschikbaarheid van de ouders wegens hun drukke werkzaamheden en deels ook omdat zij de regievoering liefst in eigen hand willen houden. Ook konden er daardoor geen andere vormen van hulp en ondersteuning, zoals een gezinsopname, een buddypleeggezin of het project steunouders worden ingezet of worden onderzocht. De ouders erkennen dat externe hulpverlening nodig en ook noodzakelijk is. In de loop der jaren is echter gebleken dat de hulpverlening in het vrijwillig kader niet voldoende is gebleken. Het is dan ook hoog tijd dat een derde, als regiehouder, wordt ingezet om de hulpverlening te inventariseren en die in goede banen te leiden. Hiermee zijn de belangen van de kinderen het beste gediend.

Met inachtneming van het voorgaande zal de kinderrechter de kinderen onder toezicht stellen voor de duur van een jaar.

Ten aanzien van [minderjarige 1] geldt dat onderzocht moet gaan worden of/in hoeverre zij kampt met onverwerkte trauma’s. Bij [minderjarige 2] wordt diagnostisch onderzoek nodig geacht om te kunnen beoordelen welke vorm van behandeling hij nodig heeft om zich adequaat te kunnen ontwikkelen en welke vorm van onderwijs/dagbesteding voor hem het meest passend is. Vervolgens dient, zodra de onderzoeksresultaten voorhanden zijn, in kaart te worden gebracht op welke wijze er voor beide kinderen hulpverlening, ondersteuning, (individuele) behandeling en nazorg systemisch in het gezin kan worden ingezet. Daarnaast dient er gezocht te blijven worden naar (andere) mogelijkheden om de ouders met name in de weekenden te ontlasten. Voor dit alles wordt ook verwezen naar de door de Raad genoemde doelen, zoals onder 4.7. is beschreven.

De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

8. De beslissing

De kinderrechter:

stelt de kinderen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van William Schrikker Stichting

Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 22 april 2026 tot 22 april 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 7 mei 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand