RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/445987 / JE RK 26-430
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van 3 maart 2026, ontvangen op 10 maart 2026;
- de doorverwijzingsbeschikking van de rechtbank Rotterdam, ontvangen op 11 maart 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een tweetal vertegenwoordigsters van de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 31 oktober 2023 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 31 oktober 2023 en tot 31 oktober 2024. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 30 april 2026.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 9 december 2025 is een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 9 december 2025 en tot 30 april 2026.
[minderjarige] verblijft op grond van de laatstgenoemde machtiging in een (netwerk)pleeggezin.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt tot slot de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI handhaaft het verzoek en licht, aanvullend op de overgelegde stukken, toe dat er momenteel een ander pleeggezin wordt gezocht voor [minderjarige] , waarbij een pleeggezin in [plaats] de voorkeur heeft, gelet op de school en therapie. Eind april hoopt de GI meer te weten. Daarnaast licht de GI toe dat de uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [minderjarige] kan worden besproken. Het is daarbij van belang dat er meer structuur komt. De speltherapie van [minderjarige] gaat redelijk. Zij heeft momenteel wel last van een loyaliteitsconflict, omdat ze merkt dat de moeder en de opa en oma geen goede verstandhouding hebben met elkaar. Hopelijk wordt dit beter als [minderjarige] naar een ander pleeggezin gaat. De ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing moeten voor een jaar worden verlengd.
De moeder verklaart ter gelegenheid van de mondelinge behandeling dat zij de ondertoezichtstelling begrijpt, maar wel moeite heeft met de huidige plaatsing van [minderjarige] in het pleeggezin van de opa en oma van het halfbroertje van [minderjarige] . De moeder maakt zich namelijk zorgen over onder andere de verwijten die zij over de moeder uiten. De GI heeft beloofd dat zij een ander pleeggezin zal zoeken voor [minderjarige] , maar dit is tot op heden nog niet gebeurd. Ook vertelt de moeder dat zij graag [minderjarige] vaker wil zien. De moeder snapt wel dat [minderjarige] nog niet terug naar huis kan komen, ondanks dat ze er niet blij mee is.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond als bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is op grond van de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De kinderrechter stelt allereerst vast dat [minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] heeft een zeer belast verleden, mede gelet op het zijn van een getuige van verkrachtingen van de moeder en conflicten tussen de ouders. Daarnaast zijn er al langere tijd zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder, alsmede over de basale veiligheid en verzorging van [minderjarige] . De moeder is ernstig overbelast geraakt en kampt met een depressie, hetgeen maakt dat zij niet in staat is om het huishouden te doen en [minderjarige] de basale verzorging te bieden die zij behoeft. Zo verkeerde de woning van de moeder in een zeer ernstige staat van vervuiling. Ook gaf de moeder aan niet meer voor [minderjarige] te kunnen zorgen. [minderjarige] heeft meermaals aangegeven dat de moeder haar slaat en tegen haar schreeuwt. Tevens heeft [minderjarige] veel voor haar halfbroertje gezorgd, is ze regelmatig alleen thuis gelaten door de moeder en is de leerplichtambtenaar betrokken geraakt omdat [minderjarige] vaak werd ziekgemeld van school. Voornoemde zorgen blijven bestaan, ondanks de inzet van hulpverlening in de thuissituatie van de moeder. Het is de kinderrechter voorts gebleken dat de moeder ambivalent is ten aanzien van de inzet van de hulpverlening. Het lukt haar ook niet om de hulpverlening volledig te benutten en de ontwikkelingsbedreiging binnen een vrijwillig kader te doen wegnemen. De betrokkenheid van de GI is de komende periode nog noodzakelijk, zodat onder regie van de GI zicht kan worden verkregen op het perspectief van [minderjarige] . Ook is het van belang dat er passende hulpverlening wordt ingezet en dat de GI de voortgang hiervan monitort. Voorts is het van belang dat de GI onderzoekt of en op welke wijze de omgang tussen de moeder en [minderjarige] kan worden uitgebreid. Tot slot dient aandacht te zijn voor omgang tussen [minderjarige] en haar familie, meer specifiek haar halfbroertje.
De ondertoezichtstelling is, gelet op het voorgaande, nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de verzochte duur van een jaar.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin noodzakelijk. [minderjarige] behoeft een opvoedomgeving waarin zij veiligheid, voorspelbaarheid, rust en stabiliteit ervaart, alsmede waarin zij de kans krijgt om traumatische gebeurtenissen uit het verleden te verwerken. Het is de kinderrechter gebleken dat, hoewel de GI geen zorgen heeft omtrent de veiligheid van [minderjarige] in het huidige netwerkpleeggezin, dit pleeggezin geen perspectiefbiedende plek is. De moeder staat immers niet achter deze plaatsing en de pleegouders hebben aangegeven niet voor een langere tijd voor [minderjarige] te kunnen zorgen. Ook is het gebleken dat er sprake is van een slechte verstandhouding tussen de pleegouders en de moeder, hetgeen maakt dat [minderjarige] last heeft van loyaliteitsproblematiek. Het is van belang dat de GI de komende periode op zoek gaat naar een passend en toekomstbestendig pleeggezin, bij voorkeur in de regio [plaats] , zodat [minderjarige] niet (nogmaals) hoeft te veranderen van school en de speltherapie doorgang kan blijven vinden. Een thuisplaatsing bij de moeder is (nog) niet mogelijk, aangezien de moeder aangeeft niet aan de behoeften van [minderjarige] te kunnen voldoen en er nog altijd zorgen zijn over de thuissituatie van de moeder. De kinderrechter verwacht van de moeder dat zij de komende periode met zichzelf aan de slag gaat, om te bezien welke rol de moeder zal kunnen blijven innemen in het leven van [minderjarige] . Het is immers van belang dat de GI binnenkort perspectief gaat bepalen. Gelet hierop zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verlengen voor de verzochte periode van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 30 april 2026 en tot 30 april 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 30 april 2026 en tot 30 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer, griffier, en op schrift gesteld op 11 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.