RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Middelburg
Zaaknummer: C/02/446412 / JE RK 26-506
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND, gevestigd te Middelburg,
hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2017 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. I.H.T.J. Anthonise-Gieling uit Goes.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de pleegzorgmedewerker] ( [jeugdzorg] ),
hierna te noemen: de pleegzorgmedewerker.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026.
het bericht van de advocaat met bijlagen, ontvangen op 16 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI;
de pleegzorgmedewerker.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een brief gestuurd naar de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft geschreven. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 9 mei 2022 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 9 mei 2022 en tot 9 mei 2023. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 9 mei 2026.
Bij beschikking van 5 juli 2024 is een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een netwerkpleeggezin, te weten de grootouders moederszijde of pleegzorg, verleend met ingang van 5 juli 2024 en tot 19 juli 2024. Deze maatregel is daarna verlengd tot 19 oktober 2024.
Bij beschikking van 15 oktober 2024 is de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd met ingang van 19 oktober 2024 en tot 19 januari 2025. Deze maatregel is daarna steeds verlengd, laatstelijk tot 9 mei 2026.
[minderjarige] verblijft op grond van voornoemde machtiging in een pleeggezin.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden. Ook verzoekt de GI een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
[minderjarige] geeft in haar brief aan de kinderrechter aan dat ze het fijn vindt bij zowel de moeder als bij [de pleegmoeder] (de pleegmoeder). Soms vindt ze het ingewikkeld bij de moeder thuis. Als de moeder slaapt is ze bang dat de moeder niet wakker wordt. Graag zou ze de ene week bij de moeder zijn en de andere week bij [de pleegmoeder] .
De GI handhaaft de verzoeken en verwijst ter onderbouwing van de verzoeken naar het verzoekschrift van 17 april 2026. De laatste weken zijn er vanuit de moeder en vanuit [minderjarige] zorgen naar voren gekomen. [minderjarige] spreekt uit angstig te zijn bij de moeder thuis. De moeder heeft zich daarnaast de laatste weken onvoldoende meewerkend opgesteld door niet aanwezig te zijn bij de belangrijke overleggen over [minderjarige] . De GI ziet een patroon waarbij het drie tot vier maanden goed gaat, er vervolgens een stap in de uitbreiding wordt gezet, waarna er opnieuw zorgen ontstaan. Over deze zorgen wordt door de moeder onvoldoende openheid gegeven waardoor er geen (tijdige) hulp kan worden ingeschakeld. Het doel is om binnen zes maanden een opvoedvisie op te stellen. Er moet in kaart worden gebracht wat het hoogst haalbare contact met de moeder is en wat de exacte zorgen zijn. De GI wil samen met de moeder kijken welke stappen gezet moeten worden. De GI ziet dat de moeder graag wil, maar het is belangrijk dat de moeder goed haar eigen grenzen aangeeft.
Door en namens de moeder wordt aangegeven dat de moeder achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling staat. Tegen het verzoek van de machtiging tot uithuisplaatsing van zes maanden wordt verweer gevoerd. De moeder staat ervoor open dat [de pleegmoeder] in het leven blijft van [minderjarige] . Hier wil de moeder ook in het vrijwilliger kader aan meewerken. Daarom acht de moeder een uithuisplaatsing van drie maanden voldoende. Verder geeft de moeder aan dat het vanwege drukte haar niet altijd lukt om bij de overleggen over [minderjarige] te zijn. De behandeling van de moeder bij [stichting] is inmiddels afgerond. Momenteel volgt ze psychomotorische therapie (PMT). De moeder voelt dat ze onder een vergrootglas staat en dat ze niet serieus wordt genomen. De moeder maakt zich daarnaast zorgen over [minderjarige] . Het wordt [minderjarige] soms te veel, ze wil het bij iedereen goed doen en is bang dat ze verkeerde dingen zegt. Dit heeft invloed op haar gedrag. Het is voor [minderjarige] belangrijk dat alle betrokken partijen dezelfde boodschap uitdragen.
De pleegzorgmedewerker geeft aan dat [de pleegmoeder] zich zorgen maakt over de thuisplaatsing bij de moeder. [de pleegmoeder] heeft de wens dat het veilig wordt voor zowel [minderjarige] als de moeder. Uiteindelijk is het doel dat [minderjarige] terug bij de moeder gaat wonen. De pleegzorgmedewerker ziet dat het bij de moeder met pieken en dalen gaat, hetgeen impact heeft op [minderjarige] . [minderjarige] ervaart onveiligheid en heeft zichzelf aangeleerd om op zulke momenten hulp te zoeken. Dit is zorgelijk. Wel is [minderjarige] gegroeid in vertellen wat er op haar hart ligt. Het is belangrijk dat de moeder goed communiceert en transparant is met de GI, zodat er tijdig hulp ingezet kan worden. Bij de moeder wordt gemist dat ze denkt aan haar eigen oplaadmoment. Het is veel voor de moeder en het is belangrijk dat ze aangeeft wanneer het haar even niet lukt. Daar komt veel onveiligheid vandaan.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
Uit de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt. Het goed met haar in het pleeggezin en ook haar moeder ziet ze graag. De moeder heeft haar therapie bij [stichting] afgerond en is inmiddels gestart met PMT. De ontwikkeling van [minderjarige] wordt echter nog steeds ernstig bedreigd, omdat er signalen zijn van onveiligheid in de thuissituatie bij de moeder. [minderjarige] heeft aan de GI aangegeven met momenten angstig te zijn in de thuissituatie bij de moeder. Zo zou de moeder veel slapen en is [minderjarige] bang dat ze niet tijdig op school komt. Daarnaast vreest [minderjarige] dat de moeder weer drinkt. Ook zijn er zorgen vanuit school, doordat er bij [minderjarige] sprake is van ontbrekende concentratie. Op dit moment is de samenwerking tussen de GI en de moeder tot een impasse gekomen. Hierdoor kunnen belangrijke zaken rondom [minderjarige] niet worden afgestemd. Dat is zorgelijk. Het is in het belang van [minderjarige] nodig dat moeder in gesprek komt met de GI en dat er wederzijds vertrouwen ontstaat. De kinderrechter ziet daarnaast dat de moeder moeite heeft met het aangeven van grenzen. Hierdoor raakt ze snel overvraagt. Het is belangrijk dat de moeder leert om hulp te vragen als dat nodig is. In de komende maanden moet gewerkt worden aan het creëren van een stabiele thuissituatie bij de moeder. Mogelijk kan systematische of andere hulpverlening in de thuissituatie hier een rol in spelen. Ook moet worden onderzocht welke contactregeling het beste past bij zowel [minderjarige] als de moeder.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de moeder in onvoldoende mate de hulpverlening aanvaard. Hoewel de moeder open staat voor hulpverlening voor haarzelf en voor [minderjarige] , is het voor de moeder moeilijk om aan te geven wanneer extra hulp in de thuissituatie nodig is. Daarnaast verloopt de samenwerking tussen de moeder en de GI moeizaam, waardoor zaken rondom [minderjarige] niet goed met de moeder kunnen worden afgestemd. Bovendien heeft de GI door een gebrek aan transparantie vanuit de moeder niet de exacte zorgen in beeld. Het is daarom nodig dat de GI de komende periode de regie blijft voeren en dat hulp in het gedwongen kader betrokken blijft.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van negen maanden.
Ook is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [minderjarige] verblijft sinds 2024 in een pleeggezin. De afgelopen weken zijn er signalen van onveiligheid in de thuissituatie van de moeder naar voren gekomen. De veiligheid van opvoedsituatie bij de moeder is wisselvallig. De opvoedsituatie bij de moeder is vaak een aantal maanden stabiel, waarna de omgangsmomenten met [minderjarige] wordt uitgebreid. Na uitbreiding worden telkens opnieuw zorgen gesignaleerd. De moeder trekt zich op dat moment terug in de samenwerking met de GI. [minderjarige] geeft aan dat ze graag bij haar moeder is, maar ze wil dit niet de gehele week. De GI geeft bovendien aan dat de thuissituatie niet stabiel genoeg is om tot een volledige terugthuisplaatsing over te gaan. Gelet op het voorgaande oordeelt de kinderrechter dat de machtiging tot uithuisplaatsing gecontinueerd moet worden. In de komende periode moet gekeken worden wat de beste oplossing is voor [minderjarige] . Daarvoor is een periode van drie maanden niet voldoende, zodat de machtiging wordt verleend voor zes maanden. De machtiging uithuisplaatsing betekent echter niet dat [minderjarige] de komende periode niet bij de moeder mag zijn. Het is belangrijk dat de moeder op momenten dat zij met [minderjarige] is, volledig beschikbaar is voor haar.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 9 februari 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening van pleegzorg tot 9 november 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Verschoor-Bergsma, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Den Boer als griffier, en op schrift gesteld op 6 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.