RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/435737 / FA RK 25-2645
datum uitspraak: 22 april 2026
nadere beschikking over wijziging hoofdverblijf, zorgregeling en kinderalimentatie
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. S. van Reeven-Özer in Waalwijk,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. L.E. Vries in Amsterdam,
over de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008, hierna: [minderjarige 1] ,
- [minderjarige 2], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010, hierna: [minderjarige 2] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het verdere procesverloop
In het dossier zitten de volgende stukken:
- de beschikking van deze rechtbank van 27 juni 2025 en het daarin genoemde stuk;
- het vonnis in kort geding van deze rechtbank van 27 juni 2025;
- het op 10 november 2025 ontvangen gewijzigde verzoekschrift van de vrouw, met bijlagen;
- het op 10 maart 2026 ontvangen verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de man, met bijlagen;
- de brieven van mr. Van Reeven-Öcer van 20 augustus 2025 en 13 maart 2026 met bijlagen;
- de brieven van mr. Vries van 21 augustus 2025, 20 oktober 2025 en 18 maart 2026 met bijlage.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 24 maart 2026. Bij die behandeling zijn gekomen partijen, met hun advocaten. Ook was een vertegenwoordigster aanwezig namens de Raad.
De rechter heeft op 13 maart 2026 met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken over de verzoeken.
2. De verzoeken
De vrouw verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- wijziging van de in de beschikkingen van deze rechtbank van 18 oktober 2022 en
15 augustus 2023 opgenomen zorgregeling en te bepalen dat:
- het hoofdverblijf van [minderjarige 1] voortaan bij de man zal zijn;
- de zorgregeling tussen de man en [minderjarige 2] wordt beëindigd;
- een zorgregeling zal gelden tussen haar en [minderjarige 1] , waarbij [minderjarige 1] ieder weekend van vrijdag tot zondag bij haar verblijft en tijdens de helft van de vakanties en feestdagen, waarbij de vrouw [minderjarige 1] ophaalt bij de man en de man [minderjarige 1] ophaalt bij haar;
- wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2023 en te bepalen dat:
- de door de man aan haar te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] met ingang van 1 juli 2025 nader wordt vastgesteld op € 432,= per maand;
- de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] nader wordt vastgesteld op nihil;
- de door haar aan de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] nader wordt vastgesteld op € 75,= per maand.
De man verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad:
- wijziging van de beschikkingen van deze rechtbank van 18 oktober 2022 en
15 augustus 2023 ten aanzien van de zorgregeling en te bepalen dat:
- [minderjarige 2] en [minderjarige 1] om de week (in de oneven weken) op zondag van 11.00 uur tot 20.30 uur bij hem verblijven, waarbij het halen en brengen tussen partijen bij helfte wordt verdeeld en verdeling van de vakanties en feestdagen in onderling overleg tussen partijen bij helfte, waarbij de afspraken tussen partijen zoals deze in 2022 zijn gemaakt onder begeleiding van [persoon 1] en zijn vastgelegd in de beschikking van de rechtbank van 15 augustus 2023 als uitgangspunt gelden;
- wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 12 april 2023 ten aanzien van de kinderalimentatie en te bepalen dat:
- de door hem te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] voor de periode van 1 juni 2025 tot en met 31 december 2025 nader wordt vastgesteld op nihil;
- de vrouw voor de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 een onderhoudsbijdrage voor [minderjarige 1] moet voldoen aan hem van € 361,= per maand;
- de door hem aan de vrouw te betalen bijdragen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 227,= per kind per maand.
3. De verdere beoordeling
Achtergrond
Partijen zijn op 7 januari 2021 gescheiden. In het ouderschapsplan van 14 december 2020 zijn partijen overeengekomen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hun hoofdverblijf bij de vrouw hebben en is een co-ouderschapsregeling afgesproken. Bij beschikking van deze rechtbank van 18 oktober 2022 is de co-ouderschapsregeling gewijzigd in een zorgregeling van eens per twee weken (in de oneven weken) van vrijdag uit school tot maandagochtend naar school. Ook zijn partijen toen, in afwachting van de hulpverlening in het kader van het Uniform Hulpaanbod, in gesprek met elkaar gegaan met behulp van mevrouw [persoon 1] . Onder begeleiding van mevrouw [persoon 1] hebben partijen overeenstemming bereikt over de verdeling van de vakanties en feestdagen. Dit is in de beschikking van 15 augustus 2023 vastgelegd. Daarna heeft de voorzieningenrechter in het vonnis in kort geding van 11 april 2025 de weekendregeling voor zes maanden opgeschort en is een voorlopige zorgregeling bepaald tussen de man en de kinderen op een aantal zondagen zoals genoemd in het vonnis. Partijen waren toen aangemeld voor hulpverlening, omdat er sprake was van spanningen tussen partijen en tussen de man en de kinderen.
Vervolgens zijn op 17 juni 2025 tegelijk behandeld op zitting het door de man aangespannen kort geding over nakoming van de voorlopige zorgregeling en het door de vrouw in deze procedure ingediende verzoekschrift. Tijdens de zitting hebben partijen toen de volgende afspraken gemaakt:
De vrouw heeft aangegeven dat er aan haar zijde sprake is van overbelasting. Partijen zijn overeengekomen dat [minderjarige 2] voor de duur van twee weken bij oma (vaderszijde) gaat verblijven. De moeder zal in overleg met de ambulant begeleider van [jeugdzorginstelling] in overleg treden hoe zij dit aan [minderjarige 2] zal vertellen.
Gedurende de 2 weken dat [minderjarige 2] bij oma verblijft, zal er samen met [jeugdzorginstelling] en het CJG worden bepaald wat de vervolgstappen zijn. Hierin worden ook de uitkomsten van het breed onderzoek van [minderjarige 2] meegenomen. In het geplande MDO worden hier verdere afspraken over gemaakt.
De man zal zorgen dat [minderjarige 1] , die sinds kort bij de man woont, op zijn adres wordt ingeschreven. Mocht hiervoor toestemming van de vrouw benodigd zijn, dan zal zij die verlenen.
De vrouw maakt per 1 juli de kinderbijslag voor [minderjarige 1] over op de bankrekening van [minderjarige 1] . De man zal daarbij de (verblijfsoverstijgende) kosten voor [minderjarige 1] overnemen
De vrouw heeft aangegeven dat zij zal meewerken aan het inschrijven van [minderjarige 1] op een school in de buurt van de man.
De man maakt voor de maand juni de kinderalimentatie van [minderjarige 2] over aan de vrouw. De vrouw zal, voor de periode dat [minderjarige 2] bij zijn oma verblijft, die kinderalimentatie naar rato overmaken naar oma vaderszijde.
Partijen zullen met elkaar in de komende periode, met behulp van hun advocaten, om de tafel gaan met als doel het maken van concrete afspraken voor de toekomst.
Deze afspraken zijn opgenomen in de tussenbeschikking van 27 juni 2025. Het verzoek van de vrouw is aangehouden, in afwachting van bericht van de advocaten van partijen over het resultaat van het overleg.
Uit de stukken blijkt dat [minderjarige 1] op 3 december 2025 weer is (terug)ingeschreven op het adres van de vrouw.
Wijziging hoofdverblijf en zorgregeling
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing.
Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Standpunt vrouw
De vrouw stelt tijdens de zitting het volgende. Er zijn veel veranderingen geweest. Nadat [minderjarige 2] vorig jaar twee weken bij oma heeft verbleven, verloopt het sindsdien rustig bij haar thuis. Er is geen contact tussen de man en [minderjarige 2] . Partijen hebben allebei een andere lezing over waarom beide kinderen niet naar de man gaan. De vrouw vermoedt dat de kinderen zich achtergesteld voelen ten opzichte van hun jongere zusje in de thuissituatie bij de man. Ook met zijn huidige echtgenote verliep het contact niet altijd goed. Hierdoor lijkt bij de jongens toch schade te zijn ontstaan. De man wilde [minderjarige 2] vaak niet hebben en dan moest [minderjarige 2] naar oma toe. [minderjarige 2] heeft zich vaak afgewezen gevoeld door de man. Hij is ook erg gesloten geraakt. [minderjarige 2] wordt straks 16 jaar en het lukt de vrouw niet meer om hem te verplichten om naar de man toe te gaan. Wel geeft ze richting de kinderen aan dat het hun vrij staat om contact te hebben met de man. In de afgelopen elf maanden is er alleen in januari 2026 één contactmoment geweest tussen de man en [minderjarige 2] . De combinatie van de volledige zorg voor de twee jongens en haar werk is voor de vrouw zwaar, dus voor haar draaglast zou het juist ook fijn zijn als er contact is tussen de man en de kinderen. Via het CJG ontvangt zij systeemtherapie voor haar en de kinderen. De therapeut voert gezamenlijke en individuele gesprekken met haar en de jongens.
Over haar verzoeken geeft de vrouw het volgende aan. [minderjarige 1] wordt op 6 april 2026 18 jaar. In de periode juli 2025 tot begin december 2025 heeft [minderjarige 1] bij de man gewoond. Inmiddels woont [minderjarige 1] weer bij haar. Haar eerdere verzoeken over het hoofdverblijf en de zorgregeling ten aanzien van [minderjarige 1] trekt zij dan ook in. Ten aanzien van [minderjarige 2] kan zij op dit moment geen concrete zorgregeling verzoeken. Als [minderjarige 2] naar de man wil, kan hij gaan. De zorgregeling helemaal beëindigen wil de vrouw ook niet.
Standpunt man
De man wil graag dat er een zorgregeling wordt vastgelegd voor hem en [minderjarige 2] . Hij begrijpt dat [minderjarige 2] inmiddels een leeftijd heeft bereikt waarop hij ook eigen dingen heeft en als hij een keer niet wil komen of bijvoorbeeld moet werken is dat ook prima. De man denkt dat het vastleggen van een basisregeling ook een hulpmiddel voor de vrouw kan zijn. Zodat zij richting [minderjarige 2] kan aangeven dat dit de afspraak is. De man begrijpt niet waarom de kinderen niet meer komen. Hij appt ze regelmatig, ook met de vraag of ze willen komen, maar dan willen ze niet. Hij krijgt geen uitleg van de kinderen over waarom ze niet meer willen komen. Het is voor hem pijnlijk om te horen dat de kinderen zich afgewezen voelen. Hij heeft telkens in de procedures aangegeven dat hij contact wil en om hulp daarbij gevraagd. Hij zou ook graag betrokken worden bij de systeemtherapie, maar hij hoort niks van de hulpverlening. In het verleden heeft de vrouw moeite gehad met het contact tussen hem en de kinderen en de man heeft de indruk dat de vrouw geen emotionele toestemming geeft aan de kinderen om contact met hem te hebben, waardoor ze dit misschien niet durven.
Gesprekken [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Tijdens het gesprek met de rechter heeft [minderjarige 1] kort samengevat aangegeven dat hij geen contact heeft met zijn vader. Een paar maanden geleden heeft hij zijn vader voor het laatst gezien, toen hij spullen van hem kwam brengen. Het gaat beter nu. Thuis gaat het prima. Hij is gewend om geen contact met zijn vader te hebben. Dat was eerder ook zo. Hij heeft er ook geen behoefte aan.
[minderjarige 2] geeft aan dat het goed met hem gaat. Hij heeft de laatste tijd geen contact met zijn vader. Als zijn vader een berichtje stuurt, reageert hij wel. Zoals het nu gaat, vindt [minderjarige 2] het goed. Bij zijn vader heeft hij geen vrienden, die wonen in de buurt van zijn moeder. Hij wil op zich wel naar zijn vader toe kunnen, bijvoorbeeld als hij hem appt dat hij wil komen in het weekend, dan wil hij het wel. Het liefst wil hij dat zijn keuze vrij is, dat hij zelf bepaalt wanneer hij naar zijn vader gaat en niet volgens een planning. Er is volgens [minderjarige 2] niet iets nodig of iets wat in de weg staat om naar zijn vader te gaan.
Standpunt Raad
De Raad geeft tijdens de zitting het volgende aan. De vraag is wat er van binnen speelt bij [minderjarige 2] . Die vraag hebben beide ouders. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] lijken de afgelopen jaren behoorlijk wat tikken te hebben gekregen. Dit is in hun binnenste gaan zitten. Waarschijnlijk is dit zowel aan de kant van de vrouw als de man gebeurd en zijn er aan de kinderen onbedoeld of ongewild toch bepaalde boodschappen gegeven. De Raad heeft de indruk, omdat de jongens niet echt kunnen aangeven waarom ze geen contact willen met de man, dat het mogelijk voor hun zelf ook niet duidelijk is. Gelet hierop denkt de Raad dat het vastleggen van een regeling niet gaat werken voor [minderjarige 2] . Dat dit teveel is voor [minderjarige 2] . De Raad adviseert om het initiatief voor contact vanuit [minderjarige 2] te laten komen en hem het gevoel te geven dat hij de regie heeft. Het zou wel goed zijn als de vrouw aan de kinderen kan uitdragen dat het belangrijk is dat er informatie over hun, bijvoorbeeld in het geval van belangrijke gebeurtenissen of ontwikkelingen, gedeeld kan worden met de man.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank wijst de ingetrokken verzoeken van de vrouw om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] te wijzigen naar de man en vaststelling van een zorgregeling tussen haar en [minderjarige 1] af. Omdat [minderjarige 1] 18 jaar is geworden kan de rechtbank ook geen beslissing meer nemen over een zorgregeling tussen hem en de man. De rechtbank wijst ook het verzoek van de man om een zorgregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige 1] af. Met betrekking tot de verzoeken van partijen over de zorgregeling tussen [minderjarige 2] en de man wordt als volgt overwogen.
Tijdens de zitting heeft de rechtbank uitvoerig gesproken met partijen en de Raad over de situatie. Al bijna een jaar vindt er geen contact plaats tussen de man en [minderjarige 2] . De vrouw vindt het in het belang van [minderjarige 2] dat er geen vaste regeling wordt vastgelegd, maar wel dat er contact kan plaatsvinden tussen de man en [minderjarige 2] als [minderjarige 2] dit aangeeft. De man vindt juist dat er als uitgangspunt een basisregeling moet worden vastgelegd. De regeling hoeft dan niet strikt te worden gehandhaafd. Hij denkt dat als er niets wordt vastgelegd er - zoals nu – niets gebeurt. De rechtbank heeft overwogen welk soort regeling weer zou kunnen leiden tot contact tussen de man en [minderjarige 2] . Zoals besproken tijdens de zitting kan niemand echt de vinger er op leggen waarom er geen contact is tussen de man en [minderjarige 2] . De rechtbank vindt het gelet op de leeftijd van [minderjarige 2] belangrijk dat naar zijn mening wordt geluisterd. [minderjarige 2] geeft aan dat hij op zich wel contact wil met de man, maar dat hij daarin vrij wil zijn en niet volgens een planning. Hier sluit de door de man verzochte vaste regeling niet op aan. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de man hier flexibel in wil zijn en ook tijdens de zitting aangeeft dat de regeling bijvoorbeeld ook op de zaterdag of een andere dag kan plaatsvinden, heeft de rechtbank de indruk dat het vastleggen van een vaste regeling [minderjarige 2] het gevoel kan geven dat hij alleen dan inpasbaar is in het leven van de man. Als dit het pijnpunt is, zou een vaste regeling juist averechts kunnen werken. De man heeft aangegeven dat [minderjarige 2] altijd welkom is. Door dit mee te geven aan [minderjarige 2] en vervolgens de regie voor het contact bij [minderjarige 2] te laten, verwacht de rechtbank dat het voor [minderjarige 2] op deze manier, en zonder druk, het gemakkelijkst wordt gemaakt om de stap te zetten naar contact. Ook sluit dit aan op de leeftijd van [minderjarige 2] , omdat er vanaf deze leeftijd steeds meer sprake zal zijn van gelijkwaardig contact tussen ouder en kind. De rechtbank volgt hiermee het advies van de Raad.
De rechtbank zal onderstaand in het dictum dan ook bepalen dat er contact kan plaatsvinden tussen de man en [minderjarige 2] , op initiatief en op aangeven van [minderjarige 2] . De rechtbank wijzigt hiermee de zorgregeling zoals opgenomen in de beschikking van 18 oktober 2022. Het meer of anders verzochte omtrent de zorgregeling van [minderjarige 2] wijst de rechtbank af.
De rechtbank gaat er vanuit dat partijen voor het contact tussen de man en [minderjarige 1] hetzelfde uitgangspunt zullen nemen als ten aanzien van [minderjarige 2] . De man is en blijft de vader van de jongens. Voor hun ontwikkeling kan het ook op een later moment nog van belang zijn dat er weer contact ontstaat met de man. De rechtbank hoopt ook dat de vrouw, zoals door de Raad is geadviseerd, de man wil informeren over het verloop van de systeemtherapie.
Wijziging kinderalimentatie
In de beschikking van de rechtbank van 12 april 2023 is de afspraak van partijen in het ouderschapsplan over de kinderalimentatie gewijzigd en is bepaald dat de man met ingang van 7 juli 2022 aan kinderalimentatie zal voldoen € 221,= per maand per kind.
Wijziging van omstandigheden
Tijdens de zitting zijn partijen het erover eens dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan en een herberekening van de kinderalimentatie gemaakt moet worden over twee perioden, zijnde de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 en de periode vanaf 1 januari 2026. Partijen zijn het er verder over eens dat in de eerste periode de door de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] op nihil kan worden gesteld en dat de bijdrage van de vrouw aan de man voor [minderjarige 1] en de (gewijzigde) bijdrage van de man aan de vrouw voor [minderjarige 2] berekend wordt. Vanaf 1 januari 2026 wordt uitgegaan van de situatie dat beide kinderen bij de vrouw wonen en wordt de (gewijzigde) bijdrage van de man aan de vrouw voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] berekend. Omdat [minderjarige 1] 6 april 2026 18 jaar wordt, zal vanaf deze datum de door de man te betalen bijdrage rechtstreeks aan [minderjarige 1] betaald moeten worden (artikel 1:395a BW). Partijen hebben hun verzoeken in zoverre aangepast.
Bij deze herberekening hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn opgenomen in de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie.
Onderhoudsplicht
De man is op 5 april 2022 getrouwd met mevrouw [persoon 2] , nader te noemen [persoon 2] . De man en [persoon 2] hebben op 2 augustus 2024 een dochter gekregen: [minderjarige 3] . [persoon 2] heeft met haar vorige echtgenoot de heer [persoon 3] een zoon gekregen: [minderjarige 4] , geboren op [geboortedag 3] 2012. [minderjarige 4] behoort tot het gezin van [persoon 2] en de man.
Periode 1: 1 juli 2025 – 31 december 2025
De rechtbank stelt ten aanzien van de onderhoudsplicht voor de kinderen het volgende vast:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de kinderen van partijen, waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn. Omdat [minderjarige 1] in deze periode bij de man woonde en vanwege het huwelijk tussen de man en [persoon 2] , is [persoon 2] ook onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 3] is het kind van de man en [persoon 2] , waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn;
- [minderjarige 4] is het kind van [persoon 2] . Vanwege het huwelijk tussen de man en [persoon 2] en omdat [minderjarige 4] bij hun woonachtig is, zijn zij beiden onderhoudsplichtig voor [minderjarige 4] . Ook de vader van [minderjarige 4] , de heer [persoon 3] is onderhoudsplichtig voor hem.
Periode 2: vanaf 1 januari 2026
De rechtbank stelt ten aanzien van de onderhoudsplicht voor de kinderen het volgende vast:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn de kinderen van partijen, waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn.
- [minderjarige 3] is het kind van de man en [persoon 2] , waarvoor zij beiden onderhoudsplichtig zijn;
- [minderjarige 4] is het kind van [persoon 2] . Vanwege het huwelijk tussen de man en [persoon 2] en omdat [minderjarige 4] bij hun woonachtig is, zijn zij beiden onderhoudsplichtig voor [minderjarige 4] . Ook de vader van [minderjarige 4] , de heer [persoon 3] is onderhoudsplichtig voor hem.
Partijen hebben de samenloop op dezelfde wijze berekend. Zij zijn ermee akkoord dat de rechtbank de door hun gebruikte rekenwijze volgt.
Behoefte kinderen
Bij de berekening van kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind zijn. Dit wordt ook wel de behoefte van het kind genoemd.
Behoefte [minderjarige 1] en [minderjarige 2]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 1.249,= per maand bedroeg in 2020 (conform het ouderschapsplan). Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt de behoefte in 2025 afgerond € 1.533,= per maand, zijnde € 767,= per maand per kind. In 2026 bedraagt de behoefte afgerond € 1.604,= per maand, zijnde € 802,= per maand per kind.
Behoefte [minderjarige 3]
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 3] in 2025 € 763,= per maand bedraagt en in 2026 € 798,= per maand.
Behoefte [minderjarige 4]
Voor de behoefte van [minderjarige 4] heeft de man als productie 23 een berekening ingediend. De echtscheiding tussen [persoon 2] en de heer [persoon 3] is in mei 2014 uitgesproken. De behoefte is toen niet vastgesteld. De man berekent de behoefte in 2014 op € 459,= per maand. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt de behoefte € 623,= per maand en in 2026 € 652,= per maand. De heer [persoon 3] draagt bij in de behoefte door een betaling van € 200,= per maand aan kinderalimentatie.
De vrouw stelt primair dat de kosten van [minderjarige 4] buiten beschouwing gelaten moeten worden, omdat de man geen financiële gegevens van de heer [persoon 3] heeft ingediend. Subsidiair verwijst de vrouw naar rechtsoverwegingen 4.16., 4.17. en 4.22. van de beschikking van 12 april 2023. Daarin is de behoefte van [minderjarige 4] bepaald op € 469,= per maand in 2013. De rechtbank heeft toen geoordeeld dat de rechtbank niet in staat was de draagkracht van de heer [persoon 3] te bepalen en dat dit voor rekening en risico kwam van de man en niet mocht worden afgewenteld op de kinderen van partijen. De rechtbank heeft daarom de verdeling gehanteerd waarbij de heer [persoon 3] de helft van de totale behoefte van [minderjarige 4] kan voldoen en de man en [persoon 2] in de andere helft moeten voorzien. De vrouw verzoekt de rechtbank om in deze procedure op dezelfde wijze te oordelen.
De rechtbank overweegt als volgt. Aan het primaire standpunt van de vrouw gaat de rechtbank voorbij. [minderjarige 4] behoort tot het gezin van de man en [persoon 2] en voor [minderjarige 4] worden kosten gemaakt. De rechtbank volgt wel het subsidiaire standpunt van de vrouw. Ook in deze procedure zijn geen financiële stukken van de heer [persoon 3] ingediend. De rechtbank kan daarom zijn draagkracht niet bepalen. Daarbij komt dat het door de man genoemde bedrag van € 200,= per maand gebaseerd is op een onderlinge afspraak tussen [persoon 2] en de heer [persoon 3] . Voor de rechtbank is niet gebleken dat dit bedrag is berekend aan de hand van de uitgangspunten zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie. Dit betekent dat de rechtbank aansluit bij de in de beschikking van 12 april 2023 vastgestelde behoefte van [minderjarige 4] van € 469,= per maand in 2013. Rekening houdend met de wettelijke indexeringen bedraagt de behoefte in 2025 € 643,= per maand en in 2026 € 672,= per maand. Verder sluit de rechtbank aan bij de beoordeling dat de behoefte van [minderjarige 4] zo wordt verdeeld, dat de heer [persoon 3] de helft van de totale behoefte kan voldoen en de man en [persoon 2] samen in de andere helft moeten voorzien.
Draagkracht van de onderhoudsplichtigen
Vervolgens moet worden berekend tot welk bedrag de onderhoudsplichtigen kunnen bijdragen in de behoefte van de kinderen. Dit wordt de draagkracht van de onderhoudsplichtigen genoemd. Voor de berekening van de draagkracht neemt de rechtbank als uitgangspunt ieders huidig netto inkomen (NBI), in periode 1 en in periode 2. De draagkracht wordt daarna vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in de eerder genoemde aanbevelingen.
Draagkracht van de vrouw
Tijdens de zitting zijn partijen het erover eens dat voor de inkomsten van de vrouw uit haar dienstverband bij [bedrijf] de als productie 32 en 33 door de man ingediende berekeningen kunnen worden gevolgd (van periode 1 respectievelijk periode 2).
De man stelt dat daarnaast gerekend moet worden met een inkomen van € 1.625,= bruto per maand vanuit de frietzaak. De vrouw heeft recent een frietzaak overgenomen met haar huidige partner. Op ingediende foto’s is te zien dat de vrouw daar werkt. Ook legt hij een uittreksel uit de Kamer van Koophandel over.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw tijdens de zitting voldoende onderbouwd weersproken dat zij inkomsten ontvangt uit de frietzaak. De vrouw heeft toegelicht dat haar partner de frietzaak heeft overgenomen. Zij staat in de Kamer van Koophandel als gevolmachtigde ingeschreven. Dat blijkt uit het overgelegde uittreksel. De vrouw geeft aan dat zij nu de administratie doet voor haar partner, wat ook de reden is dat haar adres als postadres staat genoteerd. Zij springt nu af en toe bij om haar partner te helpen de onderneming op te starten, die hij in september 2025 pas heeft overgenomen. De bedoeling is dat hij personeel gaat aannemen. De rechtbank zal gelet hierop geen rekening houden met het door de man geschatte inkomen uit de frietzaak. De stelling van de man dat in dat geval ervan uit kan worden gegaan dat de vrouw een hogere verdiencapaciteit heeft, wordt in het kader van de kinderalimentatie gepasseerd.
De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ook houdt de rechtbank rekening met een door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget inclusief alleenstaande ouderkop van € 6.277,= per jaar in 2025 en een bedrag van € 6.472,= in 2026. Deze bedragen volgt uit de gehanteerde berekeningssystematiek.
Op basis van bovenstaande gegevens bedraagt het NBI van de vrouw € 2.967,= per maand in 2025 en € 3.002,= in 2026. De rechtbank becijfert haar draagkracht op basis van de formule op een bedrag van € 537,= per maand in 2025 en op een bedrag van € 515,= per maand in 2026.
Draagkracht van de man
De man heeft als productie 27 en 28 twee berekeningen ingediend (van periode 1 respectievelijk periode 2). De vrouw is het tijdens de zitting eens gebleken met de daarin opgenomen inkomensgegevens van de man. Zij stelt dat daarnaast nog rekening moet worden gehouden met een bedrag van € 3.397,= bruto per jaar aan gratificaties. Zij verwijst hiervoor naar de loonstrook van december 2025 waar dit bedrag bij de cumulaties staat. De man betwist dat dit bedrag is uitgekeerd. Volgens hem klopt het ook niet met zijn jaaropgave.
De rechtbank constateert dat de man de jaaropgave 2025 niet heeft ingediend en dat niet alle loonstroken van het jaar 2025 zijn overgelegd. De rechtbank kan hierdoor niet vaststellen of de gratificatie in een van de maanden is uitgekeerd waarvan geen loonstroken zijn overgelegd. De vrouw heeft het bedrag van € 3.397,= al in haar ingediende berekening van november 2025 opgenomen. Het ligt op de weg van de man om dit onderbouwd te weerleggen. Dat is nu niet gebeurd. De rechtbank houdt daarom rekening met dit bedrag.
Verder houdt de rechtbank rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Ook houdt de rechtbank rekening met een door de man te ontvangen kindgebonden budget van € 4.410,= per jaar in 2025 en een bedrag van € 841,= in 2026. Deze bedragen volgt uit de gehanteerde berekeningssystematiek.
Op basis van bovenstaande gegevens bedraagt het NBI van de man € 4.478,= per maand in 2025 en € 4.254,= in 2026. De rechtbank becijfert zijn draagkracht op basis van de formule op een bedrag van € 1.278,= per maand in 2025 en op een bedrag van € 1.129,= per maand in 2026.
Draagkracht van [persoon 2]
De man heeft als productie 35 en 36 twee berekeningen ingediend (van periode 1 respectievelijk periode 2). De vrouw stemt tijdens de zitting in met deze berekeningen. Uit deze berekeningen volgt een draagkracht van [persoon 2] van € 410,= per maand in 2025 en een draagkracht van € 407,= per maand in 2026.
Draagkrachtvergelijking (Verdeling van de behoefte)
De rechtbank zal nu eerst berekenen welk gedeelte van de behoefte van ieder kind voor rekening komt van de onderhoudsplichtigen. Hiervoor gebruikt de rechtbank de volgende formule: de draagkracht van de onderhoudsplichtige wordt gedeeld door de totale draagkracht van de onderhoudsplichtigen (voor dat kind) vermenigvuldigd met de behoefte van ieder kind.
Periode 1
Behoefte voor rekening van de man:
[minderjarige 1] : € 441,= [1.278 / (537 + 1.278 + 410) x 767]
[minderjarige 2] : € 540,= [1.278 / (537 + 1.278) x 767]
[minderjarige 3] : € 578,= [1.278 / (1.278 + 410) x 763]
[minderjarige 4] : € 244,= [1.278 / (1.278 + 410) x 322]
Behoefte voor rekening van de vrouw:
[minderjarige 1] : € 185,= [537 / (537 + 1.278 + 410) x 767]
[minderjarige 2] : € 227,= [537 / (537 + 1.278) x 767]
Behoefte voor rekening van [persoon 2] :
[minderjarige 1] : € 141,= [410 / (537 + 1.278 + 410) x 767]
[minderjarige 3] : € 185,= [410 / (1.278 + 410) x 763]
[minderjarige 4] : € 78,= [410 / (1.278 + 410) x 322]
Periode 2
Behoefte voor rekening van de man:
[minderjarige 1] : € 551,= [1.129 / (515 + 1.129) x 802]
[minderjarige 2] : € 551,= [1.129 / (515 + 1.129) x 802]
[minderjarige 3] : € 587,= [1.129 / (1.129 + 407) x 798]
[minderjarige 4] : € 247,= [1.129 / (1.129 + 407) x 336]
Behoefte voor rekening van de vrouw:
[minderjarige 1] : € 251,= [515 / (515 + 1.129) x 802]
[minderjarige 2] : € 251,= [515 / (515 + 1.129) x 802]
Behoefte voor rekening van [persoon 2] :
[minderjarige 3] : € 211,= [407 / (1.129 + 407) x 798]
[minderjarige 4] : € 89,= [407 / (1.129 + 407) x 336]
Verdeling van de draagkracht naar rato van behoefte
Vervolgens wordt de draagkracht van de onderhoudsplichtigen naar rato van de (verdeelde) behoefte van de verschillende kinderen verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de volgende formule: de behoefte van ieder kind gedeeld door de totale behoefte vermenigvuldigd met de draagkracht van de onderhoudsplichtige.
Periode 1
Draagkracht man voor:
[minderjarige 1] : € 312,= [441 / (441 + 540 + 578 + 244) x 1.278]
[minderjarige 2] : € 383,= [540 / (441 + 540 + 578 + 244) x 1.278]
[minderjarige 3] : € 410,= [578 / (441 + 540 + 578 + 244) x 1.278]
[minderjarige 4] : € 173,= [244 / (441 + 540 + 578 + 244) x 1.278]
Draagkracht vrouw voor:
[minderjarige 1] : € 241,= [185 / (185 + 227) x 537]
[minderjarige 2] : € 296,= [227 / (185 + 227) x 537]
Draagkracht [persoon 2] voor:
[minderjarige 1] : € 143,= [141 / (141 + 185 + 78) x 410]
[minderjarige 3] : € 188,= [185 / (141 + 185 + 78) x 410]
[minderjarige 4] : € 79,= [78 / (141 + 185 + 78) x 410]
Periode 2
Draagkracht man voor:
[minderjarige 1] : € 321,= [551 (551 + 551 + 587 + 247) x 1.129]
[minderjarige 2] : € 321,= [551 (551 + 551 + 587 + 247) x 1.129]
[minderjarige 3] : € 342,= [587 (551 + 551 + 587 + 247) x 1.129]
[minderjarige 4] : € 144,= [247 (551 + 551 + 587 + 247) x 1.129]
Draagkracht vrouw voor:
[minderjarige 1] : € 258,=[251 (251 + 251) x 515]
[minderjarige 2] : € 258,=[251 (251 + 251) x 515]
Draagkracht [persoon 2] voor:
[minderjarige 3] : € 286,= [211 / (211 + 89) x 407]
[minderjarige 4] : € 121,= [89 / (211 + 89) x 407]
Draagkrachtvergelijking 2 (Berekening definitieve aandeel)
Periode 1
Wanneer de onderhoudsplichtigen samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van de kinderen, wordt berekend wie welk deel van deze kosten voor zijn rekening moet nemen. Dit wordt ook een draagkrachtvergelijking genoemd.
[minderjarige 1]
De man, de vrouw en [persoon 2] hebben samen per maand aan draagkracht beschikbaar voor [minderjarige 1] € 696,= [312 + 241 + 143]. De behoefte van [minderjarige 1] is € 767,= per maand. Dit betekent dat er een tekort is aan draagkracht (€ 71,=).
Voor periode 1 moet berekend worden wat de door de vrouw te betalen bijdrage is voor [minderjarige 1] aan de man. De vrouw heeft aan draagkracht beschikbaar € 241,= per maand. Omdat er een tekort is aan gezamenlijke draagkracht, volgt er geen draagkrachtvergelijking.
De rechtbank houdt voor deze periode rekening met een zorgkorting voor de vrouw van 5%. Dit komt neer op een bedrag van € 38,=. Nu de draagkracht van de onderhoudsplichtigen onvoldoende is om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] te voorzien, wordt, na toepassing van de zorgkorting, het tekort gelijkelijk over de onderhoudsplichtigen verdeeld. Voor de vrouw betekent dit dat 1/3 deel van het tekort in mindering komt op haar zorgkorting, zodat de door haar aan de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] komt te bedragen € 227,= per maand [241 – (38 – 24)].
[minderjarige 2]
De man en de vrouw hebben samen per maand aan draagkracht beschikbaar voor [minderjarige 2] € 679,= [383 + 296]. De behoefte van [minderjarige 2] is € 767,= per maand. Er is dus een tekort aan draagkracht (€ 88,=). Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 5%. De zorgkorting bedraagt dan € 38,= per maand.
Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw om in de behoefte van [minderjarige 2] te voorzien tweemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn beschikbare draagkracht in de kosten van [minderjarige 2] voorzien. Dit betekent dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] komt te bedragen € 383,= per maand.
Periode 2
[minderjarige 1] en [minderjarige 2]
De man en de vrouw hebben samen per maand aan draagkracht beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] € 579,= per maand per kind [321 + 258]. De behoefte is € 802,= per maand per kind. Er is dus een tekort aan draagkracht (€ 223 per kind). Een draagkrachtvergelijking blijft achterwege.
Partijen zijn het eens over toepassing van een zorgkorting van 5%. De zorgkorting bedraagt € 40,= per maand.
Omdat het tekort aan gezamenlijke draagkracht van de man en de vrouw om in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien meer dan tweemaal zo groot is als de zorgkorting waar de man recht op heeft, moet de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorzien. Dit betekent dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] komt te bedragen € 321,= per maand.
Conclusie
De rechtbank zal op grond van het voorgaande in de periode van 1 juli tot en met 31 december 2025 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] bepalen op nihil en de door de vrouw aan de man te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] bepalen op € 227,= per maand alsmede de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 2] bepalen op € 383,= per maand. Met ingang van 1 januari 2026 wordt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bepaald op € 321,= per kind per maand. Vanaf 6 april 2026 zal de man de bijdrage voor [minderjarige 1] rechtstreeks aan [minderjarige 1] dienen te betalen.
De rechtbank heeft berekeningen gemaakt. Gescande exemplaren van deze berekeningen zijn als bijlage aan deze beschikking toegevoegd en maken daarvan deel uit.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank
wijzigt de beschikking van 18 oktober 2022 als volgt:
bepaalt dat de man en de [minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2010, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken recht hebben op contact met elkaar op initiatief en op aangeven van [minderjarige 2] ;
wijzigt de beschikking van 12 april 2023 als volgt:
bepaalt dat de daarbij vastgestelde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2008:
- over de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 nader wordt vastgesteld op nihil en
- met ingang van 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 321,= per maand, welke bijdrage met ingang van 6 april 2026 door de man rechtstreeks aan [minderjarige 1] dient te worden voldaan, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de daarbij vastgestelde door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 2] :
- over de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 nader wordt vastgesteld op € 383,= per maand en
- met ingang van 1 januari 2026 nader wordt vastgesteld op € 321,= per maand, voor de toekomst bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de vrouw over de periode van 1 juli 2025 tot en met 31 december 2025 voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige 1] aan de man moet voldoen een bedrag van € 227,= per maand;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. Oomes, en, in tegenwoordigheid van mr. Schröder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.