RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446056 / JE RK 26-437
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een wijziging van de verdeling van zorg- en opvoedingstaken
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Brabant, gevestigd te 's-Hertogenbosch, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedag 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 2] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. J.C. Hissink uit Tilburg,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. A.M.C.J. Dekkers-De Jong uit Tilburg, ter zitting waargenomen door kantoorgenoot mr. G.J.P.M. Mooren.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over de verzoeken te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
de stelbrief van mr. Dekkers-De Jong van 2 april 2026;
de stelbrief van mr. [minderjarige 2] van 2 april 2026;
de brief van de moeder met bijlage van 13 april 2026, ingediend door mr. [minderjarige 2] .
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening ten aanzien van de verzoeken kenbaar te maken. Zij hebben hiervan geen gebruik gemaakt.
2. De feiten
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 2 juli 2026.
Bij beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2025 is de zorgregeling
gewijzigd en is bepaald dat de opbouw, vorm, frequentie en duur van het contact tussen
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader door en onder regie van de GI wordt bepaald.
Bij beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2026 is de beschikking van 20 februari 2025 bekrachtigd.
3. Het verzoek
De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 BW de door de kinderrechter op 20 februari 2025 vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt te wijzigen in de zin dat:
de vader en de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009 en [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij het door Jeugdbescherming Brabant gemaakte stappenplan als voorwaarde voor contactherstel/opbouw ten behoeve van de invulling van de zorg- en opvoedtaken geldt (bijlage 5 en 6).
een informatieregeling vast te leggen, inhoudende dat moeder één keer per maand een verslag naar vader stuurt over de kinderen volgens het format van Jeugdbescherming Brabant.
te bepalen dat als het ouders niet lukt om samen een beslissing te nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of andere gezagsbeslissingen het advies van Jeugdbescherming Brabant wordt gevolgd zoals opgenomen in de zorglijst (bijlage 7).
de te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De GI heeft ter onderbouwing van het verzoek het volgende aangevoerd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben sinds februari 2022 geen fysiek contact meer met de vader en wijzen tot op heden beiden iedere aanzet tot fysiek contact met hem af. Op 15 januari 2026 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant waarin is bepaald dat de vader en de kinderen gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij de GI de regie krijgt om de opbouw, de vorm, de frequentie en de duur van de contactmomenten te bepalen. Het gerechtshof is het met de rechtbank en de GI eens dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust, ruimte en veiligheid moet worden geboden om vanuit eigen motivatie het contact met de vader weer op te bouwen. Het vaststellen van een vaste zorgregeling zal averechts werken. In de beschikking van 16 december 2025 waarin de ondertoezichtstelling is verlengd, heeft de kinderrechter opgenomen dat enerzijds de vader verlangt naar duidelijkheid over de stappen die gezet kunnen worden in contactherstel met de kinderen, anderzijds hebben de kinderen nodig dat zij door beide ouders gehoord en gezien worden in wat zij aangeven.
Het is van belang dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet langer druk ervaren en ruimte voelen om naar eigen wens en behoefte het contact met de vader op te bouwen. De GI heeft, zoals besproken tijdens de zitting over de verlenging van de ondertoezichtstelling, een stappenplan gemaakt waarin enerzijds de kinderen beschermd worden in hun behoefte tot rust en regie en anderzijds de vader duidelijkheid krijgt in de mogelijkheden die kunnen leiden tot contactherstel. Ook zorgt het stappenplan ervoor dat als er op enig moment geen ondertoezichtstelling meer is, er iets is vastgelegd. Van deze ouders kan niet verwacht worden dat zij samen keuzes maken voor de kinderen. De doelen gericht op de moeder zijn behaald, maar de doelen die gericht zijn op de vader niet. De zorgen zitten dus bij de vader. Het stappenplan is doorgenomen met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de ouders. De kinderen hebben aangegeven dat het stappenplan hen rust en duidelijk geeft, zij willen geen druk meer voelen om een stap in contactherstel te moeten zetten.
Door en namens de moeder is aangevoerd dat zij het eens is met het verzoek en dat zij geen bezwaar heeft tegen toewijzing daarvan. Het stappenplan is opgesteld voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en er is gekeken naar wat zij willen. Het richt zich echter ook tot de ouders en geeft hen handvatten over hoe zij kunnen handelen om de kinderen datgene te geven wat zij van hen nodig hebben. Het zal deze ouders samen niet lukken om regie te pakken. Het stappenplan geeft duidelijkheid over wat de ouders van elkaar kunnen verwachten. De moeder heeft ook geen bezwaar tegen het vastleggen van een maandelijkse informatieregeling. Een wekelijkse informatieregeling brengt te veel discussie en ruis en is bovendien voor de moeder een (te) grote belasting. Verder geeft de moeder aan dat zij, [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hulpverleningsmoe zijn en verlangen naar duurzame rust en stabiliteit.
Door en namens de vader is aangevoerd dat hij zich, met enkele aanpassingen, in grote lijnen kan vinden in het stappenplan. Dat neemt niet weg dat de vader er wel moeite mee heeft en het gevoel heeft dat met dit verzoek een stap terug wordt gezet. Voor hem zijn vooral afspraken en structuur belangrijk. De vader vindt een maandelijkse informatieregeling te beperkt. Hij zou graag zien dat hij weer wordt geïnformeerd door een weekverslag. Dit bood structuur en duidelijkheid en gaf de vader een leidraad voor de gesprekken met de kinderen. De vader betreurt het ook dat [hulpverlening] niet meer betrokken is. [hulpverlening] begeleide de contactmomenten en besprak deze voor en na met [minderjarige 2] en de vader. Voor de vader voelt het ook als een stap terug als wordt teruggrepen naar belmomenten tussen [minderjarige 2] en de vader in plaats van videobelmomenten. Hij heeft ook niet gemerkt aan [minderjarige 2] dat hij liever zou willen bellen. Positief is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] op eigen initiatief zijn ingegaan op de uitnodiging van grootmoeder vaderszijde om samen met haar en de vader Pasen en een verjaardag te vieren. [minderjarige 2] heeft de vader toen ook uitgenodigd om een keer naar zijn basketbaltraining te komen kijken.
De Raad adviseert de kinderrechter als volgt. Het stappenplan vermindert de druk bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] om het contact met de vader op te bouwen. Als je kinderen van deze leeftijd die weerstand voelen of hebben gevoeld in contact met een ouder, druk oplegt, maken zij juist een tegengestelde beweging. Het stappenplan biedt hen rust en ruimte en vergroot de kans dat zij het contact met de vader meer zullen opzoeken. Dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rust ervaren blijkt wel uit het feit dat zij bij grootmoeder vaderszijde met de vader Pasen hebben gevierd en dat [minderjarige 2] de vader heeft uitgenodigd om te komen kijken naar zijn basketbaltraining. Voorts kan de Raad zich ook vinden in het vastleggen van een maandelijkse informatieregeling. Een wekelijkste informatieregeling, zoals de vader wenst, vraagt te veel van de moeder die de kinderen alleen opvoedt en verzorgt. De vader kan ook op andere manieren aanknopen bij de kinderen, bijvoorbeeld door het met hen te hebben over hun hobby’s. De moeder kan op haar beurt proberen om de kinderen vrijblijvend voor te stellen om leuke dingen die zij meemaken met de vader te delen. Van belang is wel dat zij daarbij geen druk voelen.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op basis van het bepaalde in artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling voor de duur van de ondertoezichtstelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen, voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De kinderrechter kan op grond van lid 2 de hiervoor genoemde zorgregeling wijzigingen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De kinderrechter stelt vast dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, nu de minderjarigen geen (fysiek) contact met de vader willen en hebben. De kinderrechter komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter ziet met de GI en de Raad het belang en de noodzaak van het stappenplan. Het is gezien de puberleeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun zeer belaste voorgeschiedenis van belang dat naar hun mening wordt geluisterd en dat deze leidend is. De kinderen geven heel duidelijk aan dat zij hulpverleningsmoe zijn. Zij moeten rust en ruimte krijgen om vanuit hun eigen wensen, gevoelens en behoeften te bepalen op welke wijze zij contact hebben met de vader. De kinderrechter begrijpt dat het stappenplan voor de vader voelt als een stap terug. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben echter de afgelopen jaren veel druk ervaren. Nu nog meer druk op hen leggen zal naar verwachting juist zorgen voor een terugtrekkende beweging en niet voor een stap vooruit. De kinderen moeten rust en stabiliteit gaan ervaren zodat zij zich verder kunnen gaan ontwikkelen naar volwassenheid. Wellicht komt er dan ook meer ruimte om naar vrije invulling het contact met de vader op te bouwen. De kinderrechter hoopt dat de vader gaat inzien dat met het stappenplan het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] echt voorop wordt gesteld en dat hij zich daaraan daarom duurzaam kan blijven committeren. Juist als de kinderen ademruimte ervaren en de vader zich blijft openstellen kunnen er onverwachte dingen gebeuren. Dat is immers al gebleken tijdens Pasen.
Voorts overweegt de kinderrechter dat het verzoek om een informatieregeling vast te leggen mogelijk niet valt binnen het bereik van artikel 1:265g BW. Nu echter zowel de moeder als de vader de kinderrechter te kennen hebben gegeven dat zij willen dat een informatieregeling wordt vastgelegd zal de kinderrechter het verzoek desondanks toewijzen. De kinderrechter zal een informatieregeling vastleggen inhoudende dat moeder één keer per maand een verslag naar de vader stuurt over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] volgens het format van de GI. Hoewel de kinderrechter de wens van de vader om wekelijks te worden geïnformeerd over de kinderen begrijpt, acht zij een wekelijkse informatieregeling een te grote belasting voor de moeder. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de moeder feitelijk degene is die in haar eentje [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dagelijks verzorgt en opvoedt. Bovendien is uit het verleden gebleken dat de inhoudelijke reacties van de vader op de weekverslagen leiden tot discussie, ruis en onrust. Dat is niet in het belang van de kinderen. De rechtbank benadrukt dat de maandelijkse informatieregeling een minimale regeling is. Het staat de moeder vanzelfsprekend vrij om de vader vaker tussentijds de informeren als zij daarvoor aanleiding ziet en ruimte heeft.
Verder zal de kinderrechter bepalen dat als het de ouders niet lukt om samen een beslissing te nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het advies van de GI wordt gevolgd zoals opgenomen in de zorglijst. Het verzoek van de GI om dat ook te bepalen ten opzichte van andere gezagsbeslissingen wordt afgewezen. Hoewel de kinderrechter de ratio achter het verzoek begrijpt, acht de kinderrechter dit verzoek te verstrekkend en onvoldoende concreet. De kinderrechter benadrukt wel dat zolang er een ondertoezichtstelling is, de GI in het kader van de uitvoering daarvan de regie heeft.
Tot slot spreekt de kinderrechter de hoop uit dat deze beslissingen op de eerste plaats [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , maar ook zeker de moeder en de vader rust en duidelijkheid gaan geven. De kinderrechter hoopt dat beide ouders hun eigen behoeften los kunnen gaan laten en het belang van de kinderen nu echt voorop kunnen gaan zetten.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de toewijzende beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
wijzigt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zoals bepaald in de beschikking van deze rechtbank van 20 februari 2025 en bekrachtigd in de beschikking van gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 15 januari 2026 aldus dat de vader en de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 2009;
[minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 2] 2013,
in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, waarbij het door de GI gemaakte stappenplan als voorwaarde voor contactherstel/opbouw ten behoeve van de invulling van de zorg- en opvoedtaken geldt;
legt vast een informatieregeling, inhoudende dat moeder één keer per maand een verslag naar vader stuurt over de kinderen volgens het format van de GI;
bepaalt dat als het ouders niet lukt om samen een beslissing te nemen over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken het advies van GI wordt gevolgd zoals opgenomen in de zorglijst;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Van Noort als griffier, en op schrift gesteld op 6 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.