RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446729 / JE RK 26-581
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. B.J.P. van Gils uit Breda.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats]
.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 april 2026;
de verklaring van gedragswetenschapper [persoon] van 9 april 2026;
het (verkorte) proces-verbaal van de behandeling ter zitting van 13 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft in eerste instantie plaatsgevonden op 13 april 2026. De minderjarige [minderjarige] is toen niet verschenen. Om die reden heeft de kinderrechter de zaak aangehouden tot deze zitting van 22 april 2026. Toen waren aanwezig:
- [minderjarige] , ook afzonderlijk gehoord, met zijn advocaat;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
Bij beschikking van 24 januari 2025 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 24 januari 2025 tot 24 januari 2026. In die beschikking is de GI tevens gemachtigd om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 24 januari 2026.
Bij beschikking van 24 april 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank ten aanzien van [minderjarige] een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 25 augustus 2025. Bij brief van 21 augustus 2025 is de tenuitvoerlegging van deze machtiging geschorst.
Sinds november 2025 verblijft [minderjarige] weer permanent thuis bij de moeder.
Bij beschikking van 14 januari 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 24 januari 2026 tot 24 januari 2027.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
4. De standpunten
De GI legt aan haar verzoek ten grondslag dat [minderjarige] in de afgelopen jaren voornamelijk heeft verbleven binnen de gesloten jeugdhulp van [accommodatie 1] . [minderjarige] is zich daar steeds meer aan de zorg gaan onttrekken. Na herhaalde vermissingen vanuit zijn plaatsing in een open voorziening bij [accommodatie 2] in [plaats] waar hij verbleef na de schorsing van de gesloten machtiging, is [minderjarige] sinds november 2025 bij de moeder gaan verblijven.
In januari 2026 werd de machtiging tot uithuisplaatsing voor het verblijf bij [accommodatie 2] niet meer verlengd, omdat [minderjarige] feitelijk al niet meer op de open groep verbleef.
Sinds de thuisplaatsing ontstaan er regelmatig escalaties tussen de moeder en [minderjarige] , vooral wanneer de moeder aan hem grenzen probeert te stellen. [minderjarige] accepteert het gezag van zijn moeder niet meer. In februari 2026 is [minderjarige] bijna twee weken vermist geweest na een heftige ruzie thuis. Nadien zijn de zorgen alleen maar toegenomen.
Zo heeft de moeder recentelijk [minderjarige] bij de politie moeten ophalen, nadat hij was aangehouden met een groot mes op zak. Één week eerder gaf [minderjarige] aan op de hoogte te zijn van een steekpartij in een naburig dorp en wist hij daar veel informatie over.
In de thuissituatie heeft de moeder alle messen moeten verstoppen, omdat [minderjarige] tijdens ruzies haar dreigt neer te steken. De onveiligheid is voor de moeder zodanig, dat zij haar jongere zoontje niet meer alleen bij [minderjarige] achterlaat. Dit ook vanwege het verleden met seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zorgelijk acht de GI voorts de sterke aanwijzingen dat [minderjarige] alcohol en drugs gebruikt en dat hij aansluiting heeft bij criminele of in elk geval risicovolle groepen.
Naar de mening van de GI toont [minderjarige] geen enkel inzicht in zijn gedrag en is hij op geen enkele manier bezig met zijn toekomstperspectief. Ondanks intensieve inspanningen vanuit school, begeleiding en hulpverlening is het niet gelukt om [minderjarige] te motiveren voor onderwijs of werk. [minderjarige] heeft een korte periode gewerkt bij een scooterzaak, maar dit werk is gestopt toen hij niet meer kwam opdagen. Intussen is de moeder overbelast geraakt. Naar de mening van de GI is een gesloten setting de enige plek waar voor [minderjarige] rust en veiligheid gecreëerd kunnen worden, waar [minderjarige] in het verleden ook beter functioneerde en waar diagnostiek uitgevoerd kan worden. De huidige diagnostiek dateert uit 2019 is en daarmee verouderd. Middels de gesloten plaatsing hoopt de GI dat hij [minderjarige] toch weer enige motivatie gaat ontstaan om mee te werken. Op dit moment heeft [minderjarige] een begeleider vanuit SELF. De GI acht die begeleiding ontoereikend voor de zorgen die er zijn.
[minderjarige] geeft aan dat hij het verzoek maar onzin vindt. [minderjarige] wil met rust worden gelaten en wil gaan werken. Volgens [minderjarige] komt het dan allemaal wel goed. [minderjarige] geeft aan geen hulp nodig te hebben. Volgens [minderjarige] is hij al jarenlang gesloten geplaatst geweest en heeft dat niets opgeleverd. Tussen hem en zijn moeder doet zich weleens een discussie voor, meer niet. Dat hij onlangs werd aangehouden met een mes op zak wordt door [minderjarige] erkend. Volgens [minderjarige] had hij dat mes voor zijn vriend enkel even in bewaring genomen, omdat zijn vriend al geen mes meer op zak mocht hebben.
De moeder brengt naar voren dat [minderjarige] zich niet aan de afspraken weet te houden. De moeder acht het van groot belang dat [minderjarige] een goede dagbesteding zal gaan hebben. Probleem is volgens de moeder dat [minderjarige] niet veel wil en hij nergens aan wil meewerken. Of een plaatsing op [accommodatie 1] voor [minderjarige] goed zal zijn vindt de moeder lastig in te schatten. Naar de mening van de moeder zal [minderjarige] er op de huidige manier in elk geval niet komen, er iets moeten gebeuren. Behandeling acht de moeder het belangrijkste.
De advocaat voert aan dat [minderjarige] in het verleden al lange tijd gesloten op [accommodatie 1] heeft verbleven en dat hij daar toen flinke stappen vooruit zette. [minderjarige] erkent dat het incident toen hij onlangs met een mes werd opgepakt geen handige actie van hem was. Voor een hernieuwde gesloten plaatsing acht [minderjarige] de zorgen in elk geval onvoldoende. [minderjarige] heeft reeds de hulp vanuit SELF en acht die hulp toereikend. De advocaat kan zich voorstellen dat de kinderrechter van oordeel is, dat aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van het verzoek wordt voldaan. Zo stelt de advocaat vast dat de gedragswetenschapper ook instemt met het verzoek. [minderjarige] heeft daartegen bezwaar. Echter is onzeker wanneer [minderjarige] daadwerkelijk zal kunnen worden geplaatst. Dat alles zo zijnde concludeert de advocaat primair tot afwijzing van het verzoek.
Subsidiair concludeert de advocaat om de te verlenen machtiging in duur te beperken, omdat een lange periode voor [minderjarige] lastig te overzien zal zijn en hem enig toekomstperspectief moet worden geboden.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen (Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw)).
De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat er al geruime periode forse zorgen bestaan over de ontwikkeling van [minderjarige] . Zo gaat [minderjarige] veelvuldig zijn eigen gang en accepteert hij het ouderlijk gezag van zijn moeder niet. Tussen de moeder en [minderjarige] doen zich ook geregeld escalaties voor wanneer de moeder hem probeert te begrenzen. [minderjarige] gaat bovendien niet naar school en kent geen andere zinvolle dagbesteding. [minderjarige] blijft zelfs nachten weg van huis en hangt veel op straat rond. Er is geen zicht op wat hij dan allemaal doet, maar er zijn sterke aanwijzingen dat [minderjarige] zich dan veelal ophoudt met verkeerde vrienden en hij zich zelfs in het criminele milieu begeeft. Ook zijn er sterke signalen van drugs- en alcoholgebruik bij [minderjarige] .
Intussen is de moeder overbelast geraakt. Er is veel hulpverlening betrokken (geweest) om [minderjarige] weer op het rechte pad te laten begeven, maar deze slaat niet aan of blijkt niet duurzaam te beklijven. Een hernieuwde gesloten plaatsing wordt dan noodzakelijk geacht om veder afglijden van [minderjarige] te voorkomen. De onafhankelijk gedragswetenschapper geeft ook aan dat er op dit moment geen redelijk alternatief voor geslotenheid aanwezig is en stemt in met de verklaring van de GI dat gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] noodzakelijk is. De kinderrechter machtigt de GI daarom om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp.
Het voorgaande neemt niet weg dat de kinderechter aanleiding ziet om de te verlenen machtiging gesloten jeugdhulp in duur te beperken tot drie maanden en het verzoek voor het overige tot de na te melden behandeling ter zitting aan te houden. Hij overweegt hierbij dat [minderjarige] in het verleden reeds lange tijd gesloten geplaatst is geweest. Voorkomen moet worden dat de huidige gesloten plaatsing weer van lange duur gaat zijn. De kinderrechter spreekt de hoop uit dat de gesloten plaatsing [minderjarige] wakker zal schudden en hij alsnog gaat inzien dat hij met zijn huidige gedrag niet verder komt. Dit neemt niet weg dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk aan zijn toekomstperspectief zal moeten kunnen gaan werken, zoals dat hij een zinvolle dagbesteding zal hebben in de zin van scholing en/of werk. Op dit moment weet en kan [minderjarige] dit echter niet zelfstandig realiseren. De GI dient [minderjarige] hierbij te ondersteunen en dient in de eerstkomende periode te onderzoeken welke alternatieven er voor de gesloten plaatsing zijn. De GI kan daarbij overwegen om zich met een verzoek voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp tot de rechtbank te gaan wenden. Dat verzoek zal dan op de nadere zitting tevens besproken kunnen gaan worden.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 22 april 2026 tot 22 juli 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de GI, de moeder en [minderjarige] en zijn advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van kinderrechter mr. Sumner van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, in het gerechtsgebouw aan Stationslaan 10 te Breda, op [datum] 2026 te [uur], teneinde op het resterende deel van het verzoek te worden gehoord;
bepaalt dat deze beschikking geldt als oproep voor die zitting voor de GI, voor [minderjarige] en zijn advocaat en voor de moeder;
vraagt de griffier [minderjarige] via zijn advocaat op te roepen.
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.