RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446900 / JE RK 26-610
Datum uitspraak: 22 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2010 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER STICHTING JEUGDBESCHERMING & JEUGDRECLASSERING, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 7 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar haar mening gevraagd, maar zij heeft geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden gelegenheid om haar mening over het verzoek kenbaar te maken.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder. Van januari 2025 tot augustus 2025 heeft [minderjarige] bij haar vader en oom in Turkije verbleven. De vader heeft geen gezag over [minderjarige] . Ouders zijn al lange tijd niet meer samen.
Bij beschikking van 18 februari 2022 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de Stichting Jeugdbescherming Brabant, locatie Tilburg, met ingang van 18 februari 2022 tot 18 mei 2022. Deze maatregel is nadien telkens verlengd, laatstelijk bij beschikking van 15 augustus 2023, tot 18 februari 2024.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De Raad legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de moeder en [minderjarige] beiden een belast verleden kennen en opgelopen trauma. De moeder is overbelast geraakt en bij haar en [minderjarige] is onvoldoende rust en ruimte aanwezig om met de trauma’s aan de slag te gaan. De moeder en [minderjarige] leven samen in een continue stresssituatie en hun onderlinge relatie is verstoord geraakt. Al langere tijd geeft de moeder met regelmaat aan de opvoeding van [minderjarige] niet meer aan te kunnen. Inmiddels is [minderjarige] haar moeder gaan overstijgen. Vanuit een vermoedelijk onveilige hechtingsrelatie is [minderjarige] ook gewend dat ze zichzelf moet zien te redden en accepteert zij het gezag van haar moeder niet meer. [minderjarige] heeft ook niet snel vertrouwen in andere volwassenen en heeft een autoriteitsprobleem. Op school doet [minderjarige] “haar eigen ding”, laat zij problemen met haar gedrag zien en verzuimt zij veelvuldig. Binnen het reguliere onderwijs is het haast niet meer mogelijk om [minderjarige] binnen te houden en toe te werken naar een diploma, terwijl [minderjarige] hiervoor wel de capaciteiten heeft. Daarbij werkt [minderjarige] ook aan de inzet van [onderwijsinstelling ] niet (meer) mee. Inmiddels is al jarenlang vrijwillige hulp in meer of mindere mate betrokken, maar is het niet gelukt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen. De Raad acht het noodzakelijk dat de moeder ondersteunt zal worden door een gezaghebbende derde – een jeugdbeschermer – en benodigde hulp zal zijn gegarandeerd en worden gecontinueerd. De Raad heeft overwogen om tevens een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken, maar heeft daarvan afgezien, omdat het daarvoor teveel ontbreekt aan motivatie bij [minderjarige] en niet ondenkbaar is dat [minderjarige] dan zelfs zal weglopen.
De moeder beaamt dat [minderjarige] haar gezag niet meer accepteert. Daarbij maakt de moeder zich zorgen dat [minderjarige] niet meer naar school gaat en zij wegloopt. De moeder vermoedt dat zij vanwege haar belaste verleden nog onvoldoende sterk in haar schoenen staat om [minderjarige] aan te kunnen en dat zij wat daarin nodig is te snel loslaat. Inmiddels hebben vele hulpinstanties zich met de moeder en [minderjarige] ingelaten. Zij beloven allen veel, maar komen hun beloftes vaak niet na. Volgens de moeder heeft dat hun vertrouwen in de hulpverlening geschaad en heeft zij daarom een dubbel gevoel over een ondertoezichtstelling. De moeder vreest dan wederom onvoldoende te worden gehoord.
De GI hoort de moeder aangeven dat gepaste hulp niet of te laat tot stand komt. Naar de mening van de mening van de GI zal een ondertoezichtstelling dan juist helpende kunnen zijn, omdat zij de mogelijkheden en middelen heeft om de hulpverlening waar nodig daarop aan te spreken. De GI verklaart zich ook bereid om de ondertoezichtstelling op zich te nemen en met de moeder en [minderjarige] te gaan werken aan de (onderliggende) problematiek.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan (Artikel 1:255 BW). De kinderrechter neemt hierbij in aanmerking dat de moeder en [minderjarige] een belast verleden kennen met opgelopen trauma. Hun onderlinge relatie is verstoord geraakt. Een gevolg hiervan is dat de moeder niet langer in staat is om het gezag over [minderjarige] afdoende uit te oefenen en dat [minderjarige] het gezag van haar moeder ook niet meer accepteert. Het is erg knap dat de moeder dit zelf ook inziet. Bovenal is bewonderenswaardig dat de moeder de oorzaak hiervan niet bij [minderjarige] legt, maar bij de meer onderliggende problematiek. Een zorg is bovendien dat [minderjarige] anderszins autoriteitsproblemen laat zien en zij ook op school gedragsproblemen en veel ongeoorloofd verzuim laat zien. Binnen het reguliere onderwijs zou het haast niet meer mogelijk om [minderjarige] binnen te houden en toe te werken naar een diploma, terwijl [minderjarige] hiervoor wel de capaciteiten heeft. Daarbij werkt [minderjarige] ook aan de inzet van het alternatief [onderwijsinstelling ] niet (meer) mee. Hiermee wordt [minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling bedreigd.
Alhoewel het niet zozeer de moeder te verwijten valt dat het tot nu toe niet gelukt is om de ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden, moet geconstateerd worden dat dit in het vrijwillige kader met alle velerlei vormen van hulp niet is gelukt. Om die reden wordt een maatregel binnen een gedwongen kader noodzakelijk geacht. Alsdan zal de GI een regiefunctie kunnen vervullen en zal de GI kunnen waarborgen dat gepaste hulp zo voortvarend mogelijk tot stand komt. De GI zal dit in samenspraak doen met de moeder.
De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar.
Als hulpverleningsdoelen binnen de ondertoezichtstelling worden aangemerkt:
[minderjarige] werkt aan een steeds meer zelfstandige toekomst, de mogelijkheden van Kamertraining/zelfstandig begeleid wonen worden samen met [minderjarige] en moeder onderzocht;
Er zijn geen hoogoplopende conflicten tussen [minderjarige] en moeder. [minderjarige] heeft vertrouwen in moeder en andersom;
[minderjarige] (en moeder) ontvangen de hulp die nodig is (bijvoorbeeld traumabehandeling);
[minderjarige] heeft perspectief in opleiding en heeft een zinnige dagbesteding in de vorm van school/cursus of iets dergelijks.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 22 april 2026 tot 22 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van Van Dongen als griffier, en op schrift gesteld op 12 mei 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.