beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Zittingsplaats: Middelburg
Zaaknummer: C/02/443850 / FA RK 26-153
datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking van de meervoudige kamer betreffende vervangende toestemming verhuizing
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] (België),
advocaat voorheen: mr. K. van Doorn te Den Haag.
Advocaat thans: mr. G.E. van der Zanden te Den Haag,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. C.G.M. Baas te Bergen op Zoom,
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Middelburg,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de navolgende stukken:
- het op 8 januari 2026 ontvangen verzoek van de vrouw met bijlagen;
- F9-formulier (met bijlagen) van mr. Van der Zanden van 10 maart 2026;
- het op 16 maart 2026 ontvangen verweerschrift van de man tevens houdende zelfstandig verzoek met bijlagen;
- F9-formulier van mr. Van der Zanden van 18 maart 2026;
- het op 20 maart 2026 ontvangen verweerschrift van de vrouw met bijlagen.
De verzoeken zijn mondeling behandeld op 26 maart 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster namens de Raad.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het navolgende thans nog minderjarige kind is geboren:
- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2018.
De man heeft de minderjarige op 31 mei 2018 te Brecht (België) erkend.
De minderjarige verblijft bij de vrouw.
De vrouw en [minderjarige] hebben de Belgische nationaliteit, de man heeft de Nederlandse nationaliteit.
Partijen hebben op onbekende datum een vaststellingsovereenkomst / omgangsregeling ondertekend, waarin onder meer en voor zover hier van belang, het volgende is opgenomen:
“Artikel 2. Omgangsregeling
De ouders komen de volgende omgangsregeling overeen:
Tot 1 oktober 2023 draagt vader op dins- en donderdag de zorg van [minderjarige] , de moeder de overige dagen. De zorg gedurende vakanties, feest- en verjaardagen zullen de ouders in gezamenlijk overleg vaststellen.
Vanaf 1 oktober 2023 zullen de ouders de zorg van [minderjarige] in co-ouderschap op zich nemen,
waarbij ieder de helft, in onderling overleg, van de zorg zal dragen. De zorg gedurende
vakanties, feest- en verjaardagen zullen de ouders in gezamenlijk overleg bij helfte verdelen.”
Bij beschikking van 1 juli 2025 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de man en de vrouw van rechtswege gezamenlijk zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] en is het verzoek van de vrouw om haar toestemming te verlenen om met [minderjarige] te verhuizen naar [plaats 1] (Spanje) afgewezen.
Sinds oktober 2025 verblijft [minderjarige] de ene week van donderdag na school tot vrijdagochtend voor school bij de man. De andere week verblijft [minderjarige] van vrijdag uit school tot maandagochtend voor school bij de man.
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
I) aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige op de kortst mogelijke termijn, maar uiterlijk 1 maart 2026, te verhuizen naar de woning gelegen aan de Monseigneur Eestermansstraat 35 te [woonplaats 1] (België) en de minderjarige aldaar op voornoemd adres in te schrijven in het daartoe bestemde register, althans een regeling in goede justitie te bepalen;
II) aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen voor alle handelingen en het aanvragen en ondertekenen van documenten in de ruimste zin des woord die noodzakelijk zijn om de verhuizing van de vrouw met de minderjarige mogelijk te maken, althans een regeling in uw goede justitie te bepalen;
Alsmede een voorwaardelijk verzoek als aan de vrouw de vervangende toestemming
wordt verleend voor de verhuizing van [minderjarige]
III) aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om de minderjarige op de kortst mogelijke termijn, maar uiterlijk 1 maart 2026, in te schrijven op de [basisschool] in [plaats 2] , althans een regeling in uw goede justitie te bepalen.
De vrouw stelt daartoe, kort samengevat, dat de man (mondeling) toestemming heeft gegeven voor deze verhuizing. De vrouw is vervolgens alles gaan regelen. Op een later moment heeft de man zijn toestemming ingetrokken. De verhuizing voldoet aan de verhuiscriteria volgend uit de jurisprudentie en moet niet gezien worden als een nieuwe verhuizing, maar als het gevolg van de eerder voorgenomen verhuizing naar Spanje.
De man voert verweer tegen het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken verzoekt de man te bepalen dat de man en [minderjarige] omgang hebben met elkaar van woensdag na school tot en met vrijdagochtend voor school de ene week en de andere week vanaf woensdag na school tot en met maandagochtend voor school.
Daarnaast vraagt de man te bepalen dat de vakanties bij helfte worden verdeeld.
Indien de rechtbank de vrouw vervangende toestemming verleent om te verhuizen, verzoekt de man te bepalen dat [minderjarige] vanaf de datum dat de vrouw naar België verhuist, hoofdverblijf zal hebben bij de man. En te bepalen dat de vastgestelde alimentatie wordt gewijzigd naar nihil, dan wel een bedrag wat de rechtbank juist acht.
De man stelt daartoe, kort samengevat, dat hij geen toestemming voor de verhuizing heeft gegeven. Partijen hebben wel met elkaar gesproken en er zijn afspraken gemaakt over de wijziging van de zorgregeling. De man is van mening dat de verhuizing niet voldoet aan de verhuiscriteria Als het verzoek van de vrouw wordt toegewezen, wil hij dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem wordt bepaald. Op die manier kan hij de stabiliteit voor [minderjarige] beter waarborgen. Zeker nu de vrouw weer zonder overleg allerlei zaken voor [minderjarige] aan het regelen is gegaan. De man is van mening dat [minderjarige] op haar vertrouwde school in [woonplaats 2] moet blijven. De feitelijke verhuizing van de vrouw heeft hij niet tegen kunnen houden, dat probeert hij nu omdat het volgens hem niet in het belang van [minderjarige] is en hij bang is dat de vrouw vervolgens weer stappen richting Spanje zal maken. De feitelijke vervanging van de school voor [minderjarige] heeft hij wel tegen kunnen houden.
4. De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Ingevolge artikel 7 van de verordening Brussel II-ter zijn ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan de minderjarige haar gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarige op het moment van indiening van het verzoek haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.
Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op verzoeken te beslissen, zal op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands recht op de verzoeken worden toegepast.
Wettelijk kader vervangende toestemming verhuizing
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna te noemen: BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 25 april 2008, LJN: BC5901 geoordeeld dat vooropgesteld dient te worden, dat uit de omstandigheid dat in artikel 1:253a BW is bepaald dat de rechtbank een zodanige beslissing neemt als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt, niet mag worden afgeleid, dat het belang van het kind bij geschillen over gezamenlijke gezagsuitoefening altijd zwaarder weegt dan andere belangen. De rechter zal bij zijn beslissing over dergelijke geschillen alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, wat er in voorkomend geval ook toe kan leiden dat andere belangen zwaarder wegen dan het belang van het kind, hoezeer ook dat belang een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen.
Inhoudelijke beoordeling
De Raad heeft ter zitting geadviseerd dat het in het belang van [minderjarige] is als zij onbelast contact met haar beide ouders kan hebben. De vraag die de Raad heeft is of [minderjarige] geworteld is in [woonplaats 2] . Indien dat het geval is, zou de vrouw volgens de Raad terug moeten verhuizen om zo de reistijd van [minderjarige] voor het naar school gaan in [woonplaats 2] te beperken. Als [minderjarige] niet geworteld is in [woonplaats 2] en zij zou een wijziging van haar school kunnen dragen, dan zou [minderjarige] in Nederland ingeschreven moeten blijven staan bij de man en zou zij volgens de Raad in [plaats 2] naar school kunnen gaan. De situatie zoals deze nu is, is volgens de Raad niet in het belang van [minderjarige] . Uiteindelijk heeft de Raad geadviseerd om als de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepaalt en de zorgregeling uitbreidt, [minderjarige] in [plaats 2] naar school kan gaan.
De man heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij bij zijn verzoek blijft en het hoofdverblijf van [minderjarige] wil, maar dat hij zich onder zwaar protest kan voorstellen dat als de vrouw in België blijft wonen, [minderjarige] dan in [plaats 2] naar school gaat. De vrouw is echter niet ingegaan op dit voorstel van de man, zo gaf de advocaat van de man aan.
De rechtbank stelt vast dat er tussen partijen geen vergelijk mogelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat de vrouw het recht heeft haar verblijfplaats te kiezen en een nieuw leven op te bouwen. De vrijheid van de vrouw om met de minderjarige te verhuizen, kan echter worden beperkt op een wijze die in de wet is voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Nu de vrouw en de man gezamenlijk het gezag over de minderjarige uitoefenen en de man een structurele contactregeling met de minderjarige heeft, zou een verhuizing van de minderjarige meebrengen dat de daadwerkelijke uitoefening van het gezag door de man en zijn wens om de zorgregeling uit te breiden worden beperkt. Om die reden zou de bescherming van de rechten en vrijheden van de man of van de minderjarige (indirect) een inbreuk op de vrijheid van verplaatsing van de vrouw kunnen rechtvaardigen.
Alvorens verder op de onderhavige zaak in te gaan, wijst de rechtbank op de beschikking van 1 juli 2025. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw bij deze nieuwe verhuizing naar België, gelet op de eerdere afwijzende beschikking, zorgvuldiger met de belangen van [minderjarige] en de man om had behoren te gaan. Wederom plaatst de vrouw de man, [minderjarige] en de rechtbank voor een voldongen feit. En nog meer zelfs dan de vorige keer, aangezien de vrouw inmiddels al maanden met [minderjarige] woonachtig is in België. [minderjarige] heeft volgens de vrouw van de leerplichtambtenaar toestemming om op de woensdagen zelfs thuis te zijn, omdat de huidige situatie en dan met name het reizen van en naar haar school in [woonplaats 2] te vermoeiend is voor haar. De rechtbank vindt het schrijnend dat er op deze manier met een meisje van zeven jaar wordt omgegaan.
Is er toestemming gegeven door de man?
De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is de vraag of er door de man toestemming aan de vrouw is gegeven om met [minderjarige] naar België te verhuizen. Op basis van de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, kan de rechtbank niet anders dan deze vraag ontkennend beantwoorden. De rechtbank licht dit toe.
Alhoewel de vrouw in eerste instantie niet zelf met de man wilde praten, hebben partijen toch samen een gesprek gehad. Vast staat dat partijen in ieder geval op 25 augustus 2025 een fysiek gesprek met elkaar hebben gehad. Daarin is het volgens de man met name gegaan over de verhuizing naar Spanje. Volgens de vrouw zijn ook andere mogelijkheden besproken en is er overeenstemming bereikt over de verhuizing naar België, mits dit binnen 50 kilometer vanaf de woning van de man zou zijn en op voorwaarde dat [minderjarige] in Nederland onderwijs zou blijven volgen. De vrouw heeft gesteld dat de man via Whatsapp zijn toestemming heeft ingetrokken. Dit zou kort voor 19 september 2025 zijn gebeurd. Uit het door de vrouw overgelegde Whatsappbericht blijkt niet dat er sprake is van een intrekking van enige toestemming. Er blijkt enkel uit dat de man de adviezen van zijn advocaat met de vrouw wil bespreken. De man geeft aan dat deze anders zijn dan wat de vrouw en hij onlangs besproken hebben. De vrouw reageert hierop door te zeggen dat haar advocaat ook wat anders heeft geadviseerd maar dat zij dit naast zich neer heeft gelegd om de man in zijn wensen tegemoet te komen. Wat deze wensen zijn en op welke manier deze tegen het advies van de advocaat van de vrouw dan wel die van de man ingaan, blijkt niet uit de stukken.
De e-mail van de vrouw van 29 augustus 2025 ondersteunt de stelling van de man dat het gesprek voornamelijk over het alsnog verhuizen naar Spanje zou zijn gegaan. In dit e-mailbericht doet de vrouw wederom een concreet voorstel voor de verhuizing van [minderjarige] naar Spanje. Ook staat er expliciet in vermeld dat de vrouw haar huis in Nederland aanhoudt en zij en [minderjarige] in Nederland ingeschreven blijven staan. Daarnaast maakt de vrouw melding van het feit dat zij een werkcontract in Spanje heeft, deels fysiek op locatie, deels op afstand.
Uit de e-mailwisseling van partijen op 28 november 2025 blijkt dat er via de advocaat van de vrouw een voorstel aan de man is gedaan. Op verzoeken van de man om wijziging van de zorgregeling gaat de vrouw niet in, zolang er nog niet inhoudelijk is gereageerd op de voorstellen tot verhuizing en schoolkeuze van [minderjarige] . Uit de reactie van de man op het e-mailbericht van de vrouw blijkt dat de vrouw op dat moment al met [minderjarige] is verhuisd en dat de woning van de vrouw te [woonplaats 2] al is verkocht.
De rechtbank is van oordeel dat het op de weg van de vrouw had gelegen, zeker gelet op de beschikking van 1 juli 2025, om de door haar gestelde mondelinge toestemming en eventueel gemaakte afspraken schriftelijk vast te leggen. Zeker nu de vrouw heeft aangegeven dat het volgens haar een patroon is dat de man eerst toestemming geeft en vervolgens intrekt.
Uit geen enkel overgelegd e-mailbericht blijkt dat de man toestemming heeft gegeven aan de vrouw om met [minderjarige] naar [woonplaats 1] te België te verhuizen. Sterker nog, uit de overgelegde Whatsapp- en emailberichten blijkt dat de man hier geen toestemming voor geeft.
Voor de rechtbank staat vast dat de vrouw de woning te [woonplaats 1] heeft gekocht op het moment dat de man in de visie van de vrouw zijn toestemming voor de verhuizing al had ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de man deze toestemming, gelet op hetgeen ter zitting is besproken en de overgelegde stukken, nimmer heeft gegeven en later zelfs expliciet heeft moeten vermelden dat hij geen toestemming geeft. De vrouw heeft zich daar niets van aangetrokken. Zij gaat zelfs zo ver dat zij [minderjarige] inschrijft op een andere basisschool. Het is dan aan de man om deze school te benaderen om aan te geven dat hij zijn toestemming niet gegeven heeft voor deze inschrijving. Dit terwijl de vrouw eerder in een e-mailbericht aan de man duidelijk aangeeft dat zij zijn toestemming nodig heeft voor de inschrijving van [minderjarige] op een andere basisschool. Zij wist dus dat ze zijn toestemming nodig had. Zij wist ook dat ze deze niet had gekregen. En toch heeft de vrouw [minderjarige] ingeschreven op een andere school. Deze handelswijze van de vrouw lijkt kenmerkend voor deze procedure.
Ook het e-mailbericht van de man van 21 oktober 2025 kan niet gezien worden als een bericht waaruit zijn eerder gegeven toestemming impliciet blijkt. Het gaat in het e-mailbericht over een mogelijke verhuizing, waarbij de man heeft aangegeven dat hij het belangrijk vindt dat [minderjarige] in Nederland naar school moet gaan. De man toont begrip voor andere woonwensen van de vrouw en haar partner, maar stelt daarbij het belang van [minderjarige] voorop. Hij benoemt daarbij ook expliciet dat wanneer de vrouw naar een plek buiten Nederland verhuist dat ver gelegen is van een Nederlandse school hij voorstelt dat [minderjarige] bij hem ingeschreven staat en in [woonplaats 2] op school blijft. Op dat moment is de man er nog niet van op de hoogte waar de vrouw naartoe wenst te verhuizen. Pas bij e-mailbericht van 1 februari 2026 krijgt de man het officiële nieuwe adres van de vrouw door. Op welk adres [minderjarige] volgens de vrouw niet ingeschreven staat.
De rechtbank voegt er nog aan toe dat onvoorwaardelijke toestemming pas gegeven kan worden op het moment dat er een concreet voorstel wordt gedaan. Uit de correspondentie van partijen blijkt duidelijk dat er op geen enkel moment een concreet voorstel is gedaan. Het is niet vreemd dat de vrouw op zoek is gegaan naar scholen in de omgeving van [plaats 3] . De vrouw had al bedenkingen over de huidige school van [minderjarige] geuit en bovendien verbleef de vrouw zelf al maanden in [plaats 3] en niet meer in [woonplaats 2] . In dat licht kan de rechtbank de emailcorrespondentie over scholen plaatsen.
De verhuiscriteria
Nu er geen sprake is geweest van toestemming door de man, komt de rechtbank toe aan de vraag of er vervangende toestemming voor de verhuizing gegeven kan worden. Bij het beantwoorden van deze vraag spelen de verhuiscriteria een rol. Anders dan de vrouw stelt, is de rechtbank van oordeel dat de verhuiscriteria met zich meebrengen dat het verzoek van de vrouw dient te worden afgewezen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Er is geen noodzaak om te verhuizen. Voor zover de rechtbank de vrouw volgt in haar stelling dat de woning in [woonplaats 2] niet voldoet aan haar wens om met haar samengestelde gezin samen te gaan wonen, heeft de vrouw onvoldoende onderbouwd waarom zij (en haar partner) geen woning in de nabije omgeving van de huidige school van [minderjarige] hebben kunnen vinden. De niet met stukken onderbouwde stelling van de vrouw dat een woning in België goedkoper is, vindt de rechtbank onvoldoende.
Dat [minderjarige] voorafgaand aan het verzoek al meer dan een half jaar in [plaats 3] woonachtig was, de woning in [woonplaats 2] toen werd verhuurd en uiteindelijk is verkocht en de vrouw inmiddels een woning in [woonplaats 1] heeft aangekocht, zijn geen zaken die ertoe leiden dat er nu noodzaak ontstaat. Als er al sprake is van noodzaak, dan is deze eerst door de vrouw gecreëerd.
Dat de verhuizing naar België doordacht en voldoende voorbereid is, volgt de rechtbank niet. Tot aan het einde van augustus 2025 heeft de vrouw het plan gehad om alsnog te verhuizen naar Spanje. Dit blijkt ook uit het e-mailbericht van 28 augustus 2025 waarin ze de mogelijkheden hiertoe nogmaals uiteenzet.
Dat de vrouw ter voorbereiding op de door haar voorgenomen verhuizing allerlei stappen heeft gezet, zoals het verkopen van haar woning, het aankopen van een andere woning en het bezoeken van diverse scholen en het laten proefdraaien van [minderjarige] op een school maakt niet dat de verhuizing daarmee voldoende doordacht en voorbereid is. Sterker nog, de manier waarop de vrouw de afgelopen maanden heeft gehandeld, verdient, zoals ter zitting al is aangegeven, de schoonheidsprijs niet en is ook enorm belastend voor [minderjarige] geweest. Zij is in een half jaar tijd twee keer op een mogelijke verhuizing voorbereid. De ene keer naar Spanje, waarbij gesteld werd dat zij ook al vriendinnetjes in Spanje had. De tweede keer naar België, waarbij [minderjarige] op 24 september 2025 ook is ingeschreven bij een ponyclub in België, en gesteld wordt dat ze ook vriendinnetjes in België heeft. Deze inschrijving (ponyclub) is overigens gedaan kort nadat de man volgens de vrouw zijn (mondelinge) toestemming had ingetrokken.
Wederom is in de hele voorbereiding van de mogelijke verhuizing de man niet op een juiste manier betrokken. De vrouw heeft het feit dat zij met de man het gezamenlijk gezag over [minderjarige] heeft, niet voldoende serieus genomen. Het had op haar weg gelegen om er eerst voor te zorgen dat er schriftelijke toestemming voor de verhuizing van de man of vervangende toestemming van de rechtbank was, voordat zij vervolgstappen zou nemen. Dit in het belang van [minderjarige] .
De rechtbank zal de overige verhuiscriteria niet doornemen. De noodzaak van de verhuizing ontbreekt en de verhuizing is niet voldoende voorbereid of doordacht. [minderjarige] is wederom de dupe geworden van de snelle en niet doordachte handelingen van de vrouw. De rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] in tegenstelling tot wat de vrouw stelt, wel degelijk nog steeds geworteld is in [woonplaats 2] . Zij gaat daar naar school en heeft daar speelafspraakjes. Haar vader met wie zij een structurele zorgregeling heeft, is ook in [woonplaats 2] woonachtig.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om vervangende toestemming voor de verhuizing naar België te verlenen afwijzen. Doordat de andere verzoeken van de vrouw samenhangen met haar verzoek om te verhuizen, zal de rechtbank deze andere verzoeken ook afwijzen.
Wettelijk kader wijziging zorgregeling en hoofdverblijf
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Op het onderhavige geschil zijn de artikelen 1:253a juncto 1:377e BW van toepassing. Ingevolge artikel 1:377e BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een beslissing inzake een zorgregeling wijzigen indien de omstandigheden nadien zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Alvorens te beslissen dient de rechter, op grond van artikel 1:253a lid 5 BW, een vergelijk tussen beide ouders te beproeven.
Inhoudelijke beoordeling
Tussen partijen is niet in geschil dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden. De man is daardoor ontvankelijk in zijn verzoek.
De rechtbank heeft tijdens de zitting bekeken of er een vergelijk tussen partijen mogelijk is. De vrouw is op de ter zitting gedane voorstellen niet in gegaan. Zij heeft volhard in haar eigen verzoeken. Zoals ook al in rechtsoverweging 4.7. uiteen is gezet, is er geen vergelijk tussen partijen mogelijk gebleken.
Nu de vrouw is verhuisd naar België en aan haar geen vervangende toestemming voor de verhuizing van [minderjarige] naar België wordt gegeven, zal de rechtbank het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man bepalen. De rechtbank acht dit in het belang van [minderjarige] . Het verkleint voorts de angst van de man dat de vrouw alsnog verdergaande plannen om te verhuizen zal maken en uitvoeren. De vrouw heeft zowel in de eerdere procedure als in deze procedure laten zien dat zij de rol van de man als gezaghebbende ouder onvoldoende serieus neemt. De man heeft laten zien dat hij het belang van [minderjarige] en haar stabiliteit voorop stelt. De rechtbank heeft er alle vertrouwen in dat de man in het belang van [minderjarige] in overleg met de vrouw beslissingen neemt. Het bepalen van het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de man betekent ook het waarborgen van een onbelast contact van [minderjarige] met haar beide ouders.
Nu aan de vrouw geen vervangende toestemming tot verhuizing is verleend en haar verzoeken worden afgewezen, zal [minderjarige] in [woonplaats 2] naar school blijven gaan. Ook om die reden is het van belang dat het hoofdverblijf van [minderjarige] wordt gewijzigd en bij de man wordt bepaald. De rechtbank is het daarnaast met de Raad eens dat de huidige situatie niet in stand kan blijven. In de huidige situatie moet [minderjarige] het grootste deel van de tijd een lange reistijd ondergaan om door de vrouw naar school te worden gebracht. Zij blijft nu zelfs op de woensdag thuis, omdat ze anders te vermoeid is.
De rechtbank zal daarom het verzoek van de man om de zorgregeling te wijzigen toewijzen en bepalen dat [minderjarige] de ene week van woensdag na school tot vrijdagochtend en de andere week van woensdag na school tot maandagochtend voor school bij de man verblijft.
Het verzoek van de man om te bepalen dat de vakanties bij helfte worden verdeeld, zal de rechtbank nu dit niet in geschil is tussen partijen en dit al eerder (op onbekende datum) tussen hen is overeengekomen, eveneens bij beschikking vaststellen.
Het verzoek van de man om de kinderalimentatie op nihil te stellen, zal de rechtbank nu de vrouw hiertegen verweer heeft gevoerd, als onvoldoende met stukken onderbouwd afwijzen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. De rechtbank doet dit, omdat het voor de ontwikkeling van de minderjarige noodzakelijk is dat de beslissingen ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kunnen worden.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de verzoeken van de vrouw af;
bepaalt dat de minderjarige, [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2018, haar hoofdverblijf heeft bij de man;
bepaalt dat de man en de minderjarige, [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] (België) op [geboortedag] 2018, in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar de ene week van woensdag na school tot vrijdagochtend, de andere week van woensdag na school tot maandagochtend en gedurende een deel van de vakanties, nader in onderling overleg door partijen te regelen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. De Beer, voorzitter tevens (kinder)rechter, mr. Van der Pols en mr. Zuijdweg, (kinder)rechters, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in tegenwoordigheid van mr. De Bont, griffier
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: