RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/440873 / JE RK 25-1856 en C/02/446953 / JE RK 26-622
Datum uitspraak: 23 april 2026
Nadere beschikking van de kinderrechter over een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
C/02/440873 / JE RK 25-1856
Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
en
C/02/446953 / JE RK 26-622
de gecertificeerde instelling WILLIAM SCHRIKKER JEUGDBESCHERMING EN JEUGDRECLASSERING,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2024 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. J.J.R. Albicher.
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
de door de kinderrechter in deze rechtbank op 17 november 2025 gegeven beschikking (C/02/440873 / JE RK 25-1856) en alle daarin genoemde stukken;
de brief van de Raad van 9 april 2026;
de door de kinderrechter in deze rechtbank op 10 april 2026 gegeven beschikking (C/02/446953 / JE RK 26-622) en alle daarin genoemde stukken;
het verslag van de GI van 10 april 2026;
het observatieverslag van [hulpverlening] van 10 april 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 april 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI, tevens de vaste jeugdbeschermer.
In het kader van het spoedverzoek van de GI (C/02/446953 / JE RK 26-622) is deze zitting gepland, zonder daarbij het resterende deel van het verzoek van de Raad (C/02/440873 / JE RK 25-1856) te betrekken. De kinderrechter heeft voorgesteld om beide resterende verzoeken te behandelen om zo te voorkomen dat er op korte termijn weer een zitting zou moeten plaatsvinden met alle daarmee gepaard gaande spanningen.
De advocaat van de moeder heeft hierop aangegeven dat hij beide verzoeken met de moeder heeft besproken en dat hij het wenselijk vindt om beide verzoeken te behandelen zodat de moeder duidelijkheid krijgt. Langere onzekerheid over waar [minderjarige] zal gaan verblijven zal bij de moeder leiden tot een verdere toename van stress wat niet in haar belang is.
De jeugdbeschermer vindt het eveneens wenselijk om beide verzoeken gelijktijdig te behandelen. Het is van groot belang dat [minderjarige] duidelijkheid krijgt over waar zij verder mag gaan opgroeien. Uitstel van die beslissing is niet in het belang van [minderjarige] .
Gelet op het feit dat de Raad zijn standpunt ten aanzien van het resterende verzoek in voormelde brief van 9 april 2026 uitgebreid heeft weergegeven, heeft de kinderrechter besloten om beide verzoeken gelijktijdig te behandelen.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 november 2025 (C/02/440873 / JE RK 25-1856) [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 17 november 2026. Ook heeft de kinderrechter bij diezelfde beschikking een machtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 17 mei 2026 en het resterende deel van het verzoek aangehouden.
[minderjarige] verblijft op grond van voormelde machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 10 april 2026 (C/02/446953 / JE RK 26-622) het verzoek van de GI om zonder de moeder te horen een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van vier weken afgewezen.
3. De (resterende) verzoeken
Aan de orde is het resterende verzoek van de Raad om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Ook is aan de orde het resterende verzoek van de GI om een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling.
4. De standpunten van de Raad en de GI
In voormelde brief van 9 april 2026 heeft de Raad – samengevat – het volgende naar voren gebracht. De Raad heeft zorgen over de beperkte groei van de pedagogische vaardigheden van de moeder. Tijdens de begeleide bezoeken is de moeder in de verzorging van [minderjarige] afhankelijk van de begeleiding. Er worden tot op heden door de GI geen mogelijkheden gezien om de moeder meer met de zorg over [minderjarige] te belasten. Voor de Raad is gebleken dat sinds de geboorte van [minderjarige] , ondanks de inzet van intensieve hulpverlening binnen het vrijwillige en verplichte kader, de moeder nog niet voor [minderjarige] thuis kan zorgen. De Raad is bezorgd dat als de moeder belast wordt met de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , zij opgroeit in een onveilige opvoedsituatie waarin zij onvoldoende wordt gestimuleerd. Er is bij [minderjarige] sprake van een groei- en ontwikkelingsachterstand. Deze ontwikkelingsachterstand vraagt meer van haar opvoeders dan bij kinderen die zich leeftijdsadequaat ontwikkelen.
De Raad handhaaft het verzoek om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin voor de resterende zes maanden.
Ter aanvulling op het verzoek van de GI dat samengevat is weergegeven in voornoemde beschikking van 10 april 2026 heeft de jeugdbeschermer tijdens de zitting – samengevat – het volgende aangegeven.
In mei 2025 is [minderjarige] in het crisispleeggezin geplaatst, in afwachting van een vervolgplek. Een aantal maanden later is er een ander pleeggezin kort betrokken geweest, maar dat ging helaas al snel verkeerd omdat het gezin de zorg voor [minderjarige] te zwaar vond. Vigere pleegzorg is blijven doorzoeken en begin maart 2026 kwam het gezinshuis in beeld. De GI is daar zorgvuldig mee aan de slag gegaan. Er is een kennismakingsgesprek geweest en een bezoek aan het gezinshuis. Het gezinshuis betreft een gezinssetting. De gezinshuismoeder is fulltime aanwezig, de gezinshuisvader is hoofdaannemer in de bouw en werkzaam in projecten. In totaal verblijven er vijf deels ook oudere kinderen. Er zijn gezinshuizen die moeite hebben om ook de ouder(s) een rol toe te kennen. Dit gezinshuis staat daar wel voor open. De pleegouders zijn een paar keer met [minderjarige] naar het gezinshuis gegaan voor een kennismaking. Dat is goed verlopen. Daarna is [minderjarige] er alleen geweest, terwijl de pleegmoeder in de auto wachtte. [minderjarige] bleek zich bij de gezinshuisouders op haar gemak te voelen.
Een half jaar geleden is de GI gestart aan de hand van een pittig raadsrapport met het onderzoeken van de opvoedmogelijkheden van de moeder in samenwerking met [hulpverlening] . Het observatietraject bij [hulpverlening] is inmiddels geëindigd en daaruit is een advies gekomen dat aan de rechtbank is toegestuurd. Er is heel veel aan hulpverlening geïnvesteerd, maar de zorgen zijn er nog altijd ook voor wat betreft de fysieke veiligheid. De moeder heeft enige groei laten zien, maar niet groot genoeg om haar met de zorg over [minderjarige] te belasten. Qua contact tussen [minderjarige] en de moeder zal er nog veel geïnvesteerd moeten worden. Er zal elke drie tot vier maanden worden geëvalueerd of de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] nog passend is en wat er daarin nodig is. De moeder krijgt bij deze gesprekken ondersteuning van haar persoonlijke begeleider. Ook worden er verslagen gemaakt die aan alle betrokkenen worden teruggekoppeld.
De GI is van mening dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Het gezinshuis is perspectief biedend. Als het verzoek wordt toegewezen, kan [minderjarige] meteen bij het gezinshuis worden geplaatst. Het restantverzoek van de Raad om een machtiging tot uithuisplaatsing in een pleeggezin is niet meer nodig. De GI heeft er alle vertrouwen in dat het gezinshuis een passende plek is voor [minderjarige] .
5. Het standpunt van de moeder
Namens de moeder is – samengevat – het volgende naar voren gebracht.
Deze situatie is voor moeder erg stressvol. Zij is erbij gebaat dat er zo spoedig mogelijk duidelijkheid komt. In het verzoek staan elementen die volgens de moeder deels wel en deels niet kloppen. Zij vindt dat zij in de rapportages niet waarheidsgetrouw wordt afgeschilderd. De moeder vindt dat zij prima in staat is om, los van de hulpverlening, voor [minderjarige] te zorgen. Zij wil dat [minderjarige] zo spoedig mogelijk terug naar huis komt. De moeder realiseert zich dat [minderjarige] mogelijk iets meer dan gemiddelde zorg nodig heeft, maar zij beschikt over voldoende opvoedvaardigheden. De moeder herkent zich niet in wat er in de rapportages wordt gesteld over de veiligheid bij haar thuis. Dit geldt ook voor het verslag van [hulpverlening] . Volgens dit verslag wordt zij op sommige vlakken wel capabel geacht, op andere punten weer niet. De moeder herkent dit niet, ook niet dat zij onvoldoende sensitief of responsief zou zijn. De moeder vindt dat zij goed in staat is tot adequate interactie met [minderjarige] . Een uithuisplaatsing is een ultimum remedium en is in de gegeven omstandigheden niet nodig. Ouder en kind dienen ingevolge de bepalingen van het IVRK en EVRM niet van elkaar gescheiden te worden. De moeder staat eventueel open voor een moeder-kind plaatsing in een vrijwillig kader en zij is bereid alle voorwaarden die daarvoor nodig zijn te accepteren. Op dit moment is er sprake van een zeer beperkte omgangsregeling. Het is van belang dat er tussen [minderjarige] en de moeder hechting kan plaatsvinden. [minderjarige] noemt nu haar pleegmoeder ‘mama’. Dat is niet wenselijk. De gezinshuisouders hebben ongetwijfeld de beste bedoelingen, maar het is zeer de vraag of [minderjarige] gebaat is bij een overplaatsing. De moeder moet de kans krijgen om te laten zien dat zij een groei heeft doorgemaakt en in staat is zelf voor [minderjarige] te zorgen.
Namens de moeder wordt verzocht om alle verzoeken af te wijzen. De moeder blijft van mening dat het perspectief van [minderjarige] bij haar ligt in plaats van dat [minderjarige] nu weer wordt overgeplaatst naar een gezinshuis, wat bovendien een drukke situatie met weer andere kinderen betekent. Bij de moeder heeft [minderjarige] één op één contact en zorg.
Ter aanvulling heeft de moeder nog aangegeven dat de ontwikkelingsachterstand van [minderjarige] juist is veroorzaakt door de uithuisplaatsing. Zij vreest dat naarmate [minderjarige] langer uit huis is geplaatst, die achterstand alleen maar zal oplopen. Dat geldt ook in het geval dat zij naar een gezinshuis wordt doorgeplaatst. De moeder blijft erbij dat zij zelf de zorg voor [minderjarige] kan dragen. De moeder heeft inmiddels een verwijzing gekregen voor psychologische zorg. Zij heeft aanstaande maandag een afspraak.
6. De beoordeling
Op grond van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] dat er een machtiging wordt verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Vanaf de geboorte van [minderjarige] zijn er zorgen over de mogelijkheden van de moeder om [minderjarige] de zorg en opvoeding te bieden die zij nodig heeft. Ondanks de inzet van intensieve hulpverlening nemen de zorgen in de loop der tijd steeds verder toe. Ook blijkt er sprake te zijn van een vervuilde en onhygiënische woning. Intussen zijn Veilig Thuis, de Raad en een jeugdprofessional van de gemeente betrokken. [minderjarige] wordt meermaals in het ziekenhuis opgenomen met ernstige klachten. Na een mislukte vrijwillige plaatsing van de moeder met [minderjarige] bij gezinshuis [accommodatie] , wordt geconcludeerd dat een uithuisplaatsing van [minderjarige] niet langer kan worden afgewend. Met toestemming van de moeder wordt [minderjarige] in mei 2025 in het een crisispleeggezin geplaatst, waar [minderjarige] nu nog verblijft.
Gedurende deze vrijwillige plaatsing zijn er wekelijkse begeleide omgangsmomenten tussen de moeder en [minderjarige] . Gezien wordt dat de moeder zich op bepaalde punten voorzichtig positief ontwikkelt in de verzorging en benadering van [minderjarige] . Desondanks blijven de zorgen groot, vooral omdat de moeder geen hulpvraag heeft en alleen hulp wil accepteren als [minderjarige] thuis komt wonen. Op 17 november 2025 wordt [minderjarige] op verzoek van de Raad onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar en wordt een machtiging tot uithuisplaatsing verleend voor de duur van zes maanden zodat [minderjarige] ’s verblijf in het pleeggezin gewaarborgd is. Van de GI wordt – onder meer – verwacht om binnen deze zes maanden een besluit te nemen over het perspectief van [minderjarige] .
De GI heeft de afgelopen maanden intensief ingezet op het verkrijgen van zicht op de opvoedvaardigheden van de moeder, het vergroten van haar pedagogische mogelijkheden en het waarborgen van de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] . Uit structurele observaties door pleegzorg, de GI en [hulpverlening] is gebleken dat de opvoedvaardigheden van de moeder nog altijd onvoldoende aansluiten bij de ontwikkelings- en veiligheidsbehoeften van [minderjarige] . Ondanks de intensieve begeleiding vanuit [hulpverlening] heeft de moeder slechts twee van de vier hoofddoelen deels behaald en de andere twee hoofddoelen niet behaald. Daarbij wordt gezien dat de moeder beperkt leerbaar is. Bovendien staat zij weliswaar open voor feedback, maar alleen als zij het eens is met het advies dat wordt gegeven. Verder is gebleken dat de moeder het lastig vindt om adviezen en feedback te generaliseren naar andere situaties. Daar komt bij dat de kindeigen problematiek van [minderjarige] vraagt om bovengemiddelde opvoedvaardigheden van haar opvoeder. Die moet 24/7 alert en betrokken zijn om de juiste zorg, stimulans, ondersteuning en alertheid rondom veiligheid te bieden. De moeder is hiertoe niet in staat gebleken. De moeder heeft wekelijks een begeleid omgangsmoment met [minderjarige] , de ene week één uur en de week daarop twee keer één uur. De moeder heeft dus nog een hele lange weg te gaan en het is zeer de vraag of het haar überhaupt zal lukken om de stappen te zetten die nodig zijn om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. [minderjarige] kan daar niet langer op wachten.
Kijkend naar alle hulpverlening die al is geprobeerd, waaronder de eerder genoemde vrijwillige plaatsing bij [accommodatie] , ziet de kinderrechter geen meerwaarde om de mogelijkheden van een eventuele plaatsing in een ouder-kind setting te onderzoeken.
De kinderrechter ziet dat de moeder enorm haar best doet en dat er geen sprake is van onwil maar van onmacht. Hoewel de standvastige wens van de moeder om zelf voor [minderjarige] te zorgen begrijpelijk is, is dit ook tekenend voor het feit dat het de moeder ontbreekt aan inzicht in haar eigen mogelijkheden en in wat [minderjarige] nodig heeft.
Dit alles maakt dat de kinderrechter het eens is met de GI dat de moeder de afgelopen periode onvoldoende vooruitgang heeft geboekt om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. De kinderrechter heeft geen aanknopingspunten om aan te nemen dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verandering zal komen. Op grond hiervan onderschrijft de kinderrechter dan ook het standpunt van de GI dat het perspectief van [minderjarige] niet meer bij de moeder ligt. Van de GI wordt niet langer verwacht dat zij werkt aan een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de moeder.
[minderjarige] verblijft inmiddels al bijna een jaar in een crisispleeggezin. Omdat zij daar niet langdurend kan verblijven, is er gezocht naar een passende vervolgplek. Gelet op [minderjarige] ’s kindeigen problematiek en wat zij nodig heeft van haar opvoeder(s), is er gekeken naar een gezinshuis. Er is inmiddels een passend en ervaren gezinshuis gevonden dat kan aansluiten bij [minderjarige] ’s extra grote zorgbehoefte. Zij zijn in staat en bereid de zorg voor [minderjarige] perspectief biedend op zich te nemen. Daarnaast staat het gezinshuis open voor samenwerken met de moeder (als dit veilig en verantwoord kan). Het gezinshuis is redelijk in de buurt van de moeder zodat de omgang goed vormgegeven kan blijven worden. De kinderrechter acht het in het belang van [minderjarige] dat zij de overstap kan maken naar dit gezinshuis en zal het resterende verzoek van de GI voor de verzochte duur toewijzen.
Nu er geen noodzaak meer is voor een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek van de Raad afwijzen.
De kinderrechter realiseert zich dat dit niet de beslissing is waar de moeder op hoopte en dat deze beslissing ontzettend moeilijk voor haar zal zijn. De kinderrechter gaat ervan uit dat de GI de moeder, waar mogelijk, zal ondersteunen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De kinderrechter:
C/02/440873 / JE RK 25-1856
wijst het resterende deel van het verzoek van de Raad af;
C/02/446953 / JE RK 26-622
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening met ingang van 23 april 2026 tot 17 november 2026;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is op 23 april 2026 gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. Phillips, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans, griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.