DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Zeeland–West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A. van Essen te Breda,
[de grootmoeder] ,
hierna te noemen de grootmoeder,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke.
De kinderrechter merkt als informanten aan:
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Tilburg, hierna te noemen de GI.
[de grootvader] ,
hierna te noemen de grootvader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. T.J.W. Noordegraaf-van Dijke te Tilburg.
1. De beoordeling
Op 23 maart 2026 is ter griffie binnengekomen een brief van mr. Noordegraaf-van Dijke. In deze brief wordt verzocht de in deze zaak gegeven beschikking van 2 maart 2026 te verbeteren, omdat daarin een kennelijke verschrijving is opgenomen. Zo is in de overwegingen van die beschikking in randnummer 5.1 onder meer opgenomen: “Sinds 2018 is [minderjarige] wel minder bij grootouders gaan verblijven, maar nog altijd gedurende een substantieel deel van de tijd.”
Naar de mening van grootouders berust deze passage op een kennelijke onjuistheid, omdat niet sinds 2018, maar pas sinds juli 2024, sprake is van een verminderd verblijf van [minderjarige] bij grootouders. De grootouders merken in dit verband op dat deze onjuiste jaartalvermelding voortkomt uit het conceptrapport van de Raad, waarop vervolgens in overige schriftelijke stukken abusievelijk op werd voortgeborduurd.
De grootouders verzoeken om genoemde verschrijving bij herstelbeschikking te corrigeren, in die zin dat wordt opgenomen dat [minderjarige] sinds juli 2024 minder bij hen verblijft (maar nog altijd gedurende een substantieel deel van de tijd).
De belanghebbende moeder is in de gelegenheid gesteld te reageren op voormeld verzoek. Haar advocaat heeft laten weten in te stemmen met de voorgestelde wijziging van de beschikking.
De Raad heeft geen bezwaar tegen het door de grootouders verzochte herstel.
Nu gebleken is dat de door de kinderrechter in deze zaak gegeven beschikking van 2 maart 2026 een kennelijke -ook voor betrokkenen kenbare en voor eenvoudig herstel vatbare- fout bevat, zal deze als na te melden worden hersteld.
2. De beslissing
De rechtbank
verbetert de in deze zaak gegeven beschikking van 2 maart 2026, in die zin dat bij “De beoordeling” de vijfde zinsnede van rechtsoverweging 5.1 komt te luiden als volgt:
Sinds 2024 is [minderjarige] wel wat minder bij grootouders gaan verblijven, maar nog altijd gedurende een substantieel deel van de tijd.".
Deze beschikking is gegeven door mr. Verschoor-Bergsma, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in aanwezigheid van Van Dongen, griffier.
Mededeling van de griffier:
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open.
Deze beschikking brengt geen wijziging in de mogelijkheden en/of de termijn van hoger beroep tegen de beschikking die thans is verbeterd.