ECLI:NL:RBZWB:2026:4512

ECLI:NL:RBZWB:2026:4512

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 24-05-2026
Zaaknummer C/02/442603 FA RK 25-6234
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Rekestprocedure
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Verzoek wijziging gezamenlijk gezag in eenhoodig gezag.

Uitspraak

2. De feiten

Partijen zijn gehuwd geweest. De beschikking betreffende echtscheiding van 13 september 2024 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 10 februari 2025.

Uit dit huwelijk zijn de nu nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2015;

- [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] , Duitsland, op [geboortedag 2] 2017;

- [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] , Duitsland, op [geboortedag 3] 2018.

Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarigen.

De man en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De vrouw heeft de Turkse nationaliteit.

Ingevolge voormeld ouderschapsplan hebben de minderjarigen hun hoofdverblijf bij de vrouw en zijn de man en de minderjarigen in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gerechtigd tot het hebben van contact met elkaar in de even weken in het weekend van vrijdagmiddag uit school tot zondagmiddag 17.00 uur. Ten aanzien van de vakanties- en feestdagen is afgesproken dat dit ieder jaar in goed onderling overleg moet worden verdeeld.

Kort voorafgaande aan de herfstvakantie van 2025 is de vrouw naar Duitsland vertrokken, met medeneming van de drie kinderen. De vrouw verblijft daar bij haar ouders. Ter zitting van het kort geding op 1 december 2025 heeft de vrouw desgevraagd verklaard dat zij niet voornemens is om met de kinderen terug te keren naar Nederland.

De voorzieningenrechter heeft bij vonnis in kort geding van 9 december 2025 een onderzoek door de Raad gelast, in het geval duidelijk zal zijn dat de minderjarigen hun woonplaats in Nederland blijven houden, ter beantwoording van de vragen of de instandhouding van het gezamenlijk gezag door beide ouders in het belang is van de minderjarigen, in hoeverre een wijziging van de hoofdverblijfplaats en de zorgregeling tegemoet komt aan de belangen van de minderjarigen en of hulpverlening noodzakelijk is.

Bij brief van 16 december 2025 heeft de Raad de rechtbank geïnformeerd dat zij geen onderzoek zal starten gelet op het voorwaardelijk verzoek zoals vermeld in 2.6. De Raad zal in afwachting van aanvullende informatie van betrokken partijen en/of de rechtbank het onderzoek aanhouden.

3. De verzoeken

De vrouw verzoekt, samengevat, te bepalen dat voortaan aan haar alleen het gezag over de minderjarigen toekomt.

De man verzoekt, samengevat, deze procedure aan te houden met een termijn van

vier maanden, gelet op de door hem op te starten teruggeleidingsprocedure bij de rechtbank Den Haag, waarna hij zelfstandige verzoeken zal indienen.

4. De beoordeling

Aangezien de minderjarigen in het buitenland zijn geboren en de vrouw de Turkse nationaliteit heeft draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op deze internationale aspecten dient de rechtbank eerst vast te stellen of de rechtbank internationaal bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek van de man.

Partijen hebben op de zitting verklaard dat de rechtbank bevoegd is om dit verzoek te beoordelen.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 7 lid 1 van de EU-Verordening 2019/1111 van 25 juni 2019 betreffende de bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en betreffende internationale kinderontvoering (hierna: Brussel II-ter) is de Nederlandse rechter bevoegd het verzoek te beoordelen, indien de minderjarigen op het moment van de indiening van het verzoek hun gewone verblijfplaats hadden in Nederland.

De rechtbank zal als eerste beoordelen of de minderjarigen op het moment van indiening hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden. Niet is geschil is dat de vrouw en de kinderen sinds begin oktober 2025 in Duitsland verblijven. Het verzoekschrift is ingediend op 1 december 2025.

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt de gewone verblijfplaats van een kind vastgesteld op basis van de feiten en omstandigheden die eigen zijn aan iedere zaak. Naast de fysieke aanwezigheid van een kind op het grondgebied van een staat, moeten andere factoren, zoals de duur, de regelmaat en de redenen van het verblijf, maar ook de bedoelingen van de ouders, in aanmerking worden genomen die kunnen aantonen dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Hierbij geldt dat de inschrijving of uitschrijving van het kind in of uit de basisadministratie hooguit één van de relevante factoren is waarmee rekening kan worden gehouden bij het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind.

Uit de gedingstukken en de verklaringen van en namens partijen op de zitting is gebleken dat de duur van het verblijf van de kinderen in Duitsland kort is in relatie tot de duur van het verblijf in Nederland. Er kan niet gezegd worden dat er een zekere integratie in Duitsland heeft plaatsgevonden, aangezien de sociale omgeving voorheen in Nederland is opgebouwd, waaronder bijvoorbeeld op en rondom de basisschool. Hoewel de kinderen nu bij familie van hun moeder zouden verblijven, wonen hun vader en een aantal overige familieleden in Nederland. Over de redenen van het verblijf en de bedoelingen van ouders verschillen partijen van mening, zodat dat met die factoren bij deze beoordeling geen rekening kan worden gehouden. Tot slot staan de kinderen nog ingeschreven op het adres (van de vrouw) in Nederland. Op basis van deze factoren is de rechtbank van oordeel dat het centrum van het maatschappelijke bestaan van de kinderen zich niet naar Duitsland heeft verplaatst. Dit betekent dat Nederland in de procedure wordt als aangemerkt als de gewone verblijfplaats van de kinderen.

Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, relatief bevoegd nu het verzoek minderjarigen betreffen die woonplaats hebben in [plaats] en dus in het arrondissement van deze rechtbank.

Het toepasselijk recht dient te worden vastgesteld aan de hand van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, Trb. 1997, 299, oftewel het Haag Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996). Op grond van artikel 17 van het HKBV 1996 wordt het Nederlands recht toegepast op het verzoek.

De man verzoekt deze procedure aan te houden met een termijn van vier maanden, gelet op de door hem op te starten teruggeleidingsprocedure bij de rechtbank Den Haag. Hij is van mening dat sprake is van internationale kinderontvoering, omdat de vrouw in oktober 2025 zonder medeweten en instemming van de man met de kinderen is vertrokken naar Duitsland. Volgens hem is de uitkomst in die procedure van belang voor het verdere verloop van deze procedure. Hij wil, indien zijn verzoek om teruggeleiding van de kinderen naar Nederland wordt toegewezen, in deze procedure zelfstandige verzoeken indienen, namelijk wijziging van het hoofdverblijf en de zorgregeling. Pas in die situatie kan het onderzoek van de Raad uitgevoerd worden. De vrouw stemt niet in met aanhouding van deze procedure, omdat daar volgens haar geen noodzaak voor is en zij in de tussentijd geen handelingen voor de kinderen in Duitsland kan verrichten, omdat zij daar geen toestemming van de man voor krijgt.

De rechtbank ziet op dit moment geen reden om deze procedure aan te houden.

De - nog op te starten - teruggeleidingsprocedure zegt niets over het al dan niet voldoen aan de voorwaarden voor eenhoofdig gezag. De uitkomst in die procedure is dan ook in zoverre niet van belang voor het verdere verloop van deze procedure.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder der minderjarige kinderen toekomt. Ingevolge artikel 1:253n lid 2 BW is artikel 1:251a lid 1 BW van overeenkomstige toepassing. Op grond van laatstgenoemde bepaling kan de rechter bepalen dat het gezag over minderjarigen aan één ouder toekomt indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of indien b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is.

De vrouw onderbouwt haar verzoek als volgt. Zij stelt dat de man haar heeft mishandeld in het bijzijn van de kinderen. Veilig Thuis is tweemaal betrokken geweest. Ook heeft de man maar af en toe uitvoering gegeven aan de zorgregeling. In de periode van 7 juli 2025 tot 4 oktober 2025 gold er een contact- en gebiedsverbod, waarbij het de man was verboden contact te hebben met de vrouw en in of bij haar woning te komen. Er zijn op 5 oktober 2025 twee aanslagen gepleegd op de woning van de vrouw door de man of door toedoen van de man. Na die aanslagen is de vrouw met de kinderen de woning ontvlucht en naar haar familie in Duitsland gegaan. Zij wil daar blijven, want de veiligheid van de kinderen is daar gewaarborgd. De man heeft bovendien willen bewerkstelligen dat de vrouw en kinderen hun woning in [plaats] zouden worden uitgezet. In [plaats] werd zij constant bedreigd en onder druk gezet door de man en hij neemt geen emotionele en financiële verantwoordelijkheid voor de kinderen. De man betrekt de kinderen in de strijd tussen partijen en zet de kinderen op tegen de vrouw, zoals blijkt uit de overgelegde gesprekken via Whatsapp. Volgens de vrouw is het dan ook in het belang van de kinderen dat zij alleen wordt belast met het gezag.

Op de zitting heeft de vrouw daaraan toegevoegd dat zij de kinderen in Duitsland niet kan inschrijven voor een ziektekostenverzekering, zij geen bankrekeningen voor de kinderen kan openen en zij niet met de kinderen op vakantie kan gaan, omdat de man voor dit alles geen toestemming geeft. In tegenstelling tot de man heeft de vrouw steeds het belang van de kinderen voor ogen gehad en daarnaar gehandeld.

Namens de man is het volgende naar voren gebracht. De vrouw is geheel in strijd met het gezamenlijk gezag tussen partijen, in oktober 2025, zonder medeweten en zonder toestemming van de man samen met de kinderen van partijen vertrokken naar Duitsland. Door toedoen van de vrouw is de man in deze situatie terechtgekomen, waardoor hij de kinderen niet meer (fysiek) ziet en hij vindt het heel moeilijk daarmee om te gaan. De man bevestigt dat in 2025 sprake is geweest van een gebieds- en contactverbod. Dit vindt volgens hem zijn grondslag in de dynamiek tussen hem en de vrouw. Hij ontkent de mishandeling en het vernielen van de ramen van de woning. Hij is van mening dat de vrouw al langer de wens had om naar Duitsland te gaan en een situatie heeft gecreëerd waardoor zij het eenhoofdig gezag zou kunnen verkrijgen. Er is echter niet voldaan aan de criteria voor eenhoofdig gezag. Juist omdat hij zich verzet tegen het vertrek van de kinderen naar Duitsland, maakt dat hij niet kan instemmen met de verzoeken van de vrouw voor toestemming voor bijvoorbeeld de inschrijving voor een ziektekostenverzekering. Daarbij komt dat de vrouw haar verzoeken niet voorziet van concrete informatie, zodat hij niet weet waarvoor hij precies toestemming zou geven.

Namens de Raad is op de zitting aangegeven dat hoewel beide ouders hetzelfde lijken te willen, namelijk dat er (fysiek) contact is tussen de man en de kinderen, ook nu de kinderen feitelijk in Duitsland verblijven, is het nog niet gelukt om dat te regelen. De Raad benadrukt dat het in het belang van de kinderen is dat zij ook contact hebben met hun vader. Om de situatie te veranderen dienen beide ouders zich hiervoor in te spannen. Zij dienen een andere toon aan te slaan in hun communicatie met elkaar. Een teruggeleidingsprocedure zal partijen nog verder van elkaar verwijderen. Daar staat tegenover dat het voornemen van de man om een dergelijke procedure op te starten tot gevolg heeft dat van hem niet verlangd kan worden dat hij instemt met de aan hem voorgelegde gezagskwesties. De Raad spreekt de hoop uit dat ouders er samen gaan uitkomen, omdat de teruggeleidingsprocedure en de uitvoering van de beslissing daarin lang zal kunnen gaan duren en dit ook niet in het belang van de kinderen is.

Ten aanzien van het verzoek van vrouw haar te belasten met het eenhoofdig gezag is de Raad van mening dat weliswaar duidelijk is dat de communicatie van ouders slecht is, maar dat uit de ingediende stukken blijkt dat zij daar beiden een aandeel in hebben, omdat zij hun emoties daarbij een rol laten spelen. Het is bovendien begrijpelijk dat de man niet zomaar instemt met grote beslissingen, zonder dat hij over voldoende informatie beschikt. Ook heeft de Raad zorgen in hoeverre de man nog door de vrouw betrokken zal worden bij de kinderen, indien de vrouw het eenhoofdig gezag zal hebben. De Raad acht wijziging van het gezamenlijk gezag in eenhoofdig gezag voor de vrouw nu niet in het belang van de kinderen.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de gedingstukken en de verklaringen op de zitting is naar voren gekomen dat partijen in de periode voorafgaand aan de zitting, met hulp van hun advocaten, in een vergevorderd stadium waren gekomen om tot allesomvattende afspraken te komen. Zo is gezegd dat op het moment dat er goede afspraken zouden zijn over de zorgregeling, bij de man ruimte zou zijn om toestemming te kunnen geven aangaande de te nemen gezagsbeslissing over de ziektekostenverzekering. De rechtbank leidt daaruit af dat er nog mogelijkheden waren tot gezamenlijke gezagsuitoefening. De verschillende visies van partijen over de verdeling van de vakanties en de weekenden konden niet verder worden besproken, omdat het voor de man vlak voor de zitting emotioneel te beladen werd om aanwezig te zijn. Mogelijk had het verdere overleg tussen partijen kunnen leiden tot het wegnemen van de noodzaak tot het voeren van deze procedure en een op te starten procedure tot teruggeleiding. Echter, op de zitting is een verdere verharding van de standpunten van partijen gebleken. De rechtbank gaat ervanuit dat een beslissing op het verzoek van de vrouw de benodigde duidelijkheid zal geven, hetgeen de rechtbank (ook) in het belang van de kinderen acht.

Naar het oordeel van de rechtbank is op dit moment niet voldaan aan de voorwaarden om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag voor de vrouw. De vrouw stelt tegenwerking van de man bij gezagsbeslissingen te ervaren. De man daarentegen geeft aan dat het de man niet duidelijk was waarvoor hij toestemming dient te verlenen. De rechtbank overweegt dat het op de weg van de vrouw ligt om de man daar duidelijk over te informeren. Daarnaast bestaan er andere wegen om de toestemming te verkrijgen, waarbij gedacht kan worden aan het indienen van een verzoek bij de rechtbank om vervangende toestemming voor een specifieke gezagsbeslissing. Ten aanzien van de door de vrouw gestelde omstandigheden, die zij ten grondslag legt aan haar verzoek, staat alleen vast dat sprake is geweest van een gebieds- en contactverbod. Dit maakt echter niet dat er voldoende reden is voor eenhoofdig gezag, te meer omdat de man de vrouw het afgelopen half jaar niet heeft benaderd. De overige stellingen van de vrouw, die betrekking hebben op haar veiligheid, namelijk het ingooien van ramen van de woning, het door toedoen van de man moeten verlaten van de huurwoning en de aangiften van mishandeling heeft de man weersproken, zodat daaraan niet het belang kan worden gehecht dat de vrouw wenst. Daarnaast is weliswaar sprake van een slechte communicatie, maar daarover zijn partijen het eens dat deze manier van communiceren niet in belang van de kinderen is. De rechtbank benadrukt dat partijen ieder zelf een eigen verantwoordelijkheid hebben om op een respectvolle manier als ouders met elkaar te communiceren. Daarbij is er begrip voor de frustratie van de man dat er geen fysiek contact is met de kinderen, maar door de kinderen bij volwassenenzaken te betrekken door het verzenden van diskwalificerende berichten, toont hij niet zijn verantwoordelijkheid als ouder. Het voorgaande betekent aldus dat er naar het oordeel van de rechtbank geen onaanvaardbaar risico is dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag van beide ouders de kinderen klem of verloren zouden raken tussen die ouders en dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van de minderjarigen noodzakelijk is. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen.

Ten overvloede merkt de rechtbank op dat het van belang is dat partijen het advies van de Raad ter harte nemen, namelijk dat het in het belang van de minderjarigen is dat zij fysiek contact met hun vader hebben.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek af;

compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. Van de Kraats, en, in tegenwoordigheid van mr. Tillie, griffier, in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het

gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. Tillie

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand