beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/443419 / FA RK 25-6692
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking over gezamenlijk gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en een informatieregeling
in de zaak van
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. N. Grijmans in Den Haag,
tegen
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S.M.E. van Fraaijenhove van der Maas in Breda,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023,
hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 22 december 2025 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Grijmans van 12 januari 2026, betreffende de geboorteakte;
- het stelbericht van mr. Van Fraaijenhove van der Maas van 13 januari 2026;
- het op 3 april 2026 ontvangen verweerschrift, tevens houdende zelfstandige verzoeken, met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlage van mr. Grijmans van 8 april 2026, betreffende productie 4.
Op 15 april 2026 heeft de rechtbank de verzoeken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren partijen bijgestaan door hun advocaten, aanwezig. Ook was aanwezig een medewerker namens de Raad.
2. De feiten
Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Uit deze relatie is [minderjarige] geboren.
De man heeft [minderjarige] erkend.
De vrouw heeft alleen het gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de vrouw.
Partijen zijn met elkaar een omgangsregeling overeengekomen waarbij [minderjarige] bij de man verblijft in de even weken op vrijdag van 8.00 uur tot 18.00 uur en in de oneven weken op zaterdag 10.00 uur tot 18.00 uur, waarbij de ouder waar [minderjarige] naartoe gaat het halen op zich neemt.
3. De verzoeken
De man verzoekt, uitvoerbaar bij voorraad:
I - te bepalen dat partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen over de minderjarige [minderjarige] ;
II - te bepalen dat de man de minderjarige [minderjarige] bij zich kan hebben:
- in de oneven weken van vrijdagochtend 9:00 uur tot maandagochtend 9:00 uur;
- gedurende de vakanties en feestdagen op de navolgende wijze:
tot aan dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:
Kerstvakantie: de minderjarige verblijft bij de man gedurende de helft van de
kerstvakantie (één week aaneengesloten met in de even jaren de eerste week en in
de oneven jaren de tweede week aaneengesloten);
Kerstdagen: de kerstdagen worden altijd verdeeld, in de even jaren heeft de man
de minderjarige op eerste kerstdag, in de oneven jaren heeft de man de
minderjarige op tweede kerstdag tot en met 27 december 12.00 uur;
Oud en nieuw: bij toerbeurt, waarbij de man op de even oudejaarsdag 12.00 uur
de minderjarige bij zich heeft tot de oneven nieuwsjaardag 12.00 uur;
Zomervakantie: de eerste drie weken bij de vrouw, de laatste drie weken bij de
man;
Herfstvakantie: de minderjarige verblijft gedurende de helft van de herfstvakantie
bij de man, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;
Krokusvakantie: de minderjarige verblijft gedurende de helft van de
krokusvakantie bij de man, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren
de tweede week;
Meivakantie: de minderjarige verblijft gedurende de helft van de meivakantie bij
de man, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week.
Vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat:
Kerstvakantie: de minderjarige verblijft bij de man gedurende de helft van de
kerstvakantie (één week aaneengesloten met in de even jaren de eerste week en in
de oneven jaren de tweede week aaneengesloten);
Kerstdagen: de kerstdagen worden altijd verdeeld, in de even jaren heeft de man
de minderjarige op eerste kerstdag, in de oneven jaren heeft de man de
minderjarige op tweede kerstdag tot en met 27 december 12.00 uur;
Oud en nieuw: bij toerbeurt, waarbij de man op de even oudejaarsdag 12.00 uur
de minderjarige bij zich heeft tot de oneven nieuwsjaardag 12.00 uur;
Zomervakantie: de eerste drie weken bij de vrouw, de laatste drie weken bij de
man;
Herfstvakantie: de minderjarige verblijft gedurende de helft van de herfstvakantie
bij de man, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week;
Krokusvakantie: de minderjarige verblijft gedurende de helft van de
krokusvakantie bij de man, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren
de tweede week;
Meivakantie: de minderjarige verblijft gedurende de helft van de meivakantie bij
de man, in de even jaren de eerste week en in de oneven jaren de tweede week.
Pasen en Pinksteren: de man heeft de minderjarige bij zich in de even jaren op
eerste paasdag en in de oneven jaren op tweede paasdag. In de even jaren zal de
minderjarige bij de man verblijven op eerste pinksterdag en in de oneven jaren op
tweede pinksterdag;
Verjaardag minderjarige: de minderjarige verblijft in de even jaren bij de man;
Verjaardag man en vaderdag: de man zal de minderjarige bij zich hebben;
- althans een regeling die de rechtbank redelijk acht;
III - te bepalen dat de man elke maand op de eerste van de maand per e-mail wordt
geïnformeerd door de vrouw over de ontwikkeling van [minderjarige] , over medische aspecten, over zijn sociale en cognitieve ontwikkeling, (te zijner tijd) overde ontwikkeling op opvang/school (zoals rapporten, 10-minutengesprekken enz.) en over overige leuke en belangrijke gebeurtenissen van de minderjarige.
De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man en verzoekt deze verzoeken af te wijzen.
De vrouw verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek:
I - te bepalen dat de volgende zorgregeling tussen de man en [minderjarige] wordt bepaald:
- een reguliere omgang met opbouwregeling, waarbij de eerste twee maanden, omgang
plaatsvindt in de even weken van vrijdagochtend 08.00 uur tot zaterdag 18.00 uur, en na
die twee maanden, indien de omgang goed gaat, in de even weken van vrijdagochtend
uur tot zondagavond 18.00 uur. Vanaf het moment dat [minderjarige] schoolgaand is, zal
deze omgang ingaan in de even weken op vrijdag na school tot zondag 18.00 uur;
- in de zomervakantie 2026 een omgang gedurende 1 week aaneensluitend, niet zijnde in
de periode 01 tot 23 augustus, maar in de periode daarvoor of daarna. Voorts in 2027
gedurende 1 week, niet zijnde in de periode dat de gastouderopvang gesloten is, in
samenspraak met moeder te overleggen. Vanaf 2028 in de zomervakantie twee
aaneensluitende weken in overleg met moeder te bepalen voor 1 december in het
voorliggende jaar;
- in de schoolvakanties die 1 week duren (herfstvakantie en krokusvakantie), zal de
reguliere weekendomgang gelden (van vrijdag tot zondag in de even weken).
In de schoolvakanties die 2 weken duren (kerstvakantie en meivakantie), zal omgang
gedurende 1 week plaatsvinden aansluitend op de weekendomgang, startend in de even
weken;
- de kerstdagen worden jaarlijks bij helfte verdeeld in overleg. Oud en nieuw wordt het ene
jaar bij de ene ouder gevierd en het andere jaar bij de andere ouder, eveneens in overleg,
subsidiair op een wijze die uw rechtbank juist acht.
4. De standpunten en het advies van de Raad
Door en namens de man wordt ter onderbouwing van zijn verzoeken, samengevat, het volgende aangevoerd. Gezamenlijk gezag is het wettelijk uitgangspunt. Er zijn geen contra-indicaties om de man niet mede met het gezag te belasten. Van het ‘klemcriterium’ is geen sprake. De man wil van betekenis zijn voor [minderjarige] en kunnen meebeslissen over toekomstige keuzes zoals school, sport en medische zaken. De man benadrukt daarbij dat hij niet de intentie heeft om de vrouw dwars te zitten of te beslissen over de dagelijkse verzorging van [minderjarige] . Zo gaat de man akkoord met de schoolkeuze van de vrouw. De man erkent dat partijen in het verleden niet altijd constructief met elkaar hebben kunnen communiceren, echter dat betekent niet dat er geen gezamenlijk gezag kan zijn. Volgens de man verloopt de communicatie tussen partijen nu goed. Partijen informeren elkaar bij de overdracht van [minderjarige] en ook via WhatsApp is er contact over [minderjarige] . Dit is echter sporadisch van aard, reden waarom de man een informatieregeling wenst vast te leggen, zodat de man op structurele basis informatie van de vrouw krijgt over hoe het met [minderjarige] gaat. Daarnaast wenst de man een uitgebreider contact met [minderjarige] . De man wil een grotere rol in het leven van [minderjarige] spelen. Op dit moment is er omgang, maar zonder dat er een regeling is vastgelegd. Momenteel overnacht [minderjarige] niet bij de man. Een uitbereiding van de omgangsregeling, met overnachting, acht de man in het belang van [minderjarige] . De man ziet een weekendregeling met overnachting voor zich in de oneven weken van vrijdagochtend 9:00 tot en met maandagochtend 9:00 uur, zodat de man [minderjarige] naar school kan brengen en hij ook betrokken wordt bij de school van zijn zoon. Ook tijdens vakanties en feestdagen dient er een regeling te worden vastgesteld. Bij zijn verzoeken maakt de man een onderscheid tot [minderjarige] naar de basisschool gaat en vanaf hij naar de basisschool gaat.
Hoewel de communicatie tussen partijen al goed verloopt, is de man bereid om de communicatie verder te verbeteren. De man staat open voor een verwijzing naar het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA) om samen met de vrouw een hulpverleningstraject te volgen. Dit hulpverleningstraject heeft de beste kans van slagen als partijen daarin als gelijkwaardig worden gezien en zij dus beiden het gezag over [minderjarige] hebben. Bij de mediationtrajecten die partijen hebben doorlopen was er geen sprake van gelijkwaardigheid en dat heeft de man als lastig ervaren.
Door en namens de vrouw wordt, samengevat, het volgende aangevoerd. Aan het begin van de zwangerschap wenste de man het ongeboren kind niet te erkennen. De man blokkeerde toen het contact met de vrouw. Op initiatief van de vrouw is in juni 2024 het contact weer hersteld. De vrouw heeft bij de erkenning van [minderjarige] door de man voorgesteld om te wachten met het aantekenen van gezamenlijk gezag tot de communicatie tussen partijen verbeterd was. De communicatie tussen partijen is met periodes slecht, waardoor daadwerkelijk overleg over [minderjarige] niet altijd mogelijk is. De man liet de communicatie over de omgang met [minderjarige] via zijn ouders verlopen en hij kwam vaak niet op de afgesproken dagen om [minderjarige] te zien. Daarnaast toont de man zelden interesse in het welzijn van [minderjarige] en was hij bij urgente kwesties vaak niet bereikbaar. De vrouw ervaart het alsof de man dwarsligt en hij de belangen van [minderjarige] niet voorop zet. Zij kan zich dan ook niet vinden in het toekennen van gezamenlijk gezag. Door de slechte communicatie van partijen is sprake van het ‘klemcriterium’.
De vrouw verzet zich eveneens tegen de door de man verzochte omgangsregeling. Zij staat achter een uitbreiding van de omgang tussen de man en [minderjarige] , echter niet zoals de man dit verzoekt. Omgang tot maandagochtend is niet in het belang van [minderjarige] . Hij moet na contact met de man thuis kunnen acclimatiseren voor de nieuwe week weer begint. Ook een opbouw in de omgangsregeling acht de vrouw in het belang van [minderjarige] , omdat hij tot op heden nooit bij de man overnacht heeft.
De vrouw heeft zich tot tweemaal toe ingespannen om tijdens een mediationtraject afspraken met de man te maken en om de communicatie te verbeteren. De man heeft beide trajecten echter vroegtijdig gestopt, ook nadat partijen al een concept-ouderschapsplan hadden opgesteld. De vrouw staat ervoor open om een nieuw hulpverleningstraject aan te gaan via het UHA. Dit biedt de waarborg dat, bij een onverhoopt vroegtijdig einde van het traject, de Raad op de achtergrond betrokken blijft. De vrouw vraagt de rechtbank om het verzoek van de man ten aanzien van het gezamenlijk gezag aan te houden, in afwachting van de resultaten van de hulpverlening. Indien de rechtbank tussentijds een omgangsregeling bepaalt, verzoekt de vrouw rekening te houden met een opbouw, de omgangsregeling tot zondagavond te laten duren, rekening te houden met het advies van de Raad over de zomervakantie en rekening te houden met de vakantie van de vrouw. Partijen kunnen bij de hulpverlening met elkaar in gesprek over een definitieve omgangsregeling.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. De Raad is verheugd dat partijen zich bereid tonen voor een verwijzing naar het UHA. Partijen dienen met hulpverlening aan de slag te gaan om hun communicatie te verbeteren. Omdat er geen zicht is op de communicatiepatronen van partijen adviseert de Raad om de beslissing over het gezamenlijk gezag aan te houden in afwachting van de UHA-rapportage. Ten aanzien van de omgang tussen de man en [minderjarige] staat de Raad achter een opbouw. Immers, [minderjarige] heeft niet eerder bij de man overnacht. Hij moet daaraan kunnen wennen. De Raad begrijpt de man in zijn stelling dat hij betrokken wil worden bij school en hij de omgangsregeling wil laten duren tot maandagochtend. Over een definitieve regeling voor de langere termijn kunnen partijen bij het UHA-traject in gesprek. De Raad is er geen voorstander van om op dit moment een omgangsregeling vast te leggen voor een langere periode. Het is aan partijen om daarover samen afspraken te maken. De Raad volgt de vrouw in haar stelling dat een verblijf van [minderjarige] bij de man voor drie achtereenvolgende weken in de zomervakantie te lang is. Dit moet, gelet op zijn leeftijd, korter.
5. De beoordeling
In deze tussenbeschikking zal de rechtbank eerst ingaan op het verzoek van de man om hem samen met de vrouw met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten. Vervolgens behandelt de rechtbank zijn verzoek tot het vaststellen van een informatieregeling en de verwijzing van partijen naar het UHA. De rechtbank sluit deze tussenbeschikking af met een beslissing over een voorlopige contactregeling.
Gezamenlijk gezag
In artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) staat dat de vader van het kind, als hij het gezag mag krijgen, de rechtbank kan verzoeken hem ook, dus samen met de moeder, het gezag te geven. Hij mag dit gezag dan niet eerder al met de moeder hebben gehad. Verder staat in dat artikel dat dit verzoek alleen kan worden afgewezen als het risico bestaat dat het kind anders erg klem komt te zitten tussen zijn ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen korte tijd genoeg verbetering komt. Het verzoek kan ook worden afgewezen als dat om een andere reden in het belang van het kind noodzakelijk is.
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt van de wetgever is. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen. Daarbij geldt dat het ontbreken van een goede communicatie tussen de ouders niet zonder meer meebrengt dat in het belang van het kind het gezag aan één van de ouders moet worden toegekend.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gebleken dat thans sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen zijn ouders wanneer zij gezamenlijk belast worden met het gezag over hem. Weliswaar staat vast dat de communicatie tussen partijen soms te wensen over laat en nog verbetering behoeft, maar hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat partijen in het geheel niet in staat zijn om gezamenlijk beslissingen te nemen ten aanzien van [minderjarige] . De rechtbank ziet geen contra-indicaties om de man met het gezag te belasten. De angst van de vrouw dat de man dwars zal gaan liggen, haar zal belemmeren of dat zij meer tegenover elkaar komen te staan wanneer zij samen beslissingen moeten nemen, lijkt niet gegrond. Bovendien blijft de vrouw de hoofdopvoeder van [minderjarige] en heeft de man toegezegd dat hij zich niet zal mengen in de beslissingen over de dagelijkse opvoeding door de vrouw. Er zal hulpverlening worden georganiseerd die partijen kan sturen en ondersteunen in het uitoefenen van het gezamenlijk gezag en het verbeteren van hun onderlinge communicatie. Het gezamenlijk uitoefenen van het gezag brengt als voordeel met zich dat partijen ook in dit hulpverleningstraject een gelijkwaardige positie hebben en zij er beiden belang bij hebben om dit traject te laten slagen. Daarbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de verstandhouding tussen de man en [minderjarige] , maar ook tussen partijen onderling zal verbeteren wanneer de man meer mogelijkheden heeft om zich zelfstandig op de hoogte te stellen van hoe het met [minderjarige] gaat. Hij kan als hij met het gezag is belast immers zelf informatie ophalen over [minderjarige] bij medici, bij hulpverlening en - in de toekomst - bij school. Dit brengt mee dat de man dan meer kan aansluiten bij [minderjarige] en niet alleen afhankelijk is van de informatie die hem wordt verstrekt door de vrouw. Door het gezamenlijk uitoefenen van het gezag, zal het evenwicht tussen de ouders worden hersteld. Nu zij samen de zorg voor [minderjarige] dragen, acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zijn beide ouders ook gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor zijn opvoeding en voor de belangrijke beslissingen in zijn leven. Het vorenstaande brengt met zich dat het verzoek van de man zal worden toegewezen.
Informatieregeling
Nu de man met de vrouw met het gezamenlijk gezag wordt belast, is voor de door de man verzochte informatieregeling het bepaalde in artikel 1:253a BW van toepassing. In dit artikel staat dat de rechtbank een regeling kan treffen over de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot [minderjarige] wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind zijn hoofdverblijf niet heeft.
Onweersproken is gesteld dat de vrouw de man nu reeds over [minderjarige] informeert. Echter, om dat te bestendigen en daarin structuur aan te brengen acht de rechtbank een vastlegging van de informatieregeling in het belang van [minderjarige] , zeker nu de man met het gezamenlijk gezag wordt belast. De rechtbank zal daarom de informatieregeling vast te stellen conform het verzoek van de man. De vrouw is het daarmee eens.
Uniform Hulp Aanbod
De communicatie van partijen dient te worden verbeterd. Hoewel partijen met periodes goed met elkaar weten te communiceren, laat de communicatie ook met periodes te wensen over. Bovendien zijn partijen het niet met elkaar eens over een definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De huidige (niet vastgelegde) contactregeling verloopt goed, maar het lukt partijen samen niet om de problemen tussen hen op te lossen. De rechtbank acht het, evenals de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet in het kader van het UHA. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ;
[minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom hebben partijen besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] ;
- [minderjarige] en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar.
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de resterende verzoeken.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de contactregeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Geeft het onderzoek de Raad aanleiding partijen en/of [minderjarige] hulpverlening aan te bevelen? Zo ja, in welke vorm?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat de ouders in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet definitief op de thans nog voorliggende verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar houdt zij de definitieve beslissing daarover aan voor de duur van negen maanden, tot de hierna in het dictum gemelde pro forma datum. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
De rechtbank wijst het loket van de samenwerkende gemeente er – volledigheidshalve – op dat de man ten tijde van de verwijzing geen gezamenlijk gezag over [minderjarige] had. Die beslissing is pas genomen met deze beschikking. Op het verwijzingsformulier is daarom opgenomen dat de man geen gezag heeft. Met het wijzen van deze beschikking is daarin dus verandering gekomen. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en geldt dus, ook als iemand in hoger beroep gaat tegen deze beslissing. De man heeft aldus dezelfde gezagspositie als de vrouw.
Voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Ook ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken gaat de rechtbank uit van de situatie dat partijen gezamenlijk belast zijn met het gezag over [minderjarige] .
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Op grond van lid 2 van dit artikel kan deze regeling onder andere een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten.
Gelet op de overgelegde stukken, hetgeen tijdens de zitting is besproken en het advies van de Raad ziet de rechtbank reden om een voorlopige contactregeling te bepalen. Partijen geven op dit moment uitvoering de in rechtsoverweging 2.5 genoemde regeling. Onweersproken is gesteld dat deze regeling goed verloopt. Deze regeling bevat geen overnachting van [minderjarige] bij de man. Evenals de Raad acht de rechtbank een verdere uitbereiding van het contact op zijn plaats. Hiervoor bestaan ook geen contra-indicaties. De stelling van de vrouw dat een opbouwregeling nodig is, omdat [minderjarige] niet eerder bij de man heeft overnacht, wordt door de Raad en de rechtbank ondersteund. Gelet op die omstandigheid zal de rechtbank een voorlopige contactregeling vastleggen waarbij sprake is van een opbouw en [minderjarige] kan wennen aan een overnachting bij de man. Bij het hulpverleningstraject kunnen partijen vervolgens met elkaar om tafel om een definitieve contactregeling af te spreken.
De rechtbank is gebleken dat partijen het op zichzelf eens zijn met een weekendregeling, maar zij het niet eens zijn over de precieze duur daarvan. Waar de man een regeling voor zich ziet eindigend op maandagochtend, voert de vrouw aan dat [minderjarige] bij haar thuis moet kunnen acclimatiseren op zondagavond voordat de nieuwe week weer begint. De rechtbank zal hierover nu, ook omdat [minderjarige] nog niet naar school gaat, geen definitieve beslissing nemen, en laat dit aan partijen tijdens het UHA-traject.
De rechtbank zal evenmin beslissen over de contactregeling gedurende de (school)vakanties en feestdagen, met uitzondering van aanstaande zomervakantie nu deze snel volgt. De rechtbank volgt hierin het advies van de Raad; het is aan partijen om hierover nadere overeenstemming te bereiken tijdens het UHA-traject. Voor aanstaande zomervakantie heeft te gelden dat een verblijf van [minderjarige] bij de man voor de duur van drie weken achtereenvolgend, gelet op zijn leeftijd, te lang duurt. De rechtbank zal dan ook bepalen dat [minderjarige] , nadat hij heeft kunnen wennen aan overnachten bij de man, gedurende de zomervakantie 2026 (maximaal) één week achtereen bij de man verblijft. Als [minderjarige] erg moet wennen aan overnachten bij de man en partijen het er over eens zijn dat een hele week bij de man teveel van hem zal vragen, kunnen partijen in onderling overleg afwijkende afspraken maken.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de volgende voorlopige contactregeling bepalen:
- tot de zomervakantie 2026:
[minderjarige] verblijft bij de man in de even weken van vrijdagochtend 08.00 uur tot zaterdag 18.00 uur;
- in de zomervakantie van 2026:
[minderjarige] verblijft bij de man (maximaal) één week, ofwel van vrijdagochtend 17 juli 2026 08.00 uur tot vrijdag 24 juli 2026 08.00 uur ofwel van vrijdag 28 augustus 2026 08.00 uur tot vrijdag 4 september 2026, door partijen in onderling overleg te bepalen. De overige weken van de zomervakantie loopt de reguliere regeling door tenzij de vrouw met [minderjarige] met vakantie is;
- na de zomervakantie 2026:
[minderjarige] verblijft nadat hij in de zomervakantie een week (of korter) bij de man is geweest, steeds bij de man in de even weken van vrijdagochtend 08.00 uur tot zondag 18.00 uur.
De rechtbank benadrukt dat dit een voorlopige regeling betreft totdat partijen, bij het aangewezen hulpverleningstraject, tot een definitieve regeling zijn gekomen dan wel de rechtbank definitief heeft beslist. De rechtbank verwacht van partijen dat zij bij het aangewezen hulpverleningstraject tot definitieve afspraken komen.
De rechtbank zal de beslissing ten aanzien van het gezag, de informatieregeling en de voorlopige contactregeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren, omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat deze beslissing, ondanks een eventueel hoger beroep, meteen kan worden uitgevoerd.
Dit leidt tot de volgende (tussen)beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat partijen voortaan samen het gezag hebben over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023;
bepaalt dat de vrouw de man elke maand, op de eerste dag van de maand, schriftelijk (per e-mail) informeert over de ontwikkeling van [minderjarige] , zijn schoolprestaties (zodra hij naar school gaat), medische zaken, financiële zaken, hobby’s en activiteiten en over belangrijke aangelegenheden en gebeurtenissen rondom [minderjarige] ;
bepaalt dat de man en [minderjarige] in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken voorlopig gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar, op de wijze zoals is overwogen in rechtsoverweging 5.26;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verwijst partijen en de minderjarige voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van de minderjarige verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten op 2 februari 2027 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad, locatie Breda, binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA- rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.15 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de definitieve beslissing op het verzoek van de man (onder 3.1, sub II) en het zelfstandige verzoek van de vrouw (onder 3.2, sub I) aan;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.