ECLI:NL:RBZWB:2026:4515

ECLI:NL:RBZWB:2026:4515

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak 23-04-2026
Datum publicatie 24-05-2026
Zaaknummer C/02/445042 KG ZA 26-77
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Breda

Samenvatting

Kort geding. Geen spoedeisend belang bij vordering tot terugverhuizing. Vervangende toestemming vakantie. Toewijzing vordering tot afgifte paspoort minderjarige door man aan vrouw op straffe van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

vonnis

Team Familie- en Jeugdrecht

Breda

zaaknummer: C/02/445042 KG ZA 26-77

Vonnis in kort geding van 23 april 2026

in de zaak van

[man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat: mr. R.G.J. van Kerkhof,

tegen

[vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat: mr. P.F.M. Gulickx.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie, met producties;

- het bericht van mr. Van Kerkhof van 16 maart 2026 met productie;

- het bericht van mr. Gulickx van 30 maart 2026 met productie (usb-stick);

- de akte van depot, afgegeven door de griffier van de rechtbank op 2 april 2026;

- de brief van mr. Van Kerkhof van 7 april 2026 met producties;

- de zitting op 9 april 2026, de op zitting door de man ingediende wijziging van zijn eis in conventie en de door de vrouw gedane vermindering van haar eis in reconventie.

De voorzieningenrechter heeft de zaak tijdens de zitting met gesloten deuren behandeld, omdat het belang van de minderjarige en/of de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van partijen dit eiste.

Op de zitting zijn verschenen de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaten. Daarnaast is verschenen een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, (hierna: de Raad), om de voorzieningenrechter over de vorderingen met betrekking tot de minderjarige te adviseren. Tevens waren aanwezig, als informant, twee vertegenwoordigers van Stichting Jeugdbescherming Brabant, de gecertificeerde instelling (hierna: de GI). De aanwezigheid van de vertegenwoordigers van de Raad en de GI was beperkt tot het deel van de zitting waarin de vorderingen betreffende de minderjarige zijn besproken.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze is in december 2025 beëindigd.

Uit hun relatie is het volgende nog minderjarige kind geboren: [minderjarige] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024.

De man heeft de minderjarige erkend. Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de minderjarige.

De minderjarige verblijft bij de vrouw.

Bij beschikking van 30 januari 2026 heeft de kinderrechter de minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld van de GI, voor de duur van drie maanden.

Op 16 februari 2026 heeft de man een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/445226 FA RK 26-893), strekkende tot het vaststellen van een zorgregeling.

Op 3 maart 2026 heeft de vrouw een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/445567 FA RK 26-1081), strekkende tot vervangende toestemming tot verhuizing met de minderjarige naar de gemeente [woonplaats 2] en vervangende toestemming om de minderjarige daar in te schrijven op haar adres.

Op 10 maart 2026 heeft de vrouw eveneens een bodemprocedure aanhangig gemaakt (bekend onder zaaknummer C/02/446037 FA RK 26-1326), strekkende tot eenhoofdig gezag, vaststellen van hoofdverblijf en vaststellen van kinderalimentatie.

3. De vorderingen in conventie en reconventie

De man vordert thans, na wijziging van eis, in conventie bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

I. de vrouw te gebieden om binnen drie dagen na betekening van dit vonnis haar onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de overschrijving van de Suzuki Swift met [kenteken] (o.a. door afgifte van het overschrijvingsbewijs) op naam van de man, op straffe van een door de vrouw aan hem te betalen dwangsom van € 500,= voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om hieraan te voldoen, tot een maximum van € 10.000,= dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

II. de vrouw te gebieden om met de minderjarige terug te verhuizen naar de gemeente [woonplaats 3] en de minderjarige in de BRP terug in te schrijven in [woonplaats 3] , op straffe van een door de vrouw aan hem te betalen dwangsom van € 500,= voor ieder dagdeel dat zij nalatig is om hieraan te voldoen, tot een maximum van € 10.000,= dan wel een bedrag door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen;

III. althans dusdanige (voorlopige) beslissingen te nemen als de rechtbank in het belang van de minderjarige geraden acht.

De vrouw voert verweer tegen de vorderingen van de man in conventie en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man in zijn vorderingen dan wel tot afwijzing van die vorderingen.

In reconventie vordert de vrouw thans, na vermindering van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- afgifte van inboedelgoederen aan haar, te weten (a) het paspoort van de minderjarige, (b) de winterjassen van de minderjarige, (c) de voetenzak van de kinderwagen, (d) het Ziggo-kastje, (e) haar papieren, waaronder haar diploma's,

(f) de ring van haar oma, (g) de televisie van de huiskamer en de bijbehorende afstandsbediening en (h) haar kleding en schoenen, binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, onder last van een dwangsom van € 500,= per dag en voor iedere dag dat de man hiermee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,= alsmede

- aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met de minderjarige

naar Kroatië op vakantie te gaan van 27 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026, alsmede

- een en ander kosten rechtens.

De man heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van de vrouw in reconventie.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4. De beoordeling in conventie en in reconventie

De voorzieningenrechter zal bij de bespreking van de vorderingen de volgorde aanhouden waarin de onderwerpen op zitting zijn besproken.

(Terug)verhuizing met de minderjarige

Tijdens de zitting is komen vast te staan dat de vrouw met de minderjarige [minderjarige] feitelijk al is verhuisd naar een adres buiten de gemeente [woonplaats 3] , te weten naar een sociale huurwoning op een geheim adres in [woonplaats 2] . De vrouw heeft voor deze verhuizing geen toestemming gevraagd aan de man en de man wil zijn toestemming ook nu niet geven. De man heeft zijn vordering met betrekking tot het verbieden van de verhuizing ter zitting aangepast zoals hiervoor opgenomen onder rechtsoverweging 3.1 onder II.

De man heeft op zitting aangevoerd dat het feit dat de vrouw eigenrichting heeft gepleegd, maakt dat er een spoedeisend belang bestaat bij zijn vordering. Verder heeft hij aangevoerd dat een beslissing in de bodemprocedure niet kan worden afgewacht, omdat tegen die tijd de minderjarige al is geworteld op de nieuwe woonplek. De man heeft ook gesteld dat door de verhuizing de fysieke afstand tussen hem en zijn zoon wordt vergroot en dat dat een belemmering vormt in het contact tussen hem en zijn zoon. Daarbij vindt de man het belangrijk dat [minderjarige] binnen de gemeentegrenzen van [woonplaats 3] opgroeit, mede omdat de man verwacht dat hij binnen afzienbare tijd de verzorgende ouder zal worden van [minderjarige] aangezien de vrouw strafrechtelijk is veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaar vanwege betrokkenheid bij drugshandel. De man stelt dat het niet in het belang is van [minderjarige] om hem nu te ontwortelen om hem later weer te laten deelnemen aan het sociale leven van de woongemeente van de man. Wat de man betreft, kan de vrouw terugkeren naar de woning waarin zij hebben samengeleefd. De man zoekt dan wel elders onderdak.

De vrouw heeft betwist dat de man een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Zij heeft gesteld dat de beslissing in de bodemprocedure, waarin zij de rechtbank heeft verzocht om vervangende toestemming voor de verhuizing, kan worden afgewacht. De vrouw is blij dat zij een passende woning voor haar [minderjarige] toegewezen heeft gekregen. Voor wat betreft het geworteld zijn van [minderjarige] heeft de vrouw op zitting aangegeven dat [minderjarige] nog steeds in zijn oude woonplaats naar de kinderopvang gaat. Verder heeft zij aangevoerd dat er geen sprake is van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling; zij is in hoger beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank. Het standpunt van de man dat zij op korte termijn een gevangenisstraf moet uitzitten waardoor zij niet langer voor [minderjarige] kan zorgen, is dan ook onjuist.

De GI heeft op zitting naar voren gebracht dat er in de woning van partijen veel confrontaties in de aanwezigheid of nabijheid van [minderjarige] hebben plaatsgevonden en dat rust en stabiliteit voor hem belangrijk zijn. Het is in deze tijd van krapte op de woningmarkt bijzonder en positief dat de vrouw zo snel een gezinswoning toegewezen heeft gekregen. De Raad heeft dit beaamd en aangegeven dat het belangrijk is voor [minderjarige] dat de vrouw nu een eigen plek heeft. Terugkeer naar de voormalige woning achten de Raad en de GI niet in het belang van [minderjarige] en de vrouw.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de man onvoldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering tot terugverhuizing van de vrouw met [minderjarige] . De omstandigheid dat de vrouw zonder instemming van de man in [woonplaats 2] is gaan wonen, is op zich geen reden om een spoedeisend belang aanwezig te achten. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat [minderjarige] nog een jong kindje is en daardoor niet zo snel in een nieuwe omgeving zal zijn geworteld; hij gaat nog niet naar school en kan nog niet afspreken met vriendjes in de buurt. Onweersproken is gesteld dat hij nog in de gemeente [woonplaats 3] naar de opvang gaat. Verder is de afstand van de nieuwe woonplaats van de vrouw ( [woonplaats 2] ) tot de woonplaats van de man ( [woonplaats 3] ) in ieder geval voor de duur van de bodemprocedure niet zodanig groot dat hierin een spoedeisend belang gelegen is. De contacten tussen [minderjarige] en de man vinden plaats bij en onder begeleiding van de ouders van de man. De vrouw geeft sinds zij verhuisd is nog steeds uitvoering aan die omgangsregeling, waarbij zij [minderjarige] brengt en ophaalt. Ook als die omgangsregeling wijzigt, zal de nieuwe woonplaats van de vrouw met [minderjarige] in [woonplaats 2] naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen beperkende factor vormen voor het contact tussen de man en [minderjarige] . De voorzieningenrechter volgt de man daarom niet in zijn stelling dat de uitkomst van de bodemprocedure niet afgewacht kan worden en dat sprake is van een onomkeerbare situatie als er nu geen voorziening wordt getroffen. Vanwege het ontbreken van spoedeisend belang wordt de vordering afgewezen.

Vervangende toestemming vakantie Kroatië

Zoals de voorzieningenrechter ter zitting ook al heeft aangegeven, is het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering erin gelegen dat de man op zitting heeft verklaard dat hij nimmer zijn toestemming zal geven voor deze vakantie. Voor de vrouw is het echter van belang dat zij de voorgenomen vakantie kan gaan boeken.

De man heeft als reden voor zijn weigering gegeven dat hij vreest voor alcoholmisbruik door de vrouw. Volgens de man drinkt de vrouw 12 tot 14 flessen wijn per week, ook in het bijzijn van [minderjarige] . Het risico van overmatig alcoholgebruik is groter tijdens vrijetijdsmomenten, bijvoorbeeld als de vrouw op vakantie is. De man ziet veiligheidsrisico’s als de vrouw in het buitenland onder invloed is en [minderjarige] dan iets overkomt.

De GI heeft op zitting gesteld dat zij geen signalen of zorgen heeft over vermeend alcoholmisbruik door de vrouw. De GI vindt het in het belang van [minderjarige] dat hij samen met zijn moeder op vakantie kan gaan. De Raad sluit zich hierbij aan.

De voorzieningenrechter ziet in de dossierstukken geen grond voor de door de man geuite zorgen. De door de man gestelde zorgen over alcoholmisbruik worden niet herkend door de GI. De rechtbank acht de door de vrouw gewenste vakantie met [minderjarige] in Kroatië in het belang van [minderjarige] en ziet geen reden om de vrouw de daarvoor benodigde toestemming te onthouden. Dat leidt tot de conclusie dat de voorzieningenrechter de vervangende toestemming voor de vakantie in Kroatië aan de vrouw zal verlenen.

Afgifte goederen aan de vrouw

Paspoort [minderjarige]

Het spoedeisend belang van de vrouw bij haar vordering tot afgifte van het paspoort van [minderjarige] aan haar is erin gelegen dat zij op dit moment de hoofdverzorgende ouder is. Dit maakt dat zij moet kunnen beschikken over het paspoort van de minderjarige (onder meer voor medische behandelingen en vaccinaties van de minderjarige). Bovendien heeft de man eerder ook al toegezegd dat hij het paspoort van [minderjarige] aan de vrouw zou geven. Op zitting heeft de man gesteld dat hij het paspoort van [minderjarige] kwijt is geraakt.

De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen op de eerdere zitting van 30 januari 2026 de afspraak hebben gemaakt dat de man het paspoort van [minderjarige] (zo snel mogelijk) afgeeft bij zijn moeder, zodat de vrouw daar het paspoort kan ophalen. De vordering van de vrouw betreft daarom nakoming van een afspraak tussen partijen. De man moet alsnog uitvoering geven aan die afspraak; een geldige reden waarom hij dat nog niet heeft gedaan heeft de man niet gegeven. De man heeft ter zitting verklaard dat hij niet precies weet waar het paspoort zich bevindt, maar dat hij het paspoort gaat opzoeken. De vordering van de vrouw wordt in zoverre toegewezen. Ook de gevorderde dwangsom, waartegen de man geen verweer heeft gevoerd, wordt toegewezen. Deze zal echter worden gematigd en gemaximeerd zoals hierna vermeld.

Overige goederen

Met betrekking tot de door de vrouw gevorderde afgifte van de overige goederen, zijnde de winterjassen van de minderjarige, de voetenzak van de kinderwagen, het Ziggo-kastje, de papieren van de vrouw waaronder haar diploma's, de ring van haar oma, de televisie van de huiskamer en de bijbehorende afstandsbediening en haar kleding en schoenen heeft de vrouw in haar eis in reconventie niets aangevoerd met betrekking tot haar spoedeisend belang. Ter zitting is namens de vrouw aangevoerd dat deze eis is ingesteld om te voorkomen dat partijen daarvoor wederom naar de rechtbank moeten en dat de vrouw haar spullen nodig heeft. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vrouw hiermee haar spoedeisend belang onvoldoende heeft onderbouwd. Bij gebrek aan spoedeisend belang wordt die vordering daarom afgewezen.

Overschrijving auto

Tijdens de zitting is gebleken dat het kenteken van de auto, Suzuki Swift met [kenteken] op dat moment niet meer op iemands naam geregistreerd stond. Het voertuig is enige tijd geleden – vermoedelijk vanwege het niet geregistreerd zijn – door de politie in beslag genomen.

Partijen hebben op zitting de volgende afspraken gemaakt over deze auto:

de vrouw draagt er zorg voor dat de auto zo spoedig mogelijk weer op haar naam geregistreerd wordt;

zodra de registratie is voltooid, zal de vrouw er samen met de vader van de man zo spoedig mogelijk voor zorgen dat de auto op naam van laatstgenoemde wordt geregistreerd, waarbij de vrouw een vrijwaringsbewijs ontvangt.

Met deze afspraak is het belang van de man bij zijn vordering komen te vervallen. De voorzieningenrechter zal die vordering daarom afwijzen.

Proceskosten

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

wijst de vorderingen van de man af;

in reconventie

verleent aan de vrouw – ter vervanging van de toestemming van de man –toestemming om met de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2024, naar Kroatië te reizen en daar te verblijven in de periode van 27 juli 2026 tot en met 9 augustus 2026;

veroordeelt de man tot afgifte van het paspoort van voornoemde minderjarige aan de vrouw binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 100,= per dag voor iedere dag dat de man na ommekomst van voornoemde termijn hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,=;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd;

in conventie en in reconventie

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bollen, voorzieningenrechter en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand