beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/444156 / FA RK 26-308
Datum uitspraak: 23 april 2026
beschikking over ontzeggen contact en nakoming van de zorgregeling
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna: de vrouw,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. J.C. Hissink in Tilburg,
tegen
[de man] ,
hierna: de man,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. A.J.W. Vugs in Tilburg,
over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023, hierna: [minderjarige] .
Op grond van artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, hierna: de Raad, de rechtbank over de verzoeken geadviseerd.
1. Het procesverloop
Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:
- het op 16 januari 2026 ontvangen verzoek met bijlagen;
- het stelbericht van mr. Vugs van 13 februari 2026;
- het op 27 maart 2026 ontvangen verweerschrift met het zelfstandig verzoek met bijlagen;
- het F9-formulier met bijlagen van mr. Hissink van 8 april 2026, betreffende producties 7 tot en met 13.
Op 15 april 2026 heeft de rechtbank de verzoeken mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Daarbij waren aanwezig partijen bijgestaan door hun advocaten, aanwezig. Ook was aanwezig een medewerker namens de Raad.
2. De feiten
Partijen zijn met elkaar getrouwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank van 29 september 2025 is de echtscheiding uitgesproken en deze beschikking is op 5 november 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand die daarvoor zijn bedoeld.
Tijdens het huwelijk van partijen is [minderjarige] geboren.
Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
Partijen hebben afspraken met elkaar over de gevolgen van hun scheiding. Deze afspraken zijn vastgelegd in het ouderschapsplan van 25 juli 2025, welk ouderschapsplan onderdeel uitmaakt van voormelde echtscheidingsbeschikking.
Voor zover hier van belang spraken partijen in voormeld ouderschapsplan af dat [minderjarige] haar hoofdverblijf heeft bij de vrouw. Ook spraken partijen de volgende zorgregeling af:
3. De verzoeken
De vrouw verzoekt om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:
te wijzigen de bij ouderschapsplan d.d. 25 juli 2025 overeengekomen contactregeling tussen de man en [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2023 en zo nodig onder wijziging van de beschikking d.d. 29 september 2025 onder zaaknummer C/02/438443 / FA RK 25-4018 door opnieuw rechtdoende de man het recht om omgang met [minderjarige] te hebben te ontzeggen dan wel dat recht op te schorten onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden, dan wel te wijzigen op een wijze zoals de rechtbank deze regeling vermeent te behoren, kosten rechtens.
De man is het niet eens met het verzoek van de vrouw en verzoekt dit verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, althans af te wijzen.
Bij wijze van zelfstandige verzoeken, verzoekt de man de rechtbank om bij beschikking, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling die reeds feitelijk uitgevoerd werd, waarbij [minderjarige] - samen met haar halfzusjes [persoon 1] en [persoon 2] - altijd de ene week van maandagochtend tot dinsdagmiddag 17.30/18.00 uur en de andere week van zaterdag 9.00 uur tot en met dinsdag 17.30/18.00 uur bij de man verblijft, althans tot nakoming van de regeling zoals is vastgesteld in de beschikking van uw rechtbank d.d. 29 september 2025 en in het ouderschapsplan d.d. 25 juli 2025, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van
€ 6.000,00;
subsidiair
de vrouw te veroordelen tot nakoming van de zorgregeling die reeds feitelijk uitgevoerd werd, waarbij [minderjarige] - samen met haar halfzusjes [persoon 1] en [persoon 2] - altijd de ene week op maandag en dinsdag en de andere week van zaterdag 9.00 uur tot en met dinsdag 17.30/18.00 uur bij de man verblijft, althans tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank d.d. 29 september 2025 en in het door partijen ondertekende ouderschapsplan d.d. 25 juli 2025, met dien verstande dat [minderjarige] de eerste maand iedere
zaterdagochtend tussen 10.00 uur en 13.00 uur bij de man verblijft en iedere maandag tot
17.30/18.00 uur, althans een andere opbouwregeling als uw rechtbank in goede justitie ver-
meent te behoren, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag
of dagdeel dat de vrouw hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 6.000,00.
4. De standpunten en het advies van de Raad
Door en namens de vrouw wordt ter onderbouwing van haar verzoek, samengevat, het volgende aangevoerd. Op 2 december 2025 is de vrouw door de moeder van de man geïnformeerd dat zij drugs heeft gevonden in de woning van de man. In die woning verblijven [minderjarige] en de andere twee dochters van de man wanneer zij bij de man zijn. De man heeft later bevestigd dat hij drugs gebruikt en vanuit zijn woning ook dealt en andere gebruikers in de woning laat. De vrouw heeft daarna besloten om het contact op te schorten. Sindsdien ziet de man [minderjarige] niet meer. De vrouw maakt zich ernstige zorgen over de veiligheid van [minderjarige] , alsook haar eigen veiligheid. Het gedrag van de man gaat van kwaad tot erger. Hij bedreigt de vrouw, houdt zich op in de omgeving van de woning van de vrouw en op haar werk. Er heeft een mishandeling plaatsgevonden waarbij de vrouw fors letsel heeft opgelopen aan haar jukbeen, kaak en oogkas. Daarnaast heeft de man de auto van de vrouw vernield en vuurwerk afgestoken in haar tuin. Ook heeft de man de vrouw gedreigd om compromitterende informatie over haar te verspreiden als hij geen contact met [minderjarige] mag hebben. In de afgelopen periode zijn er diverse zorgmeldingen gedaan bij Veilig Thuis. [hulpverlening 1] en Veilig Verder zijn inmiddels bij het gezin betrokken. De politie heeft twee stopgesprekken met de man gevoerd. Aan de man is een contactverbod opgelegd. Dit verbod geldt tot 3 mei 2026. De vrouw heeft de beschikking over een awareknop. Zij heeft verschillende aangiftes tegen de man gedaan. Volgens de vrouw is de man niet in staat om op verantwoorde wijze het contact met [minderjarige] vorm te geven. Hij kan haar veiligheid niet garanderen. Aan de ontzeggingsgronden van 1:377a BW wordt dan ook voldaan.
De vrouw heeft inmiddels, via [hulpverlening 1] , een intakegesprek gehad bij [hulpverlening 2] . Zij heeft daar als hulpvraag neergelegd: hoe kan [minderjarige] veilig contact hebben met de man en wat is daarvoor nodig. De vrouw staat open voor een verwijzing van partijen en [minderjarige] naar het Uniform Hulp Aanbod (hierna: UHA). Op die manier kan de Raad versneld onderzoek doen als de hulpverlening van [hulpverlening 2] niet slaagt. In de tussentijd kan er geen vorm van contact worden georganiseerd. Er is geen netwerk aanwezig dat daarvoor kan zorgen. Dit kan niet van de vrouw zelf worden verlangd. De regie over (de opbouw van) het contact moet bij de hulpverlening worden belegd. De vrouw verzoekt om alle verzoeken aan te houden in afwachting van de resultaten van de hulpverlening, met verwijzing van partijen naar het UHA.
Door en namens de man wordt, samengevat, het volgende aangevoerd.
Anders dan de vrouw stelt, had de man - in afwijking van het ouderschapsplan - contact met [minderjarige] en zijn andere twee dochters de ene week van maandag uit school tot dinsdagavond 17.30/18.00 uur en in de andere week van zaterdagochtend 9.00 uur tot dinsdagavond 17.30/18.00 uur. De man heeft [minderjarige] na 2 december 2025 niet meer gezien, terwijl er geen redenen zijn om hem het contact te ontzeggen. Aan de ontzeggingsgronden van artikel 1:377a BW wordt niet voldaan; de man is goed in staat tot het hebben van contact met [minderjarige] en het contact met hem is niet in strijd met haar zwaarwegende belangen. Er zijn geen contra-indicaties voor contact. De man erkent weliswaar dat er drugs in zijn woning aanwezig waren, maar deze waren niet van hem. Mogelijk dat vrienden de drugs na een huisfeestje zijn verloren. De man gebruikt geen drugs en dealt niet. Tijdens het huwelijk met de vrouw gebruikten zij wel samen drugs. De man heeft er altijd voor gezorgd dat zijn kinderen niet met drugs in aanraking kwamen. Hij deed voordat het contact verbroken werd steeds aan het begin van de contactmomenten vrijwillig een drugstest. Uit deze tests bleek altijd dat de man niet had gebruikt. De man ontkent en betwist dan ook alle beschuldigingen van de vrouw, waaronder ook het letsel van de vrouw. Dit is niet door de man veroorzaakt. De man bevestigt dat [hulpverlening 2] is ingeschakeld om begeleide contactmomenten op te starten. De man vindt dit niet nodig, maar werkt mee om zijn kinderen weer te kunnen zien. De wachttijd bij [hulpverlening 2] blijkt 20 weken. Een periode van nu nog 20 weken zonder contact duurt te lang. De man staat open voor een verwijzing naar het UHA. Er moet echter wel gekeken worden naar een tijdelijke regeling, in afwachting van de hulpverlening. Beeldbellen met [minderjarige] is, gelet op haar jonge leeftijd, erg moeilijk. Er kan een vorm van fysiek contact plaatsvinden op een neutrale locatie, bijvoorbeeld bij de sportschool. Het is van belang dat de man en [minderjarige] hun band houden.
De Raad adviseert de rechtbank, samengevat, als volgt. De overgelegde stukken baren de Raad zorgen. Partijen hebben tegengestelde verhalen over wat er is gebeurd en wat er gaande is. Zelfs over de feiten, zoals hoe de contactregeling er uit ziet, zijn zij het niet eens. Anders dan de man, ziet de Raad op basis van de stukken wel degelijk zorgen. De Raad heeft in voorbereiding op deze zitting hierover ook contact opgenomen met de casusregisseur bij de gemeente. De Raad adviseert om verdere afspraken over het contact tussen de man en [minderjarige] over te laten aan hulpverlening van [hulpverlening 2] . Eerdere overbruggingsafspraken die zijn gemaakt, bleken niet haalbaar. Er moet voorzichtig met de situatie worden omgegaan. Daarbij hoort het maken van veiligheidsafspraken en een opbouw van het contact onder begeleiding. De Raad ondersteunt een verwijzing naar het UHA. Een stok achter de deur in de vorm van betrokkenheid van de Raad kan helpend zijn.
5. De beoordeling
Uniform Hulp Aanbod
Op dit moment vindt er geen contact plaats tussen de man en [minderjarige] . De vrouw heeft gegronde zorgen over de veiligheid van het contact tussen [minderjarige] en de man, alsook over haar eigen veiligheid. Partijen verschillen van mening over wat er tussen hen is gebeurd. Hun verstandhouding en communicatie is ernstig verstoord. De vrouw heeft, vanwege haar zorgen, de contacten tussen de man en [minderjarige] stopgezet. Partijen zijn niet in staat om samen naar oplossingen te kijken over het hervatten van het contact. Hierbij hebben zij hulp nodig. Voor de vrouw is daarbij van belang dat zij inzicht krijgt in de veiligheidsaspecten rondom het contact. Hoe kunnen de contacten tussen [minderjarige] en de man veilig verlopen? Hoe kan er sprake zijn van contact tussen de man en [minderjarige] waarbij ook de vrouw zich goed voelt?
Het lukt partijen samen niet om de problemen tussen hen in onderling overleg op te lossen. De rechtbank acht het, evenals de Raad, daarom nodig dat voor deze ouders een passend (jeugd)hulpverleningstraject bij een zorgaanbieder wordt ingezet in het kader van het UHA. Partijen hebben tijdens de zitting ermee ingestemd dat de rechtbank hen verwijst naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. De verwijzing heeft op 16 april 2026 plaatsgevonden met het verzenden van het verwijzingsformulier naar het loket. Deze beschikking geldt als bevestiging dat partijen met de doorverwijzing en de voorwaarden daarvan hebben ingestemd.
Met de inzet van het (jeugd)hulptraject gaan partijen in ieder geval werken aan het behalen van de volgende resultaten:
de ouders hebben inzicht in de (psychologische) gevolgen van de scheiding voor [minderjarige] ;
[minderjarige] heeft een stem in het scheidingsproces, voelt zich gehoord en gesteund.
Gebleken is dat partijen daarnaast ook op andere onderdelen hulp en ondersteuning nodig hebben. Daarom heeft de rechtbank besloten dat zij samen met een zorgaanbieder ook gaan werken aan het behalen van de volgende resultaten:
- de gezagdragende ouders zorgen voor afspraken en beslissingen die in het belang zijn van [minderjarige] ;
- [minderjarige] en de gezagdragende ouders hebben onbelast contact met elkaar;
- er is inzicht in de mogelijkheden/belemmeringen van beide ouders en de hulp die nodig is om een stabiele opvoedsituatie voor het kind te realiseren (binnen de scheidingssituatie).
De resultaten heeft de rechtbank ook vastgelegd in een resultatenlijst. Deze lijst is aan deze beschikking gehecht.
Na afloop van het (jeugd)hulpverleningstraject maakt de zorgaanbieder een rapportage op over het verloop en het resultaat van het traject. Deze rapportage wordt als bijlage bij het door de gemeente/toegang op te maken rapport gevoegd. De rechtbank verzoekt het loket om de volledige UHA rapportage uiterlijk op na te noemen pro forma datum, of zoveel eerder als mogelijk is, bij de rechtbank in te dienen.
Als de hulp heeft geleid tot een positief resultaat, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage uit te laten of een nadere mondelinge behandeling nodig is. De advocaten maken in hun reactie kenbaar wat het resultaat van de hulpverlening betekent voor de resterende verzoeken.
Als de hulp niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat verzoekt de rechtbank het loket de volledige UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad. De Raad toetst en beoordeelt dan of een onderzoek of interventie zal worden verricht. De Raad informeert de rechtbank binnen twee weken na ontvangst van de eindrapportage of er aanleiding is een onderzoek of interventie te starten.
Wanneer de Raad geen aanleiding ziet voor een onderzoek of interventie, maar op grond van de UHA-rapportage direct een advies kan geven, stelt de rechtbank ouders (en hun advocaten) in de gelegenheid zich over dit advies, alsmede over het verdere procesverloop uit te laten.
Wanneer de Raad een onderzoek wel noodzakelijk vindt, dan verzoekt de rechtbank de Raad dit onderzoek te verrichten en daarover bij de rechtbank een rapport en advies in te dienen ter beantwoording van de volgende vragen:
- Zijn er contra-indicaties voor contact tussen [minderjarige] en haar vader en zo ja, welke?
- Indien sprake is van contra-indicaties: hoeverre zijn deze contra-indicaties op te heffen; hoe, onder welke voorwaarden en op welke termijn?
- Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders past het beste bij de belangen van [minderjarige] ?
- Hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie vorm gegeven te worden?
- Geeft het onderzoek de Raad aanleiding partijen en/of [minderjarige] hulpverlening aan te bevelen? Zo ja, in welke vorm?
- Welke andere feiten en/of omstandigheden die uit het onderzoek naar voren zijn gekomen, zijn niet in voorgaande vragen aan de orde gesteld en zijn wel van belang om te vermelden?
Deze beschikking is een verzoek aan de Raad om dit onderzoek te verrichten, indien het traject niet is gestart of niet positief wordt afgesloten én de raad dat onderzoek noodzakelijk acht.
Na een onderzoek of interventie van de Raad stelt de rechtbank partijen (en hun advocaten) in de gelegenheid op de rapportage van de Raad te reageren en zich uit te laten over het verdere procesverloop.
Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling geïnformeerd over de privacy aspecten van de doorverwijzing. Zij hebben met het delen van de privacy gegevens en de voorwaarden waaronder de verwijzing plaatsvindt ingestemd.
Omdat de ouders in de gelegenheid worden gesteld deel te nemen aan het (jeugd)hulpverleningstraject beslist de rechtbank nu niet op de thans nog voorliggende definitieve verzoeken ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, maar houdt zij de beslissing daarover aan voor de duur van negen maanden, tot de hierna in het dictum gemelde pro forma datum. Op verzoek van het loket en/of de gemeente/toegang kan de rechtbank deze termijn verlengen. Dit verzoek moet gemotiveerd worden gedaan. Als de verlenging wordt toegestaan dan geeft de rechtbank een nieuwe pro forma datum door.
De rechtbank wijst het loket van de samenwerkende gemeenten er – volledigheidshalve – op dat partijen inmiddels een intakegesprek hebben gehad bij [hulpverlening 2]. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen binnen het UHA met deze hulpverlening aan de slag kunnen en deze verwijzing er niet voor zorgt dat partijen opnieuw een intakegesprek moeten voeren en/of zij onder aan de wachtlijst terecht komen. Het is van belang dat het reeds ingezette traject, ook met deze verwijzing, door kan gaan zonder vertraging.
Tijdelijke contactregeling?
Nu partijen met deze beschikking worden verwezen naar het UHA en er momenteel geen contact is tussen de man en [minderjarige] staat de rechtbank voor de vraag of alle verzoeken dienen te worden aangehouden (conform de visie van de vrouw) of dat de rechtbank een tijdelijke contactregeling dient te bepalen (hetgeen de man graag zou willen). De rechtbank overweegt als volgt.
Met de Raad en de vrouw deelt de rechtbank de zorgen over de man alsook over de veiligheid van de vrouw. De man ontkent en betwist weliswaar hetgeen de vrouw hem verwijt, echter de door de vrouw overgelegde stukken, waaronder aangiften, meldingen bij Veilig Thuis, de bevestiging van het contactverbod dat aan de man is opgelegd en de aanvraag van een awareknop voor de vrouw, bevestigen haar zorgen en geven blijk van de ernst van de situatie. Dat de man dit niet lijkt in te zien en lijkt te bagatelliseren, baart de rechtbank zorgen.
Gelet op het voorgaande en in lijn met het advies van de Raad zal de rechtbank voor nu geen tijdelijke contactregeling bepalen. De rechtbank kan op dit moment onvoldoende inschatten of en in hoeverre het contact tussen de man en [minderjarige] veilig kan verlopen. De rechtbank volgt dan ook het advies van de Raad om de invulling van de contacten over te laten aan de hulpverlening van [hulpverlening 2] . Gelet op de situatie kan van de vrouw bovendien op dit moment niet worden verlangd dat zij een vorm van contact tussen de man en [minderjarige] , zoals beeldbellen of fysiek contact op een neutrale locatie, organiseert. Er is ook niemand in het netwerk beschikbaar die dit op zich kan nemen. De rechtbank benadrukt daarbij dat het uitgangspunt moet zijn dat contactherstel tussen de man en [minderjarige] , mits veilig, zo spoedig mogelijk, onder regie van [hulpverlening 2] dan wel andere hulpverlening, plaats moet vinden, waarbij er ook aandacht moet zijn voor hetgeen zich tussen de man en de vrouw heeft afgespeeld. Partijen zullen het daarover eens moeten worden. Pas als er erkenning komt van hetgeen zich in het verleden tussen hen heeft afgespeeld, kunnen er stappen vooruit gezet worden. Die stappen zijn nodig om tot een onbelast contact te komen. Contact tussen de man en [minderjarige] terwijl de vrouw geen emotionele toestemming kan geven voor dit contact, zal, nu de vrouw de primaire opvoeder is van [minderjarige] , [minderjarige] in een onmogelijke positie brengen. Anderzijds is het niet in het belang van [minderjarige] dat zij verder vervreemdt van haar vader. Partijen zullen dus een diepgaand hulpverleningstraject moeten aangaan bij [hulpverlening 2] om tot toekomstbestendige resultaten te komen. Zij zijn dit aan hun dochter verplicht.
In afwachting van de resultaten van het UHA-traject zal de rechtbank het zelfstandig verzoek van de man aanhouden. Conform haar eigen verzoek ter zitting, zal de rechtbank ook het verzoek van de vrouw aanhouden. De rechtbank vertrouwt erop dat beide partijen zich zullen inzetten om tot een - veilige - oplossing te komen die recht doet aan ieders belangen, maar het belang van [minderjarige] voorop stelt.
Al het voorgaande leidt tot de volgende (tussen)beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank:
verwijst partijen en [minderjarige] voor een (jeugd)hulptraject ten behoeve van de hierboven genoemde resultaten naar het loket van de samenwerkende gemeenten in de regio Midden-Brabant. Het loket zal ouders en kind vervolgens via de toegang van de woonplaatsgemeente van het kind verwijzen naar de zorgaanbieder;
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten op 2 februari 2027 PRO FORMA, of zoveel eerder als mogelijk is, de UHA-rapportage over het verloop en de resultaten van het (jeugd)hulpverleningstraject bij de griffie van de rechtbank in te dienen;
verzoekt het loket van de samenwerkende gemeenten, wanneer het traject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, de UHA-rapportage ook direct toe te sturen aan de Raad;
verzoekt de Raad, locatie Breda, binnen veertien dagen na binnenkomst van de UHA-rapportage de rechtbank te informeren of hij aanleiding ziet een onderzoek of interventie te starten;
verzoekt de Raad, locatie Breda, wanneer het (jeugd)hulptraject niet is gestart of niet heeft geleid tot een positief resultaat, dan wel als de Raad daartoe zelf aanleiding ziet, een onderzoek in te stellen ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.10 vermelde vragen en daarover te rapporteren en te adviseren;
verzoekt de Raad zijn rapport en advies binnen vier maanden nadat de Raad de rechtbank heeft laten weten dat een onderzoek of interventie zal worden verricht bij de rechtbank in te dienen;
houdt de definitieve beslissing op het verzoek van de vrouw en het zelfstandige verzoek van de man aan;
behoudt zich iedere verdere beslissing voor.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Triest, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 april 2026 in aanwezigheid van mr. Vos als griffier.
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.