RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Team Familie- en Jeugdrecht
Breda
Zaaknummer: C/02/437096 FA RK 25-3328
datum uitspraak: 30 april 2026
beschikking betreffende wijziging gezag
in de zaak van
[de vrouw] ,
hierna te noemen: de vrouw,
wonende te [plaats] ,
advocaat: mr. S.C.H. Poelman,
tegen
[de man] ,
hierna te noemen: de man,
voorheen wonende te [plaats] , thans wonende te Portugal,
advocaat: mr. W.H.F.L. Rademakers.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
[de stiefmoeder] ,
hierna te noemen: de stiefmoeder,
voorheen wonende te [plaats] , thans wonende te Portugal.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het procesverloop
De rechtbank oordeelt op grond van de volgende stukken:
- het op 26 juni 2025 ontvangen verzoekschrift met bijlagen;
- het F9-formulier van mr. Poelman van 21 augustus 2025 met bijlage;
- de bijlagen bij het e-mailbericht van de man van 3 maart 2026.
Daarnaast is er veelvuldig gecorrespondeerd tussen de man en de rechtbank en heeft mr. Poelman op 14 november 2025 ook nog een bericht aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank zal de inhoud van deze stukken niet in haar beoordeling betrekken, nu deze met name en vooral betrekking hebben gehad op het verloop van deze procedure. Deze berichten zijn daarom ook niet in de opsomming van het procesverloop opgenomen.
Er stond aanvankelijk in deze zaak een zitting gepland op 11 december 2025. De man heeft de behandelend rechter op 10 december 2025 gewraakt, waardoor die zitting niet is doorgegaan. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 12 december 2025 het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond verklaard en heeft bepaald dat de zaak diende te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het wrakingsverzoek.
Daarna is de zaak gepland op de zitting van 17 maart 2026. De man heeft de behandelend rechter vlak voor de zitting op die dag gewraakt, waardoor ook die zitting niet is doorgegaan. De wrakingskamer heeft bij beslissing van 20 maart 2026, hersteld bij beslissing van 26 maart 2026, het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond verklaard, heeft bepaald dat de behandeling van de zaak diende te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van het wrakingsverzoek en tevens is bepaald dat een volgend wrakingsverzoek jegens de rechter door of (mede) namens de man niet meer in behandeling zou worden genomen.
Vervolgens is de zaak behandeld op de zitting met gesloten deuren op 2 april 2026. Bij die gelegenheid zijn verschenen de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de advocaat van de man. Tevens was aanwezig een medewerker namens de Raad. De man en de stiefmoeder waren niet aanwezig.
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft schriftelijk gereageerd. Hierbij heeft [minderjarige] aangegeven dat de inhoud van zijn briefje niet mag worden gedeeld met de procespartijen. De rechtbank heeft daaraan gehoor gegeven.
2. De feiten
Partijen hebben een affectieve relatie gehad, uit welke relatie het volgende nog minderjarige kind is geboren: [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
Partijen zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] heeft zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
Bij beschikking van deze rechtbank van 14 november 2024 is de bij beschikking van deze rechtbank van 13 juli 2021 vastgestelde co-ouderschapsregeling gewijzigd en is aan de man een verbod opgelegd om contact met [minderjarige] te hebben gedurende één jaar.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt te bepalen dat het gezag over [minderjarige] aan haar alleen toekomt en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De vrouw legt aan haar verzoek ten grondslag dat het uitoefenen van gezamenlijk gezag niet mogelijk is, omdat er geen vorm van contact is tussen partijen. Daarbij gaat de man op 19 april 2026 emigreren naar Portugal. De vrouw voert aan dat er bij [minderjarige] , na het opgelegde contactverbod, eerst opluchting en rust ontstond. Nadat hij hoorde dat zijn vader en huidige partner weer een kindje kregen, ging het echter slechter met hem. Hij voelde zich in de steek gelaten. Op school ging het ook minder met hem. Hij had toen al contact met een psycholoog. Later heeft [minderjarige] ook een EMDR-sessie gehad. Dat was toevallig net voordat [minderjarige] weer contact kreeg met zijn vader eind december 2025; [minderjarige] had hem per ongeluk gebeld. Via de hulpverlening is er nadien op hun kantoor een afspraak gemaakt tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] vond dat een fijn gesprek. Daarna zijn [minderjarige] en zijn vader een keer samen naar McDonalds geweest. Ook dat vond [minderjarige] fijn, hoewel hij wel vond dat hij werd opgezadeld met ‘grote mensen dingen’. Eind maart 2026 hebben [minderjarige] en zijn vader ook weer contact gehad en zijn zij opnieuw naar McDonalds gegaan. Dat zou hun laatste contact zijn voordat zijn vader naar Portugal zou emigreren. [minderjarige] was na een half uur al terug. Hij vond het lastig dat hij werd uitgenodigd voor het afscheidsfeest, dat was voor hem een onverwachte gebeurtenis en zag ertegen op wie hij dan allemaal zou zien daar.
De vrouw had gewild dat het beter met [minderjarige] zou gaan na het contactherstel met zijn vader, maar het gaat juist weer slechter met hem. Hij heeft op school inmiddels een aangepast rooster. Hij voelt zich minder waard dan andere kinderen. Verder krijgt [minderjarige] nu iedere week EMDR. De vrouw stimuleert het contact van [minderjarige] met zijn vader, ook als de man straks in Portugal woont. [minderjarige] heeft overigens op school moeten horen dat zijn vader naar Portugal emigreert. De vrouw is er ook via-via achter gekomen en heeft het in de krant gelezen.
Zij wil in gesprek gaan met de man, maar hij wil dat meestentijds alleen op zijn voorwaarden. Dat belemmert het contact en daardoor is er al langere tijd geen communicatie mogelijk. Er moet heel veel gebeuren om tot een contactherstel te komen. Het gaat niet om een eenvoudig herstelgesprek tussen de ouders. Er is een hoop gebeurd en de man heeft haar talrijke en veelal nare berichten gestuurd. Kinderalimentatie betaalt hij ook geruime tijd niet meer. Het gedrag van de man is een patroon van jaren en de vrouw verwacht niet dat dit zomaar doorbroken kan worden. Er moeten de komende tijd opnieuw veel beslissingen worden genomen over [minderjarige] . Dat lukt de ouders samen niet. De vrouw vreest dat de man, net zoals eerder, opnieuw niet akkoord zal gaan met diverse hulpverleningsinstanties voor [minderjarige] . Dan moet [minderjarige] weer afscheid nemen van een therapeut en naar een andere therapeut. Dat is niet goed voor [minderjarige] . Daarbij raakt de man ook fysiek op afstand, als hij in Portugal woont.
Namens de man is tijdens de zitting gemotiveerd verweer gevoerd en wordt door de advocaat geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek van de vrouw. Volgens de man is er geen enkele reden om het gezamenlijk gezag te wijzigen en is de onderbouwing van het verzoek te summier. Partijen maken op dit moment stappen om uiteindelijk weer tot herstel van hun onderlinge communicatie over [minderjarige] te komen en het contact tussen [minderjarige] en zijn vader is juist weer opgestart. [minderjarige] heeft op 23 december 2025 namelijk contact met hem gezocht. Hierna zijn zij een paar keer samen naar McDonalds geweest. Zij hebben ook online gamecontact. Verder hebben de man en [minderjarige] samen de afspraak gemaakt om de dag na de zitting naar het graf van de overleden zus van de man te gaan, iets wat [minderjarige] graag wilde.
Uit het door hem overgelegde bericht van de hulpverlener van [minderjarige] blijkt dat het wellicht goed is dat de ouders de strijd om het gezag staken; de vrouw doet dat niet volgens hem. Bij de man leeft vooral frustratie. Hij vindt het nu lastig om enerzijds met de vrouw in gesprek te gaan, terwijl er anderzijds vanuit haar een verzoek tot eenhoofdig gezag ligt. Hij wil graag betrokken blijven bij het wel en wee van [minderjarige] . Hij is een jaar lang verstoken geweest van iedere informatie over hem. Dat is voor de man moeilijk en ingewikkeld geweest.
Ook zijn vertrek naar Portugal is geen reden voor het ontnemen van zijn gezag. De man heeft zijn medewerking nooit geweigerd en gaat dat ook niet doen. Hij zet zijn handtekening spreekwoordelijk altijd “bij het kruisje”. Het kan zijn dat hij eerder misschien een keer niet heeft ingestemd met hulpverlening, maar hij had toen ook een informatieachterstand. Hij gaat niet vanuit Portugal de regie voeren, dat is aan moeder.
Volgens de man is dan ook niet aan de criteria voldaan. Hij begrijpt niet dat de vrouw haar verzoek handhaaft, omdat juist de instructie vanuit de hulpverlening zou zijn dat de strijd gestaakt moet worden. Dat doet zij op deze manier niet. Als het gezag van de man wordt beëindigd, zal [minderjarige] dat misschien ook als verlies zien en dat moet hem bespaard blijven. Hij heeft de afgelopen tijd al genoeg verloren, aldus de man.
De Raad heeft tijdens de zitting aangegeven dat het van belang is dat de rechtbank nu een beslissing neemt en de zaak niet langer aanhoudt. De Raad ziet duidelijke gronden voor het toewijzen van het verzoek tot eenhoofdig gezag. De communicatie tussen de ouders is niet, zoals de man lijkt te suggereren, met een paar gesprekken hersteld en opgelost. Dat is een langdurig traject waarbij het de vraag is of er een constructieve samenwerkingsrelatie tussen de ouders alsnog kan ontstaan. De man lijkt ook de schuld van alles buiten zichzelf te leggen. Het is wel van belang dat de hulpverlening en het contact tussen [minderjarige] en zijn vader worden voortgezet. De Raad vreest hier alleen voor. Als de man bij een mogelijke toewijzende beslissing tot eenhoofdig gezag het contact met [minderjarige] toch opnieuw zou verbreken, dan schaadt hij hiermee echt de belangen van [minderjarige] . Dan laat hij naar de mening van de Raad zien dat hij niet handelt in het belang van [minderjarige] . Alleen, de enkele mogelijke vrees dat de man dit misschien gaat doen, mag geen reden zijn om het gezamenlijk gezag in stand te laten.
5. De beoordeling
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd op verzoek van één of beide ouders, indien sprake is van gewijzigde omstandigheden sinds de laatste beslissing over of sinds de aanvang van het gezamenlijk gezag. Artikel 1:253n, tweede lid, van het BW bepaalt dat het eerste en derde lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing zijn.
Op grond van artikel 1:251a lid 1 BW kan de rechter een verzoek tot beëindiging van het gezamenlijk gezag toewijzen als er een onaanvaardbaar risico is dat een kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van een kind noodzakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat er een wijziging van omstandigheden is, die rechtvaardigt dat de rechtbank de bestaande gezagssituatie gaat beoordelen. Er is inmiddels geen sprake meer van een co-ouderschapsregeling. [minderjarige] heeft nu zijn hoofdverblijf bij de vrouw en de contacten tussen [minderjarige] en de man zijn anders en beperkter vorm gegeven. Dit maakt dat de vrouw kan worden ontvangen in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank dient te beoordelen of sprake is van één of beide wettelijke grond(en) voor wijziging van het gezag. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de wet is dat ouders gezamenlijk zijn belast met het gezag over hun minderjarige kind. Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist echter dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt.
Vooropgesteld wordt dat het verzoek van de vrouw tot gezagswijziging een ingrijpende beslissing betreft die een zorgvuldige belangenafweging vergt. De rechtbank acht zich voldoende geïnformeerd om nu een dergelijke gefundeerde en weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Daarbij is onder meer de zeer uitgebreide voorgeschiedenis van partijen, die zich heeft gekenmerkt door een voortdurende (machts)strijd tussen de ouders, als ook het verloop van de ondertoezichtstelling van 19 mei 2020 tot 25 juni 2024 in aanmerking genomen. Partijen hebben in het kader van de ondertoezichtstelling al meerdere en verschillende hulpverleningstrajecten geprobeerd. Deze zijn allemaal voortijdig gestrand, al dan niet door toedoen van de man omdat hij zijn medewerking niet (meer) wilde verlenen of zich terug trok omdat bijvoorbeeld zijn voorwaarden/eisen niet werden ingewilligd. In 2023 heeft de hulpverlening al geconstateerd dat ten aanzien van verbetering van de oudercommunicatie het maximaal haalbare bereikt leek. In de periode daarna, gedurende 2024 en 2025, is er geen hulpverlening voor partijen meer geweest onder andere omdat er geen vertrouwen (meer) was dat het inzetten van weer een hulpverleningstraject een kans van slagen zou hebben. Ook was de ondertoezichtstelling inmiddels halverwege 2024 geëindigd en had dat in het vrijwillig kader geregeld moeten worden. Dat was geen reële optie.
In de beschikking van 14 november 2024 is geoordeeld dat het hebben van contact met de man op dat moment in strijd was met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] en is aan de man een verbod opgelegd om contact met [minderjarige] te hebben gedurende één jaar. Nadat deze termijn is verstreken is, zoals blijkt uit de toelichting die op de zitting is gegeven, het contact tussen [minderjarige] en de man weer heel voorzichtig opgestart. Maar ook toen is er geen rechtstreeks contact tussen partijen (meer) geweest. Van een adequate communicatie tussen partijen als ouders van [minderjarige] is al lange tijd geen sprake (meer). In dat kader is onder meer verder van belang dat de vrouw daarover onweersproken heeft verklaard dat de man haar nummer heeft geblokkeerd en dat overige berichten die zij van de man ontvangt, beledigend, negatief en/of dwingend en niet constructief zijn. De man stelt voorwaarden en als daaraan niet voldaan wordt trekt hij zich terug en/of werkt hij toch niet mee. De vrouw heeft daarbij onder meer verwezen naar een e-mailbericht van 26 februari 2026 van de man aan de vrouw (productie 6 van de man) alsmede de situatie waarbij [minderjarige] eerder bij de man had aangegeven dat hij nog wel graag naar de man wilde gaan, maar minder vaak. Dit heeft ertoe geleid dat de man tegen [minderjarige] heeft gezegd dat hij hem dan niet meer wilde zien en dat hij zijn huissleutel moest inleveren (zie ook de beschikking van 14 november 2024). Tenslotte heeft de vrouw aangehaald dat [minderjarige] onlangs bij de man aangegeven heeft dat hij, voor het vertrek van de man naar het buitenland, (alleen) zijn zusje [persoon 1] graag wilde zien, waarop de man heeft aangegeven dat dat alleen kon samen met zijn andere zusje, [persoon 2] . Uiteindelijk is het niet doorgegaan zoals [minderjarige] het wilde.
Dat de man nu suggereert dat partijen met elkaar in overleg moeten om een brug te vormen en dat dat de basis kan zijn voor het verder uitoefenen van het gezamenlijk gezag in de toekomst kan de rechtbank niet volgen en is, gelet op de voorgeschiedenis en waar partijen nu staan, allesbehalve realistisch te noemen. Daarmee ontkent de man de feitelijke situatie en de voorgeschiedenis van partijen. De stelling, zoals namens de man tijdens de zitting naar voren is gebracht, dat hij overal zijn medewerking aan zal verlenen is, mede gelet op het dossier en de meest recente stukken, evenmin geloofwaardig te noemen.
Ten slotte betrekt de rechtbank in haar oordeel dat de vrouw op de zitting heeft toegelicht dat het op dit moment opnieuw niet goed gaat met [minderjarige] ; na een wat rustigere periode lijkt [minderjarige] weer meer last te hebben van de hele situatie. Hoewel hij zeker geniet van de contactmomenten die hij heeft met zijn vader, ervaart hij deze op momenten ook weer als belastend. Het is voor [minderjarige] lastig om het op deze manier vol te houden. Er moet nu rust komen voor hem.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de wisselende, onvoorspelbare en op momenten dwingende houding van de man leidt tot een onaanvaardbaar risico dat bij instandhouding van gezamenlijk gezag [minderjarige] klem of verloren raakt/zal raken tussen zijn ouders. Het is verdrietig dat de ouders dit niet hebben kunnen voorkomen. Voldoende staat inmiddels vast dat het voor partijen onmogelijk zal zijn om als ouders tot enige vorm van samenwerking met elkaar te kunnen komen. Gezien de ontwikkelingen in de afgelopen jaren valt naar het oordeel van de rechtbank niet (meer) te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen waardoor de ouders wel samen invulling kunnen geven aan het ouderlijk gezag. Wijziging van het gezag is nu de (enige) passende oplossing. De rechtbank is daarom van oordeel dat het (mede)gezag van de man in het belang van [minderjarige] moet worden beëindigd.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] noodzakelijk is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen uitgevoerd kan worden.
Aantekening gezagsregister
In verband met het bepaalde in artikel 2, aanhef en sub a, van het Besluit Gezagsregisters zal de rechtbank de griffier gelasten om in het centrale gezagsregister een aantekening te maken van deze beslissing, zodat voor iedereen duidelijk is dat de vrouw voortaan alleen het gezag over [minderjarige] heeft.
Contact
De rechtbank hecht eraan nog het volgende op te merken. Oprecht wordt de hoop uitgesproken dat deze beslissing geen nadelige gevolgen gaat hebben voor het prille contactherstel dat er inmiddels weer is tussen [minderjarige] en de man. [minderjarige] geniet in zijn algemeenheid oprecht van die contacten, de vrouw heeft nadrukkelijk uitgesproken volledig achter deze contacten tussen [minderjarige] en zijn vader te staan en zij stimuleert deze, waar mogelijk, ook nog steeds. Hoewel de emigratie van de man naar Portugal het contact met [minderjarige] wel zal bemoeilijken, gaat de rechtbank ervan uit dat de man, samen met de hulpverlening, constructief gaat zoeken naar andere manieren waarop dit contact op een verantwoorde wijze met [minderjarige] kan plaatsvinden. Zo is namens de man op zitting aangegeven dat de man met [minderjarige] een online game en voetbalspel speelt. De rechtbank geeft de man in overweging om dit in ieder geval voort te zetten nadat de man naar Portugal is verhuisd. Het moet zeker niet tot gevolg hebben dat het contact weer, voor een al dan niet langere periode, zal worden onderbroken.
Proceskosten
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6. De beslissing
De rechtbank
beëindigt het gezamenlijk ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats] , en bepaalt dat het gezag voortaan aan de vrouw alleen toekomt;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
gelast de griffier van deze rechtbank om deze beslissing over het gezag in te schrijven in het gezagsregister;
compenseert de kosten van het geding aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. Haerkens-Wouters en, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 30 april 2026.
Mededeling van de griffier:
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het
gerechtshof ’s-Hertogenbosch.
verzonden op: